X C R

X C R
X C R

X C R Vel 210 791 Eer ste Kar

X C R 49STE VERGADERIN G VERGADERING VAN DONDERDAG 26 JUNI 1947. (Bijeenroepingsuur 11 voormiddag.) Ingekomen stukken. — Mededeling van de benoeming van rapporteurs voor wetsontwerpen. — Regeling van werk zaamheden. — Behandeling en aanneming van wetsont werpen. — Behandeling van het wetsontwerp Nood voor ziening Perswezen. — Avondvergadering. — Behandeling en aanneming van het wetsontwerp Noodvoorziening Perswezen. — Mededeling van den Voorzitter.

X C R

X C R Yoorzitter: de heer Kranenburg

Voorzitter: Kranenburg

X C R Tegenwoordig, met den Voorzitter, 34 leden, te weten: de heren Pollema, Kolff, Stufkens, van Voorst tot Voorst, Kropman, Hommes, Koejemans, Algra, Brandenburg, Her mans, Vixseboxse, J . J. Kramer, Donkersloot, de Dreu, "Wibaut, Eeijers, van Velthoven, de Bruijn, Barge, Kolfscho ten, van Lieshout, Woltjer, Zegering Hadders, Brongersma, van den Brink, J . Cramer, Kraayvanger, in 't Veld, Hoogland] Anema, Biewenga, Oosterhuis en Kerstens, en de heer Beel, Minister-President, de heer van Maarse veen, Minister van Justitie, de heer Gielcn, Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, de heer Licftinck, Minister van Financiën, de heer Schagen van Leeuwen, Minis ter van Marine, de heer Mansholt, Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening, en de heer Jonkman, Minister van Overzeese Gebiedsdelen. De notulen van het verhandelde in de vorige vergadering wor den gelezen en goedgekeurd.

X C R Kranenburg (voorzitter)

no member profile picture

X C R Ik deel aan de Kamer mede:

X C R A.

X C R dat zijn ingekomen:

X C R 1°.

X C R berichten van leden, die verhinderd zijn de vergadering bij te wonen:

X C R van den heer van de Kieft, wegens verblijf in het buitenland; van den lieer van Santen, wegens verblijf in het buitenland van den heer de Zwaan, wegens ongesteldheid; van den heer Berger, wegens andere ambtsbezigheden; van den heer Schipper, wegens verblijf in het buitenland; van don lieer Rip, wegens verblijf in het buitenland.

X C R Deze berichten worden voor kennisgeving aangenomen; 2».

X C R de volgende door de Tweede Kamer der Staten-Generaal aangenomen wetsontwerpen:

X C R opbo°uwJ(Z35,s)Ian ° nr0eren d S°ed ten behoeve van den weder Wijziging en aanvulling van de hooger-onderwijswet de we* 'Mnr n- Srt ? jWSSStaaUbUul rfo. 222) J de 'wet van 24 Juni lfi/6 (Staatsblad no. 117) (386); ^ (Xationalc Spaarraad en het uitgeven' van Rijksspaarbrieven Voorziening me t betrekking tot de berechting van personen d>0 m dienst bij of van den vijand zich hebben sein, 1 ^ i:|khe!d (429°)T SSm l '1JVen J ve n te S e n d * ™nsche misdri Hindelingen der Staten Generaal. _ 1946—1947. — I. 49ste VERGADERING. — 26 JUN I 1947.

X C R Ingekomen stukken* (Voorzitter) Bekrachtiging nlgemoonon maatregel van bestuur betreffende dienstplichtvoorzieningen (410); Regeling vnn het hooger beroep van de vonnissen der krijgs raden te velde; kennisneming van misdrijven buitengewoon strafrecht door militairen rechter (450); Wering en verdelging van den coloradokever (46-1); Goedkeuring van het Statuut van de Internationale Vluchte lingenorganisatie, ondertekend te New- York op 28 Januari 1947 (467).

X C R Deze wetsontwerpen zijn of zullen aan de afdelingen worden gezonden; 3".

X C R de volgende Rogeringsmissivcs:

X C R *• e <"-, van den Minister van Financiën, zijnde een nota van inlichtingen op het adres van P . L. Cornelissen, te Voorburg, houdende ccn klacht in zake zijn aanslag in de vermogens aanwasbelasting en de vermogensheffing ineens; />.

X C R een, van als voren, ten geleide van het overzicht van den stand van de Rijksmiddelen per ultimo Mei 1947, met bijbeho rende toelichting; c.

X C R een, van den Minister van Overzeese Gebiedsdelen, ten geleide van het rapport der commissie-Ir van der Meer, welke naar Suriname werd uitgezonden, ten einde de mogelijkheid na te gaan van de vestiging daar te lande van Nederlandse boeren op mechanisch gedreven landbouwbedrijven; d.

X C R een, van den Minister van Binnenlandse Zaken, ten ge leide van het Verslag over de verrichtingen aangaande het Arm bestuur over 1944; e.

X C R van den Minister van Overzeese Gebiedsdelen: de ,Weke hjksche Kroniek", no. 51 ; /.een , van den Minister van Overzeese Gebiedsdelen, ten geleide van den hem langs telegrafischen weg toegezonden tekst van:

X C R 1".

X C R den brief van de Commissie-Generaal van 20 Juni 1947 gericht tot de Republikeinse delegatie als antwoord op haar nota van , Juni 1947; 2".

X C R den. brief van don Voorzitter van de Republikeinse dele gatie, gedagtekend 20 Juni 1947, weergevende don sakelijken inhoud van de op 19 Juni 1947 door den heer Sjahrir gehouden radio-rede; ° J 3°.

X C R den brief van de Commissie-Generaal aan de Republi keinse delegatie, gedagtekend 21 Jun i 1947, waarin nadere in lichtingen werden verzocht naar aanleiding van den brief van den heer Sjahrir van 20 Jun i d.a.v.; va f- Q o d ? n br i 0 o f , va n den Voorzitter der Republikeinse delegatie van «Jun i 194/, inhoudende nadere inlichtingen, verzocht in &el schrijven van de Commissie-Generaal van 21 Juni 1947 ionevens ' 5".

X C R den tekst van de aide-memoire, welke op 23 Juni 19-17 door den Lmtenant-Gouverneur-Generaal aan don Minister President van de Republikeinse Regering werd overhandigd De sub b tot en mot ƒ genoemde missives worden voor kennis geving aangenomen. De bijlagen zullen worden né krgole'd Ver griffie ter kennisneming door do leden; het sub e genoemde Stuk tor vertrouwelijke kennisneming. De sub o genoemde is!

X C R "

X C R 2 "» ™ <'.' « » gedrukl on aan de leden rondgezonden e ^air -de v m luindeu van de commis8ie vo 4°.

X C R de volgende verzoekschriften:

X C R een, van den secretaris van de stichting „Algemene Neder landse Vrodesactie", te Ammerstol, betreffende verLrde E van d.enstphchtigen wegens dienstweigeringS verooldelln een, van D . Ouwendijk-Goedhart, te 's-Gravenhage betref ^mauënYt'Öiji r ' -"^" * -T&iSS! :

X C R ConSs £!££$££&£% " * * — van de

X C R

X C R 792

X C R Ingekomen stukken. — Eegcling van werkzaamheden. — Behandeling en aanneming van wetsontwerpen.

X C R (Voorzitter) 5°.

X C R een geschrift vnn Alph.

X C R Laudy, te Hilversum, met adhaesie van A. Ingwersen, te Amsterdam, en H . de Greeve pr., betreffende het wetsontwerp Noodvoorziening Perswezen.

X C R Dit stuk zal worden ncdergelegd ter griffie, ter inzage voor de leden; 6".

X C R een motie, van den Algemenen Militairen Pensioenbond, in Algemene vergadering bijeen op 17 en 18 Juni 1947 in „Krasnapolsky", te Amsterdam, waarin wordt gesteld, dat de Regering ten spoedigste een wetsontwerp tot afdoende herziening der militaire Pensioen- en Weduwenwet bij de Tweede Kamer indiene.

X C R Deze motie zal worden nedergelegd ter griffie, ter inzage voor de leden; 7°.

X C R de volgende telegrammen:

X C R een, vnn den voorzitter van het Comité voor recht en veiligheid, te Batavia, betreffende den huidigen onzekeren toestand in Nederlandsch-Indië; een, van ,,Radio Werkend Nederland", te Amsterdam, waarin de verontwaardiging wordt uitgesproken, dat door den Radioraad nog geen advies is uitgebracht omtrent een definitieve radicregeling; een, van den voorzitter van de Verbonden Politieke Partijen, te Batavia, betreffende uiterst eenzijdige politieke berichtgeving door het persbureau Aneta.

X C R Deze telegrammen zullen worden nedergelegd ter griffie, ter inzage voor de leden; B.

X C R dat de afdelingen hebben benoemd tot rapporteurs over de wetsontwerpen :

X C R nos. 450, 386 en 415 de heren Wolt.jor, de Dreu, Hermans, Kramer (tevens voorzitter), van Velthoven, en voor de nos. 467, 440, 358 en 464 de heren van Voorst tot Voorst, de Dreu (tevens voorzitter), Hermans, Kramer, van Velthoven; C.

X C R dat de Minister van Oorlog mij heeft bericht wegens verblijf buitenlands verhinderd te zijn <1>' vergadering dor Kamer van heden bij te wonen en dat hij bij de openbare behandeling van wetsontwerp no. 476 zal worden vervangen door den Minister van Marine; dat de Minister van Sociale Zaken verhinderd is aanwezig te zijn en bij de behandeling van het wetsontwerp Wijziging van de Stoomwet (401) zail worden vervangen^ door den Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening.

X C R Gelijk ik den leden reeds telegrafisch heb doen weten, is het mijn voornemen om, indien de Kamer hedenmiddag niet met de behandeling van de agenda gereedkomt, de vergadering hedenavond voort te zetten.

X C R behandeling van de wetsontwerpen:

X C R

X C R Aan de orde is de behandeling van de wetsontwerpen: Afwijking van artikel 19 van het Besluit op de Ondernemingcbelasting 1942 ten behoeve van de gemeente Eindhoven'(453) ; Voorziening in de behoefte aan kasgeld voor den Indischen diens, hier te lande gedurende de jaren 1945, 1946 en 1947 (436); Wijziging van de Stoomwet (461); Goedkeuring van het op 5 April 1946 te Londen gesloten a?5 nonens het vaststellen van een maaswijdte van vischnetten en' van minimum-maten op sommige vischsoorten (Ml) ; . [ging van de Bloembollenziektcnwet 1937 en liquidatie van een"desbetreffende bezettingsregeling (452). wetsontwerpen worden achtereenvolgens zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming aangenomen,. 49ste VEKGADERING. — 26 JUN I 1947.

X C R behandeling van het wetsontwerp Wijziging wet diensóplichtvoorzieningen ( 476 ).

X C R

X C R Aan de orde is de behandeling van het wetsontwerp Wijziging wet diensóplichtvoorzieningen (476). De beraadslaging wordt geopend.

X C R Brandenburg (De heer)

no member profile picture

X C R Mijnheer de Voorzitter! Wij hebben in het Voorlopig Verslag enige opmerkingen gemaakt, waarvan andere leden meenden, dat ze beter tot haar recht zouden komen bij de behandeling van het wetsontwerp 440, dat gisteren in de afdelingen is behandeld. Ik sluit mij bij deze opvatting aan en zal dus bepaalde opmerkingen, die ik aanvankelijk had gedacht nu te maken, uitstellen totdat wetsontwerp 440 in deze Kamer in openbare behandeling komt.

X C R Nu iets over het wetsontwerp zelf. Wij hebben bij de behandeling van de Wet Dienstplichtvoorzieningen onze bezwaren reeds kenbaar gemaakt, omdat deze wet volgens ons aan de Regering grote volmachten verleent, ook al is het waar, dat de algemene maatregelen van bestuur door de Kamers moeten worden goedgekeurd, maar toch is het volgens onze opvatting zo, dat door deze machtigingswet de positie van hen, die er bij betrokken zijn, vooral dus de dienstplichtigen, ernstig wordt aangetast. Onze bezwaren tegen dit wetsontwerp om deze machtigingswet te verlengen, zijn mede vooral gelegen in het feit, dat de Regering, toen dit wetsontwerp werd ingediend, aanvankelijk de datum 1 Januari 1948 had genoemd, maar reeds bij de behandeling in de afdelingen der Tweede Kamer is tegen deze datum ernstig bezwaar gerezen, waarop de Regering in de Memorie van Antwoord de datum op 1 Juli 1947 heeft gesteld. Ondanks het feit, dat er in de Kamers ernstig bezwaar was tegen de aanvankelijke datum 1 Januari 1948, komt de Regering thans toch weer met die datum op het tapijt en wordt dit wetsontwerp aan ons voorgelend om die aanvankelijk genoemde datum toch een feit te doen zijn. Dit is volgens mij een handeling, die ernstige critiek vermag op te wekken, omdat door de Regering ter zake van dit wetsontwerp met cle opvattingen en verlangens van de beide Kamers te weinig rekening wordt gehouden. De critiek op het Regeringsbeleid dringt te meer naar voren, daar de datum 1 Januari 1948, die door de Regering in dit wetsontwerp genoemd wordt, geen enkele zekerheid geeft, dat de Regering op die datum inderdaad met een definitieve wet in zake de dienstplichtvoorziening zal komen. Dit is door de Minister van Oorlog bij de behandeling van het wetsontwerp in de Tweede Kamer duidelijk gezegd. Hij zcide nl.:

X C R „Ik spreek de oprechte hoop uit — zekerheid kan ik in het licht van de zoeven geschetste factoren nooit geven —, dat wij ons niet nogmaals voor cle noodzakelijkheid zullen zien gesteld om de verlenging van de duur van deze wet te vragen."

X C R De Minister sprak daar dus wel zijn ernstige hoop uit, maar meteen liet hij er op volgen, dat hij seen enkele zekerheid ten aanzien van deze datum kon geven. Daarom is onze critiek op een dergelijk beleid zeer ernstig en dringen wij er bij de Regering op aan — wij leven nu twee jaar na de bevrijding en willen direct onderschrijven, dat vlak na de bevrijding het ook volgens ons noodzakelijk was bepaalde noodmaatregelen te nemen en machtigingswetten aan te nemen, maar thans moet met dergelijke maatregelen niet meer geregeerd worden — er voor te zorgen, dat wij weer wetten krijgen, die een definitief karakter dragen, zodat het volk precies weet waar het aan toe is.

X C R Nu nog een enkel woord over de wijze, waarop dit wetsontwerp is behandeld. In het Voorlopig Verslag wordt door de moeste leden bezwaar gemaakt tegen de wijze, waarop dit wetsontwerp bij deze Kamer is ingediend: cle ene week in de afdelingen, de volgende week in openbare behandeling. Ik geloof, dal onze critiek hierop volkomen juist is. De Begering onderschrijft dit ook, maar desondanks ben ik van mening, clat een dergelijke wijze van werken een onjuiste is en dat de Kamer bij vraagstukken, die zo diep ingrijpen in het leven van bet volk, voldoende tijd moet krijgen om zich over de draagwijdt •. de inhoud van dit wetsontwerp te beraden. En dit is, bij do wijze, waarop bet aan ons voorgolecd is, niet gebeurd. Nu zegt de Regering bij monde van do Ministers van Marine en van Oorlog: indien het n-odig is, dat wij opnieuw ten aanzien van

X C R

X C R 793

X C R 476.

X C R Wijziging wet (Brandenburg e. a.) de dienstplichtvoorzieningen verlenging zullen moeten vragen, zullen wij vroegtijdig bij de Kamer komen met nadere voorstellen in dezen. Dat is allemaal zeer prettig, als ons dit beloofd wordt, maar ik geloof, dat bij het wetsontwerp 440, dat gisteren in de afdelingen is geweest en dat vermoedelijk aanstaande week in openbare behandeling komt, wij voor precies hetzelfde feit weer staan als wij bij dit wetsontwerp hebben meegemaakt. Daarom herhaal ik hier de critiek, dat volgens mij dit optreden van de Kegering ernstig gelaakt moet worden.

X C R Ik wil daarom besluiten met mede te delen, dat wij dus in de allereerste plaats ernstig bezwaar hebben tegen deze te snelle wijze van afdoening, die aan de leden van deze Kamer niet voldoende gelegenheid geeft om zich over deze ernstige vraagstukken voldoende te beraden, en in de tweede plaats, dat wij onze stem tegen dit wetsontwerp zullen uitbrengen.

X C R Donkersloot (De heer)

no member profile picture

X C R Mijnheer de Voorzitter! Wij staan met de verlenging van de machtigingswet voor de dienstplichtvoorzieningen voor een noodzakelijkheid, waarvan niet afgeweken kan worden. Dit neemt echter niet weg, dat er toch zeer ernstige bezwaren tegen bestaan, door den vorigen spreker ook genoemd. Trouwens, deze bezwaren worden door de Ministers van Oorlog en vain Marine gedeeld; zij hebben dit te kennen gegeven, maar niettemin menen wij toch met een enkel woord ook ons nog over die bezwaren te moeten uitspreken. Al staan wij nu voor de noodzakelijkheid, tot op zekere hoogte hoeft deze gang van zaken ons verrast; immers, een half jaar geleden viel dit allerminst te voorzien. Ik herinner mij, dat, toen 9 Januari 1947 in deze Kamer sprake was van de verlenging van die machtigingswet, de Minister met grote stelligheid verzekerd heeft, dart de Dienstplichtwet in haar gewijzigde vorm als wetsontwerp op 1 Juli voor ons zou komen te liggen. Hij heeft ons daarmede dan ook gerustgesteld, voor zover wij ook toen reeds bezwaren hadden.

X C R Ik herinner mij goed hoe stellig de Minister hieromtrent was. Er behoefde geen vrees te worden gekoesterd, want in het wetsontwerp zelf lag de datum besloten, waarbinnen het wetsontwerp tot wijziging van de Dienstplichtwet zijn beslag moest hebben gekregen. Het is jammer, dat de Minister, die bij die gelegenheid deze uitlating heeft gedaan, hier niet aanwezig is. Ik weet wel hoe grote moeilijkheden zich kunnen voordoen bij de voorbereiding, vooral van een zo voor wijziging vatbare wet als de Dienstplichtwet onder de gewijzigde omstandigheden is, maar niettemin is het jammer, dat de Ministers hierin niet zijn geslaagd.

X C R Ik wil een reden daarvan onderstrepen, nl. dat de tijd voor zulke machtigingswetten inderdaad voorbij is, gezien de atfstand tot het tijdstip van de bevrijding. Natuurlijk hebben wij het vertrouwen in de Ministers, dat zij zulke volmachten niet zullen aanwenden op een wijze, waardoor er bezwaren van riractische aard tegen zouden rijzen, doch ook in formeel en principieel opzicht is het ongewenst. Het is juist ten opzichte van de regeling van militaire zaken te betreuren, dat het op dit ogenblik nog niet mogelijk is tot een volledige democratische behandeling van de zaak over te gaan, een behandeling, waaraan wij dubbel behoefte hebben bij de precaire toestand, waarin de politieke verhoudingen ten opzichte van Indonesië blijvend verkeren, vooral ook om te voorkomen, dat verkeerde indrukken worden gewekt en dat verkeerde invloeden zich kunnen doen gelden. Daarom is het ook in theorie ongewenst, dat zulke belangrijke volmachten moeten worden verleend. Wa t de overige hiermee samenhangende quaesties betreft, ik wil hierbij niet stilstaan, omdat wij toch eerlang in de gelegenheid zullen zijn daarover te spreken bij de behandeling van het wetsontwerp voor de uitzending van dienstplichtigen. Een enkel punt wil ik echter even aanstippen, nl. het feit, dat mijn geestverwanten en ik overtuigd zijn van de dringende noodzakelijkheid van bezuiniging op dit onderwerp.

X C R De wederopbouw van ons la'nd in economisch opzicht vergt dit. De deviezenpositie van ons land en de hoge deviezenkosten van de militaire begrotingen vergen dit ook. Bovendien wil ik ook wijzen op de noodzakelijk-heid, tot vermindering van de troepen in Indonesië fce komen, waarover de resolutie van de Partij van den Arbeid zich onlangs heeft uitgesproken. Ik wil 49ste VEEGADEEING . — 26 JUN I 1947.

X C R dienstplichtvoorzieningen.

X C R (Donkersloot e. a.) er op wijzen hoezeer juist die vermindering van de troepen niet alleen practisch vam belang is, doch tevens in principieel opzicht als bijdrage tot de vertrouwensverhoudingen, die gevestigd zullen moeten worden. Ook in dit opzicht wilde ik even aanstippen wat wij later uitvoerig zullen hebben te bespreken.

X C R Vervolgens wil ik nog even terugkomen op hetgeen de Minister heeft gezegd in zijn nota van 7 Juni over de wijzigingen, die ten aanzien van de Dienstplichtwet te wachten staan en die een gevolg zijn van de gewijzigde behoeften en van de gewijzigde doelstelling vaü leger en vloot. Ik zou daarbij tevens te pas willen brengen wat ons in de Memorie van Antwoord is medegedeeld over den te verwachten duur van den diensttijd. Ik meen, dat de gewijzigde behoeften niet zouden moeten leiden tot de conclusie, dat een aanmerkelijke verlenging van den diensttijd gewenst is. Integendeel, ik zie juist een verlenging van dien diensttijd met grote zorg in. E r is gesproken van een duur van 2 i jaar. Het is mijn hartgrondige overtuiging, dat dit niet mogelijk is, dat dit een nadeel is voor ons land en ons volk, dat dit verkeerd is en vernietigend gaat werken op de toekomst van een groot aantal jonge mensen en dientengevolge ook van zeer nadelige invloed zal blijken te zijn voor het land en het volk in zijn geheel.

X C R Ik meen, dat wij er niet genoeg den nadruk op kunnen leggen, dat er gestreefd moet worden naar een zo sterk mogelijke bekorting van den diensttijd in het landsbelang en ook in het persoonlijke belang van de betrokkenen, vooral in aanmerking genomen hoezeer zij allen reeds in alle opzichten, o.a. voor de vorming voor hun beroep, voor de vorming van hun gezin, ten gevolge van den bezettingstijd achterop zijn geraakt.

X C R Voorts zou ik nog even willen aanstippen de behandeling van de principiële dienstweigeraars. Sinds bijna een jaar wordt de wet met betrekking tot de behandeling van de principiële dienstweigeraars verstrakt toegepast. Dat brengt dus mee, dat de gevolgen veel ernstiger zijn. Dit is trouwens toch al het geval in verband met de uitzending naar Indonesië. He t is van het1 grootste belang, dat onder die omstandigheden en bij deze gegevens zowel de behandeling van de zaak geen vertraging ondervindt, als ook de behandeling van den persoon aan alle eisen beantwoordt, die daaraan mogen worden gesteld, zodat geen menging bijv. van zulke personen, die zich eventueel in de gevangenis bevinden, met criminele gevangen zich kan voordoen. Ik wil nog op dit punt de aandacht vestigen: E r zijn principiële dienstweigeraars, wier motieven niet vallen onder de Dienstweigeringswet; met de ernst van hun motieven is in het verleden door de rechtspraak rekening gehouden, omdat men er van overtuigd was, dat dit ook op grond van de Grondwet noodzakelijk was. Deze soort principiële dienstweigeraars brengt men nu in een zeer nadelige positie. De zorg voor de belangen van deze mensen, evenals voor den oorlog het geval was, na te komen, is zeer belangrijk.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Dit zijn de korte beschouwingen, die ik aan dit onderwerp heb willen wijden.

X C R Schagen van Leeuwen (minister)

no member profile picture

X C R , Minister van Marine: Mijnheer de Voorzitter! Door samenloop van omstandigheden is mijn ambtgenoot van Oorlog tot zijn groot leedwezen verhinderd de behandeling van deze wet bij te wonen. Hij heeft mij verzocht hem te willen vervangen.

X C R Het zij mij vergund in de eerste plaats uiting te geven aan ons beider leedwezen, dat wij er niet in zijn geslaagd om do zozeer gewenste nieuwe Dienstplichtwet in ontwerp op tijd gereed te hebben, nl. voor 1 Juli a.s.

X C R Wij zijn ons er en volle van bewust, en dat ontkennen wij niet, dat voortgaan op de ingeslagen weg van het verlenen van machtigingswetten in strijd is met de fundamentele democratische rechten van het Parlement. Wij zijn clan ook node en schoorvoetend tot de hernieuwde stap overgegaan en hebben ons daarbij zelf ook ernstig teleurgesteld gevoeld in onze aanvankcli'k gekoesterde hoop de kluwen van de beheersende factoren tijdig te kunnen out warren. Ik kan u dan ook de verzekering geven, dat onze beide Ministeries met inspanning van alle krachten aan de samenstelling van een nieuw ontwerp hebben gewerkt, liet ontwerp is dan ook practisch in grote trekken geheel gereed, op enige essentiële punten na, waarop ik even

X C R

X C R 794

X C R 49ste VERGADERING . — 26 JUN I 1947.

X C R 476.

X C R Wijziging wet (Minister Schagen van Leeuwen) de aandacht zou willen vestigen. Deze essentialia worden echter door factoren beheerst, die niet met zekerheid fin se hieven kunnen worden. Dit ontwerp, dat uiteraard voor de eerstkomende jaren bestemd is, zal definitieve voorschriften moeten geven. Het kwam ons op het laatste ogenblik beter voor ons te houden aan het oude spreekwoord: beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald, omdat wij bij de beoordeling van de factoren de overtuiging kregen, dat, indien wij het hadden geformuleerd, zoals de omstandigheden het ons toestonden, wij dan helaas de Kamer te zijner tijd vermoedelijk allerlei wijzigingen zouden moeten voorlogen en het kwam ons in verband met het feit, dat het amendement-Ruijs de Beerenbrouck ons in de oorspronkelijk aangevraagde machtigingswet een zekere beperking had opgelegd, gerechtvaardigd voor onder deze omstandigheden de Kamer nogmaals lastig te vallen met deze aanvrage tot verlenging.

X C R Even dieper ingaande op de zeer bijzondere punten, waarop wij gestrand zijn, zou ik in de eerste plaats willen noemen het feit, dat de internationaal strategisch politieke situatie in Europa en in het algemeen in de wereld zich nog niet zodanig ontwikkeld heeft, als wij twee jaar geleden meenden te mogen verwachten. U zult het met mij eens zijn, Mijnheer de Voorziter, dat hierdoor de doelstelling en de samenstelling van onze weer.macht in grote trekken beheerst wordt. He t is, om nog iets duidelijker t e zijn, zeer te betreuren, dat de organisatie der verecnigde naties op de aanvankelijk ingeslagen weg vele obstakels ondervindt, die haar natuurlijke ontwikkeling, waarvan ieder rechtgeaard mens grote verwachtingen koesterde, belemmeren. Dit is een van de voornaamste oorzaken, dat niet alleen wij, doch ook andere landen zich geen principiële uitspraak kunnen veroorloven omtrent de eventuele omvang en de doelstelling van de wcermaehten, die nodig zullen zijn voor de beveiliging van de internationale rechtsorde. 1 >it is een belangrijk punt, waarmede wij als kleine natie terdege rekening moeten houden.

X C R In de tweede plaats zijn er op het oogenblik economische en financiële factoren, die voor mijn collega en mij zeer belangrijk zijn bij de bepaling van de afmeting, de behoeften en de grootte van onze weermachtsdelen. Uit dien hooide is bet ook raadzaam ons niet al te zeer op de voorgrond te stellen, ten einde niet andere grote nationale belangen te schaden. In de derde plaats is er nog een ander belangrijk feit naar voren getreden en dat is, dat de oorlogservaringen van de afgelopen oorlog niet alleen in ons land uileraard niet helemaal volledig zijn verwerkt, maar dat deze ook zelfs in het buitenland nog niet volledig zijn geanalyseerd, waardoor uiteraard ook onige zeer belangrijke factoren, die bij de samenstelling van onze weertnacht een rol kunnen spelen, niet ten volle tot hun recht kunnen komen. Deze drie factoren, die ik in grote trekken hier even heb geschilderd, zijn gemeenschappelijk van invloed op het onderwerp, dat wij hier op het ogenblik behandelen. Zij bepalen rechtstreeks de sterkte van de jaarlijkse contingenten, de duur van do eerste oefentijd en de duur van het verblijf in werkelijke dienst. Dat zijn de drie essentialia, waarop mijn collega van Oorlog en ik helaas in deze zaak zijn gestrand en die ons op het laatste ogenblik deden besluiten om nogmaals voor de Kamer te verschijnen mot een voorstel tot kortstondige verlenging van deze periode. Ik weet wel, dat mijn collega van Oorlog hier de verzekering heeft gegeven, dat hij in staat was, bij meende dit toentertijd althans, om op 1 Juli 1947 hot ontwerp van wet tot di Einitieve regeling van deze materie gereed te hebben. Onder de omstandigheden, die er toen waren, waren dit verwachtingen, die gegrond waren op een redelijke basis en men mocht toen inderdaad de hoop koesteren, dat dit mogelijk zou zijn geweest. He t spijt ons, dat dit ons echter niet is gelukt.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Ik hoop, dat ik met deze nadere toelic-hting de leden van deze Kamer een iets duidelijker beeld zal hebben gegeven van de voor ons belaas onaangename situatie, waarin wij zijn komen te verk-eren. Ik zou er voorts nog even op willen wijzen, dat bet toch nooit de bedoeling van de wetgevende mach! kan zijn om wettelijke i [en te treffen, die binnen zeer korte tijd vermoedelijk weer gewijzigd zouden dienstplichtvoorzieningen.

X C R (Minister Schagen van Leeuwen e. a.) moeten worden. Dit zou met zich brengen een zekere mate van onzekerheid op wetgevend gebied, iietgeen bij deze hoge arbeid zeker niet wenselijk zou zijn. Ten slotte heeft de geachte afgevaardigde de heer Donkersloot nog even een pleidooi gehouden voor de snelle behandeling van zaken tegen principiële dienstweigeraars. Ik weet, dat mijn collega van Oorlog dit vraagstuk met aandacht in onderzoek heeft. Ik zal niettemin belgeen de heer Donkersloot hierover vandaag heeft gezegd nog eens onder zijn aandacht brengen.

X C R Brandenburg (De heer)

no member profile picture

X C R Mijnheer de Voorzitter! Ik kan het met datgene, wat door den geachten afgevaardigde den heer Donkersloot naar voren is gebracht, grotendeels eens zijn. I n het bijzonder ten aanzien van de quaestic van vermindering van troepen in Indonesië sta ik volledig aan zijn zijde. He t is daarom merkwaardig, dat de fractie van den heer Donkersloot niet, evenals onze tractie, haar stem tegen dit ontwerp uitbrengt. Immers, dit zou volgens mij zeer veel bijdragen tot datgene, wat die fractie zo ernstig zegt na te streven, nl. een vii dzame overeenstemming met het Indonesische volk. Mijnheer de Voorzitter! Nu heeft de heer Donkersloot ten aanzien van dit wetsontwerp opgemerkt, dat hij wel vertrouwen heeft in de Ministers, en verwacht, dat zij geen misbruik zullen maken van deze machtiging en dat bij daarom geen practische bezwaren van dit wetsontwerp vreest.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Ik wil ook graag vertrouwen stellen in de .Ministers, maar dit is toch niet voldoende. He t is uitstekend, dat ons volk vertrouwen stelt in zijn Regering, maar zijn rechten moeien gewaarborgd zijn bij de wet. Men moet aan de band van de wet precies weten waar men wel en waar men geen recht op heeft. Wij hebben op dit gebied allerlei goede toezeggingen gekregen van den Minister en de verzekering, dat hij met de bezwaren van de beide Kamers rekening zal houden, maar, Mijnheer de Voorzitter, Ministers komen en gaan. Wanneer deze Minister weggaat, dan behoeft zijn opvolger zich van toezeggingen, die deze Minister gedaan heeft, niets aan te trekken. Bij de behandeling van het wetsontwerp n°. 440 bleek bij voorbeeld — als ik mij niet vergis —, dat deze beide Ministers in opvattincr verschilden met hun beide voorgangers; hieruit blijkt dus weer, dat toezeggingen van een Minister, die niet in de wet zijn vastgelegd, geen enkele zekerheid voor ons volk geven.

X C R De Minister heeft in zijn antwoord medegedeeld, dat de beide bewindslieden node en schoorvoetend met deze verlenging bij de Kamers gekomen zijn. Dit rechtvaardigt echter volgens mij toch het gevoerde beleid niet, en zeer zeker niet, wanneer de Minister zegt, dat hij met deze kortstondige verlenging bij de Kamer is gekomen. Wij hebben hieromtrent — zoals ik reeds heb opgemerkt -— geen enkele zekerheid; het staat in het acheel niet vast. dat het hier om een kortstondige verlenging gaat. De Minister van Oorlog heeft bij de behandeling van dit wetsontwerp in de Tweede Kamer hierop nog eens uitdrukkelijk gewezen. De Minister heeft verklaard, dat hij alle pogingen in bef werk zou stellen om deze verlenging slechts voor korten tijd ioe te liassen, maar bij zei er uitdrukkelijk bii, dat geen enkele zekerheid gegeven k-on worden, dat inderdaad reeds v<Vir 1 Januari 1948 een wetsontwerp voor een definitieve regeling bij de Tweede Kamer zou kunnen worden ingediend.

X C R Ik blijf daarom bij de bezwaren, die ik reeds in eerste instantie naar voren heb gebracht, en ik moet daarom verklaren, dat wij onze stem tegen dit wetsontwerp zullen uitbrenscn.

X C R I' lien er van andere zijde croen prijs wordt gesteld op lioofdelijke Btemminp. verzoek ik aantekening, dat wij geacht willen worden te hebben tegengestemd.

X C R De beraadslaging wordt gesloten en het wetsontwerp zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

X C R Kranenburg (voorzitter)

no member profile picture

X C R Den leden van de communistiscbo fractie zal, on bun verzoek, aantekening worden verleend, dat zij geacht wensen te worden tegen het wetsontwerp te hebben ge Btemd.

X C R

X C R Ve! 211 795 Eerste Kame r

X C R (Voorzitter) Aan de orde ia de behandeling van de wetsontwerpen:

X C R Wijziging van artikel 7 van het Besluit op de Bijzondere Gerechtshoven (404); Verwijdering uit de wetgeving van bezettlngsmaatregelen van wetgevenden aard (Yn'et bezetthigsniaati'egaïen I) (410).

X C R Deze wetsontwerpen worden achtereenvolgens zonder beraad slaging en zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

X C R behandeling v.an het wetsontwerp:

X C R

X C R Aan de orde is de behandeling v.an het wetsontwerp: Naturalisatie van: Johannes August; Elisabeth Baumann; Hans Ludwig Cohn ; Juditli Elisabeth Gerhardina van Delden, weduwe van Marius Franz Philip Wallcr Zeper; Kurt Fromna ; Marie Johanna Stibbe, gescheiden ecbtgenooto van Bichard Hartzer, eerder gescheiden echtgenoote van Johann Josef Her manns ; Josepli Wilhelm Abels; Bernhard Josêf Aretz; Martin Bloch ; Johan Hendrik Brandts ; Laurens Hubert Cüppers ; Dirk Gustaaf Drager; Hans Paul Drager; Johannes Gerardus lü chardus Eckermann ; Gerard Osval Hack; Paul Nicolsky; Carl Heinz Pappenheim; Imre Tarnóczy; Ja n Tuitjer en Per Westedt (377).

X C R Kranenburg (voorzitter)

no member profile picture

X C R Ik stel aan de Kamer voor, de beraadslaging over dit wetsontwerp en de beraadslaging over de wetsont werpen nos. 378 en 381 gezamenlijk te houden. .

X C R Daartoe wordt besloten.

X C R Mitsdien is tevens aan de orde do behandeling van Je wets ontwerpen :

X C R Naturalisatie van:

X C R Maria Arians; Juan Absalam Aziria; Napoleon Lajos Alfonz Huiler ; Hermann Heinrich Kersten; Georg Heinrich Stern Hanf; Ivo Johan Aadahl; Hans Abraham Alkan; Johan Hendrik Fiegen; Fritz Horn ; Franciscus Johan nes Lensing; Kurt Levi; Johan Joseph Obstetar; Hartog Polak; Walter Georg Bothbarth; Hermann Joseph Schaefer; Johannes Szalata; Ja n Hendrik Visschcr; Antoon Woppen; Arnold Joseph Paul Maria Zillikens en Heinrich Zuketto (378) ; Naturalisatie van: Oskar Gerard Karel .Angermille; Maria Elisabeth Covens, weduwe van Frederik van Campen; Helena Elise Kasten ; Henriëtte Jacoba Ketjen, weduwe van Paul Kobert Gustav Gloge; Marinus Lantau ; Franziska Martin; Gezina Elizabeth Maria van der Wiel, weduwe van Johann Heinrich Bernhard Wieche; Alouisius de Bouvré; VVilli Maria Brüggemann; Hermann Heinrich Kolmer ; Ernst Arnold Bosen feld; Hubert Boutheut; Joseph Boutheut; Günter Ewald Friedrich Seckel; Wouter Johannes Skularikis; Frederik Frans Ja n Taylor; Alphonsus Vanhyfte ; Ario Jacobus Vogelaar; Bolt' Helmut Wartensleben ; Louis Antonius Waumans en Hendricus Bernhard Wieche (381).

X C R Deze wetsontwerpen worden achtereenvolgens zonder beraad slaging en zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

X C R behandeling van het wetsontwerp:

X C R

X C R Aan de orde is de behandeling van het wetsontwerp: Naturalisatie van: Etel Alexovils; Julianna Bikfalvi; Gerhard Flint; Henrik Theodoor Gösta Kaspersen; Leonhard Balthasar Kluppel; Amalic Penzkofer; Zoltan Szókely; Margaretha Catharina van der Zee, weduwe, van Wilhelm Balg ; Pieter Joseph Baron ; Johann Bernard Dahlkamp; Thcodorus Wil helmus Eusterbrock ; Frans Grünfeld ; Ja n Himmelreich ; Leonard Joseph Maubach : Adrianus Cornelis Peeters ; Willem Jozef Plum ; Friedrich Wilhelm Peisz ; Herbert Manfred Roth barth; Gerrit Dietrich Scheper; Kurt Alfred Warschauer (395).

X C R Kranenburg (voorzitter)

no member profile picture

X C R Ik stel aan de Kamer voor, de beraadslaging over dit wetsontwerp en de beraadslaging over de wetsontwer pen nos. 396, 397, 399, 417 en 418 gezamenlijk te houden.

X C R Daartoe wordt besloten.

X C R Handelingen der Staten-GeoeraaL — 1946—194-7. — I. 49ste VEBGADEBING. — 26 JUN I 1947.

X C R Behandeling en aannem ing van wetsontwerpen. ' (Voorzitter e. a.) Mitsdien

X C R

X C R is tevens aan de orde de

behandeling van de wets ontwerpen :

X C R Naturalisatie van: Emile Jean Hubert Bertin; Jaeoba de Bru'jn, gescheiden echtg noote van Arthur ïimni ; Antonio Balda are Giorgi; AlettaFredcrika Karsveldt, leiden echt genoote van Gustav Heinemann; Albert Philip Hirsch ; Ernö Mann; Ja n Jozef Fuchs ; Fri i Goossens; Hermann Hein rich Alfred Hankamp ; Christiaan Oscar Jensen ; Theodor Kauf feld; Jacob Kromeich; Joseph Jean Lausberg; Johann Gasper Alberl Merse; Johannes Nueman; Thoma Petri au; Gerhard Rötgers; Emanuel Franciscus Schelstraete; Ernst Wilhelm Gustav Seutter; Johann Anton Volkers; Thomas Petrescu; Liema Sidonia Emerentia Schelstraete (396); Naturalisatie van: Candido Alvarez Garrido; József Gutlohn; Johannes Marinus Metzger; Wilhelm Bernhard Adolf i:

X C R e ner ; Jitske Tuininga, weduwe van Alfred Simon : Theodoor Jo seph Weemaes; Karel Hendrik Bodart; Jacob Frederik D> is ting; Johann Joseph Fiegen; Jacobus Hendricus Haas; Nicolaas Hendrik Heynen; Bernard Hermann Koert; Peter Köpping; Hubert Arnold van Lümich; Heinrich Wilhelm Optenhövel; Willem Frederik Jacob Pollen; Willem Rehnsch; Arnold Gen rd Schmitz; Bernard Heinrich Tieck; August Friedrich Jos ph Wolf (237) ; Naturalisatie van:

X C R Johannes Stephanus Antonius Baileij; Maria Josephina Berzen; Hugo Albertus Marie Bischoff; -Marie Eugéuie Chazal; Marie Joséphine Gabrielle Chazal; Francois Denoose; Bichard Keblusek; Lajos L&szló; Leendert Johan OnnoLint ; Augusta Charlotte Pulvers; Eugen Suschny; Lidia [rén Varga; Bichard August Ferdinand Boot; Willem Eckstein; Johann Andreas Gerhards; Theodorus Bernardus [lering; Peter Quirin Heijer; Foustino Hermanus Ottohni ; Jozef Johan Pawlowski; Johan Tebeest; Maria Johanna Ottolini (399); Naturalisatie van:

X C R Bobert Kar!

X C R Angermann; Poter Josef Be luwe ; Heinrich Bellaerts ; Elisabi th Luisc Bei udsi n ; Alfred Cronheim; Felix Josef Bichard Englisch: Maria Clara Froh werk; Lajos Horvath; Wendeline Johanna Maria Henriëtte Jansen ; Wilhelm Johann Jansen ; Johann Jaskulak; Arnold Johann Kastein; Anna Margherita Maria Lanc; Catharina Elisabeth Lohmann; Georg Wilhelm Paulsch; Petr'onella Adol phine Jeanne Prins, weduwe van Svend Krik Asmussen; Wil helmina Gerarda Ruijg, weduwe van Paul Clemens Heger; Joseph Theodor Ernst Wilhelm Strauss; Paul Sigmund Wert heimer; Maria Catharina Elizabeth Delahaye, weduwe van Edmund Konieczny; Johan Arnold Kastein; Erik Asmussen; Antonia Catharina Jaskulak (417); Naturalisatie van: Berta Antonie Ida Böddicker; Pieter Jan Boeynaems; Tkérèse Berthe Madeleine Bonnin; John Danis kas ; Arie Gioachino Deana; Pauline Ottilie Mathilde Eger; Dein/. Karl Ernst Friedrich Freygang; Joseph Oligschlager; Joseph Paffen; Christina Terhaag; Maria Anna Katliarina* Terhaag; Ernestus Carolus Wohlfahrt; Werner Juliup Walter Gustav Goldschmidt; Paul Guggenheim; Pascasius Hubertus Janssen ; Jozef l'rsic ; Edmond Vanhyfte; Simon Visser; An ton Wehren; HcrmaiiQ Wolters (418).

X C R Deze wetsontwerpen worden achtereenvolgens zonder be raadslaging en zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

X C R behandeling van hel wetsontwerp houdende

X C R

X C R Aan de orde is de behandeling van hel wetsontwerp houdende nadere voorzieningen met betrekking tot de bijzondere rechts pleging (372). De beraadslaging wordt geopend.

X C R Pollema (De heer)

no member profile picture

X C R Mijnheer de Voorzitter! Wetsontwerp no.

X C R or2, nadere voorzieningen met betrekking tot, de bijzo, rechtspleging, heeft de strekking de berechting der politieke delinquenten Ie stimuleren en te versnellen.

X C R Dit doel is het tweede deel van bet vraagstuk der politieke delinquenten, nu het eerste deel van bel vraagstuk do z~ vrii lating der lichte gevallen, vrijwel achter ons ligt.

X C R

X C R 796

X C R 372.

X C R Nadere voorzieningen met betrekking tot de bijzondere (PoIIsma) Di R ering steil I Minister van Justitie des wijziginj i l in het Besluit Buiten ion Strafrecht als in I op de Bijzondere Gerechts i I en besluit, ten slotte in het Besluit politieke delin Op omen, zal ieder onzer hel kenmerkende dool rstel: versnel . sj inpathiek zijn.

X C R Ook wij kunnen ons met dit uitgesproken doel van het wetsont fl p nigen.

X C R lar, Mijnheer de Voorzitter die wij ons, met e in deze Kamer, voor en boven alles hebben ie stellen, is tege lover bet v.

X C R ontwerp en de daarbij \ i en, maar vei oJ het geheel dezer wetsbesluiten, zij hef dan bij dit wets ontwerp — eenmaal wel I n — gewijzigd, wel past in het o zer staal ke structuur, /.."als wij deze si kennen uit onze Nederlandse Gr ndwet en de op deze Grondwet rustende en daarbi Lten.

X C R Ni< li wijzigingen, welke o.i. even zovele verbeteringen zijn, wens ik dus op dit ogenblik te spreken, maa r wel voorname lijk hierover, of het — nu deze teld — van de zijde d ' j loofd is, i un in de staatsrechtelijke structuu r va n den Nederlandschen Staa t te be stendi Opzettelijk spreek ik van corpus aliënum. Want laten wij dank baa r zijn; politieke rechtspraak , mei al den aankleve van dien, gelijk jdens de bezetting door de Ni len is gefabriceerd, was ons Si i ten ei \ I I : I ! .

X C R Volkomen onderschrijf ik wat de geachte afgeva mr.

X C R ing der T\ '• :ll'l 1947 p hebben te m • over toestand, waarin wij ten i van de bijzondere rechts raakt. Ik deel zijn vrees, dat de historieschrijver u\ er ons niet fraai zal oordi len.

X C R Toegegeven kan worden daartegenover de juistheid van de op en Minister in de vergaderi amer dd. ::; 1947, dat een van de lichtende pagina's zal zijn Ite, hetwelk gewijd is aan den heilzamen invloed, d n v-,n | ing en van de Twe er in het op i . bied is uitgegaan.

X C R De Tweede Kamer toch heef! zich steeds boven de bewogen heid van I I blik weien te verheffen en, den blik op «ir toe pleit voor gerechtigheid enerzijds, menselijk Maar ni i ernstig en drii ' .

X C R uil deze Kamer [eze In n, dat de bijzon ng, welke qua ten strijd et, ook thans nog gehandhaafd blijft, zij hel dan — dii- zij voln kend — in baar alli i o ongrond wel Laten wij duii jke taal spreken: de bijzondere rechts , ring te Londen, in hel bevi de yn Ier land tcru -' .

X C R ons In i El g bracht, is i en i shennis der • niet door het Staatsnoodrecht te rechtvaardigen of, zwakker no 1, te billijken.

X C R Zo gesteld, wens ;i; dus de bijzondere i te loet is i I i ; isch verschijnsel, dal de Minister in :

X C R van To lichting aan dit si leem geen . i honken.

X C R deed de ie voor Privaat- en Stro . het onder de i de Grondwi t.

X C R Zij maakt i kelijk van af, i de b ; o «ds door de on hi uwen en , i M. ti tdat zij bij de wel buiten werking ge I |i | typisch verscl ' deze Minister, _ door ! ! '- dat vorenbedoelde i ':l 'll' e van Ai.i' . '.

X C R tom i I • iu h( t Eindi edi des Ministers mening, mondeling overleg met bedoelde commissie, naar voren, waai49ste VEBGADEEING . — 26 JUN I 1947.

X C R rechtspleging.

X C R de geachte bewind: man als zijn oordeel te kennen geeft, dat der bijzondere recht | naar de gewone lij e acht thans noch mogelijk, noch gewenst is.

X C R In deze houding van don Minister, Mijnheer de Voorzitter, mis ii: dat element, dat juist den Nederlandsen Minister van ie zou sieren: het t, h z er het hem leed doet, dat hij niet in staat is, thans, twee jaar na de bevrijding, ons een regeling der bijzondere rechtspleging aan te bieden naar en vorm.

X C R De openlijke strijd mei de Grondwet, de flagrante schennis lijk de bijzondere rechtspleging is, brandt hem niet op In t hart.

X C R Het is hetzelfde gemis, dat wij aantreffen, grosso modo, bij de ledi n dor bijzondere rechtsple] De leden van den Bijz ndei o Raad van Cassatie, de leden van d gerechtshoven en van de tribunalen schijnen lich "' I bewust, wat zij zich dagelijks moesten berinneren, dat hun positie in strijd is met de Grondwet.

X C R Ik stel daarom deze quaestie zo scherp, omdat wij — het is meermalen in deze Kamer gebleken — als Christelijk-histo en bij ond e waarde toekennen aan onze Grondwet, door te, Souvereinc bij Hare inhuldiging bezworen, waarop e de eed of de belofte heeft afgelegd, welke ook door onzen Minister is beëdigd.

X C R De Grondwet, waarop ook bobben afgelegd de eed de res pectieve Ministers van de respectieve Londense Regeringen.

X C R Wie kennis heeft genomen van de bijzondere rechtspleging — waarbij ik dan zal zwijgen over het Militair Gezag —, gelijk de I.

X C R ' heeft gemeend te moeten invoeren i-i i n land, pas bevrijd van den zwaarsten misdadiger tegen do len des volks, den Duitsen onderdrukker, ; den indruk, gelijk mr. van Dullemen in zijn boekje oodrecht en Rechtspraak" zegt, dat die Londense Re gering gemeend boeit, zich met de allerzwaarste wapenrusting te mo ten toerusten om als het var e tegenover een totaal on trouwe en onbetrouwbare bevolking bij baar terugkeer op te rukken.

X C R Dai rom, Mijnheer de Voorzitter, is o.i. te recht in bet Voor dezer vergadering grote aandacht gewijd aan de g of het ontwerp no. 372 wel op een juisten staatsrechte lijken grondslag rust.

X C R Ik zal dan ook, zij het in beknopten vorm, mijn mening naar i brengen of het z.g. Staatsnoodrecht een voldoende recht vaar.: ol't voor de bijzondere rechtspleging, om daarna de vraag te beantwoorden, boe — nu deze bijzondere rechts pleging bij bet onderhavige wetsvoorstel slechts enigszins wordt I en aangevuld met het oog op de versnelling der be rechting — onze houding daartegenover behoort te zijn.

X C R Laat ik aanvangen met een woord van publieken dank aan mr. van Dullemen, advocaat-generaal bij het gerechtshof te am, die ons op dil gebied twee uitnemende brochures heefi gegeven, en wel „Staatsnoodrecht en Rechtsstaat" en echt en 1 >emocratie".

X C R laat ik in dit woord van openbare waardering ook u n, Mijnheer de Voorzit Ier. voor het verhelderend in zicht, i al u on hebt | schonken in deze moeilijke materie door u /.

X C R nbaar collc ge voor de oud-alumni der Leidse Universiteit op '•) Febi uari 19 16.

X C R Hoezeer wel de meesten onzer en ook ik u gaarne op dezen ! zien, toch wordt deze voldoening soms getem ,,.,,- zeker bij nu u daardoor volgens vergadering verhinderd zijt aan het debat deel te m men.

X C R Des te gr ï r echter is mijn vreugde, waar ik mij zeer nauw bij UW opvattingen, Mijnheer de Voorzitter, zal kunnen nan I n.

X C R Te re hl hi rinnert mr. van 'Dullemen er aan, dat de materie hel cht aan de mee-t fundamentele vragen v ,,„ rau ] irechts- en rechtswetenschap, belgeen hij dan nader uite( n/< t.

X C R U, Mijnheer de Voorzitter, herinnert er te recht aan, da' hi in de Staa aschap in de tweede | van de n [i ntiende en het begin van de twintigste eeuw stiefmoederlijk is behandeld.

X C R

X C R 797

X C R 372.

X C R Nadere voorzieningen met betrekking tot de bijzondere (Pollema) Gans verwerpelijk is m.i. de mening van prof. dr. G. van den Bergh, die zich als volgt uit (Weekblad voor Gemeentebelangen 10 Mei 1946):

X C R ,,In tijden van Staatsnood heeft de Regering de bevoegdheid alle besluiten, die nodig zijn, te nemen, waarbij besluiten, die nodig zijn, niet anders kan betekenen, dan besluiten, die zij nodig acht. "

X C R He t subjectief oordeel van de Regering beslist dan over de noodzakelijkheid. He t is onmogelijk, dat die beslissing bij een ander zou berusten, aldus prof. v. d. Bergh.

X C R Als zodanig bestrijdt dan deze de opvatting van den Bijzonderen Raad van Cassatie, neergelegd, in zijn sententie van 5 December 1945 (Na-oorlogse Rechtspraak n°. 150). Prof. van den Bergh staat in zijn mening niet alleen, immers deze zienswijze sluit'nauw aan bij liet standpunt van de Regering Schermerhorn-Drees, vertolkt' door den destijdsen Minister van Justitie mr. Kolfschoten, thans lid onzer vergadering. Deze Minister heeft bij de destijdse beraadslagingen in de Tweede Kamer als het standpunt der Regering vertolkt, dat de noodwetgever gedurende den tijd van nood is een vollcdige-werkclijke wetgever, wiens regelingen als wetten zijn te beschouwen, delende in het voorrecht der onschendbaarheid van art. 124 Grondwet, welke regelingen ook lang na den nood blijven gelden, totdat een Regering deze bij een werkelijke wet, afkomstig van den wetgever, 'ex art. 112 der Grondwet intrekt of wijzigt. Bekrachtiging door de Staten-Generaal was dan onnodig. Intussen is dit standpunt, dus dat van prof. van den Bergh zowel als van de Redering Schermerhorn-Drees, zowel onjuist geoordeeld bij de reeds zopas door mij genoemde sententie van 5 December 1945 van den Bijzonderen Raad van Cassatie — waaraan ik veel meer waarde hecht — bij het arrest van den Plogen Raad van 30 October 1946 (Nederlandse Jurisprudentie 1946 n°. 737). De Hoge Raad heeft uitgemaakt, dat de Londense wetsbesluiten niet onschendbaar zijn en dus kunnen worden getoetst en dat de geldigheid dier wetsbesluiten gebonden is aan twee belangrijke restricties, te weten:

X C R 1.

X C R de urgentie dier besluiten moet zodanig zijn, dat het herstel der samenwerking tussen de Kroon en de Staten-Generaal niet kon worden afgewacht; 2.

X C R de verbindendheid der besluiten is uitgesloten in die gebieden des rechts, waar op gene wijze enige noodzaak tot het maken van noodmaatregelen zelfs maar kan zijn geweest.

X C R Het ruime standpunt van de Regering Sehermerhorn-Drees wordt ook door u, Mijnheer de Voorzitter, verworpen, daar u bij uw door mij zojuist bedoeld college als uw mening hebt uitgesproken, dat de noodregelingen, door de Kroon tot stand gebracht, na beëindiging van den noodtoestand behoren Ie worden bekrachtigd door den gewonen eonstitutionelen wetgever, terwijl u als algemene eis stelt, dat men bij do Staatsnoodrechtsmaatregelen zo nauw mogelijk hel gestelde recht moet volgen, niet naai- den letterlijken tekst, maar naar zijn strekking, zijn geest en doel.

X C R Bij deze formulering verwerpt u. zo ik liet wel zie, tevens het standpunt van prof, van der Pot.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Wanneer ik aldus verschillende meningen — met het oog op het karakter dezer vergadering kortheidshalve — de revue heb laten passeren, sluit ik mij het dichtst aan hij uw mening.

X C R Door de vijandelijke invasie werd de Nederlandse Begering genoodzaakt liet grondgebied van het Rijk in Europa ie verlaten. De Regering en de Staten-Generaal werden van elkander geseheiden. Dientengevolge kon de wetgevende macht niet langer volgens de constitutionele normen der Grondwet worden uitgeoefend.

X C R Volgens algemeen gevoelen is de Regering toen (e recht in het belang van de handhaving van het Koninkrijk in de plaats van den grondwettelijke!] wetgever opgetreden, met terzijdestelling van art. 112 der Grondwet.

X C R Daarbij zijn echter de volgende reserves te maken: 1.

X C R Het recht van den noodwetgcver om concrete constitutionele normen voorliij te gaan, zal telkens op zich zelf moeten worden onderzocht en bepaald. 49ste VERGADERING. — 26 JUN I 1947.

X C R rechtspleging.

X C R 2.

X C R De Regering, gebruik makend van de bevoegdheden, haar toekomend uit het noodrecht, is niet gerechtigd meer afstand te nemen van de constitutionele normen dan voor elk van haar handelingen bepaaldelijk door den nood geboden moet worden geacht.

X C R 3.

X C R Daar de noodwetgever handelde bij plaatsvervanging van den grondwettelijken wetgever, was de eerste verplicht zoveel mogelijk te handelen naar geest en karakter van dep laatste, zoals deze hem uit de bestaande wetgeving van het Koninkrijk genoegzaam bekend was. Bij de bijzondere rechtspleging nu heeft de Regering als noodwetgcver wel verre de grenzen van het noodrecht, verstaan in den zin, als hierboven vermeld en welke de mening van mijn fractie vertolkt, overschreden.

X C R Daartoe wens ik ten eerste te wijzen op art. 195 der Grondwet, waarvan wel de belangrijkste richtlijn deze is, dat de uitzonderingswetgeving, dus de noodwetgeving, gelijk in dit artikel bedoeld, zal moeten resulteren in bijzondere rechtstoestanden.

X C R De betekenis van deze bepaling is, dat met de opheffing dier bijzondere rechtstoestanden ook het uitzonderingsrecht buiten werking treedt.

X C R Aldus wordt de moeilijkheid afgesneden, dat het uitzonderingsrecht, dat immers diep zal kunnen ingrijpen zowel in de staatsrechtelijke constellatie als in de fundamentele rechten en vrijheden der burgers, in het gewone recht ingevlochten zal kunnen geraken, zodat de scheidslijn tussen beide gaat vervagen dan wel geheel verloren gaat en hel uitzonderingsrecht zich bij geval onopgemerkt zal kunnen vastzetten.

X C R He t feit, Mijnheer de Voorzitter, dat de noodbesluiten ten aanzien van de bijzondere, rechtspleging ten onrechte niet zijn als gekoppeld aan een bijzonderen rechtstoestand, maakt, dat hun geboorte naar mijn mening, in verband met dit verzuim, niet als wettig kan worden beschouwd.

X C R In de tweede plaats wijsik erop , dat dus het Besluit politieke delinquenten 1915 in strijd is met art. 164 der Grondwet, ook' in staatsrechtelijken noodtoestand.

X C R Dit artikel regelt een der grootste en belangrijkst-e rechten, nl. dat van de persoonlijke vrijheid, diep verankerd in onze Grondwet, voor welk recht de geslachten, die ons zijn voorgegaan, de bloedigste offers hebben gebracht.

X C R Het is hoogst merkwaardig, dal de aantasting van dit grondwet lelijk artikel de bijzondere rechterlijke macht klaarblijkelijk zelfs niet heeft geschokt.

X C R In de derde plaats wijs ik op de aantasting van art. 163 der Grondwet, in welk artikel staat, dat niemand tegen zijn wil kan worden afgetrokken van den wettelijken rechter. In art. 195 deiGrondwet wordt dit voorschrift, dat ook onder buitengewone omstandigheden geen bijzondere rechter zal worden benoemd, enigszins gemitigeerd. De regeling van de bijzondere rechtspleging in onze noodbesluiten voldoet niet zelfs aan de geringste ei n van den eonstitutionelen norm. Zo zou ik kunnen doorE r is strijd met de artt. 169 en 170 der Grondwet, zijnde erin plaats va» den Hogen Raad en met uitsluiting van dit opperste college, een Bijzondere Raad van Cassatie ing aan het hoofd van de bijzonder rechtspleging. E r is ook strijd met art. 172 dm- Grondwet, bepalende, .lat de Hoge Raad en slechts de Hoge Raad liet toezicht heeft op den geregelden loop en afdoening van rechtsgedingen, daar I h het werk der bijzondere gerechtshoven onttrokken is aan het toezicht van den Hogen Raad, terwijl ook de ark id van de Bijzondere Raad van Cassatie een zelfstandig e ontroleerd karakter draagt. Ik wijs ook nog op het amphibisch karakter der bijzondere gerechtshoven, welke zowel een militair als een burgerlijk karakter dragen, Een figuur, welke tot dusver in ons recht onbekend was en ook niet valt te rijmen met het laatste lid van art. 173 Grondwet.

X C R Noch d- lekenrechter in onze tribunalen, noch hel inquisitoriale karakter, in plaats van het accusatoire dezer rechts] noch het gebrek aan eenheid in de berechting, noch hel gemis ener hogere voorziening tegen de uitspraken der tribu is in overeenstemming met hel minimum van constitutionele normen.

X C R

X C R 798

X C R 49stc VERGADERING . — 26 JUN I 1947.

X C R 372.

X C R Nadere voorzieningen met betrekking tot de bijzondere (Poilema) En, alsof dit alles, Mijnheer de Voorzitter, nog niet genoeg was: er zijn ingevoerd nieuwe strafbepalingen met terugwerkende kracht, evenals nieuwe straffen, zodat het axioma van het strafrecht, dat geen feit strafbaar is, dan krachtens voorafgaande wettelijke strafbepaling, met plompe voeten is vertreden. Men moet deze achteruitgang van het peil van onze strafrechtspleging, gelijk dit blijkt ten aanzien van de politieke delinquenten, niet onderschatten.

X C R De regel, die ik zojuist een axioma noemde, is een van de meest fundamentele rechten van den mensch.

X C R Zowel in de nieuwe Grondwet voor Frankrijk, als in de Grondwet, welke de Amerikanen aan Japan hebben gegeven, vindt men deze regel onder de fundamentele rechtsbeginselen opgenomen.

X C R He t is te betreuren, dat wij met onze noodwetgeving in een zo bedenkelijke positie verkeren, juist nu ons land internationaal is uitgenodigd om het vraagstuk van de rechten van den mens te bestuderen, nl. op welke wijze binnen het kader van de verenigde naties het in het Handvest omschreven doel van eerbiediging van de rechten van den mens in de practijk zou kunnen worden bevorderd.

X C R Laten wij beginnen in eigen huis orde op zaken te stellen. Mijnheer de Voorzitter! Waartoe ik dit alles opsom? Ik wil dit met een wedervraag beantwoorden. Zou het goed zijn, dat in deze vergadering, die niet alleen het hart, maar ook het geweten der natie moet zijn, de voorgestelde incidentele wijzigingen — toegestemd verbeteringen — van de Londense wetsbesluiten, werden aangenomen, zonder ons te bezinnen, hoc zeer wij met al deze Londense regelingen van de Grondwet zijn afgedwaald en daarmee tegen de constitutionele normen ingaan?

X C R Integendeel, wij moeten ons, gelijk in hel. Voorlopig Verslag zeer duidelijk staat, ernstig bezwaard achten, dal nu nog twee jaar na de bevrijding, onze bijzondere rechtspleging is ongrondwettelijk en onconstitutioneel.

X C R Wij moeten het Londense machtsapparaat, dat. naar wij dezer dagen in de bladen hebben kunnen lezen, ook financieel op te royalen voet heeft geleefd, in schrijnende tegenstelling met den bitteren vaderlandsen nood!, ik zog, wij moeten dit Londense machtsapparaat onomwonden en zonder aanzien des persoons voorhouden, de grenzen van het Staatsnoodrecht, ten aanzien van de bijzondere rechtspleging, verre te hebben overschreden.

X C R Ons herinnerende den zin voor recht, binnen de grenzen der Constitutie, der voor-oorlogse Regeringen — ik denk hier b.v. aan de onmiddellijke bekrachtiging door de Staten-Generaal van de wet, verbiedende den gouduitvoer — quantum mutatus ab illo!

X C R Volkomen rekening houdende met de omstandigheden, kan ik toch niet anders zien dan dat èn dooi- de Volksvertegenwoordiging èn door onze rechterlijke macht bij herhaling en hij den voortduur. ook de bepalingen der bijzondere rechtspleging moeten worden getoetst aan de Constitutie. Als vertegenwoordigers verkeren wij in een dwangpositie, daar wij bezwaarlijk ons tegen deze incidentele wijzigingen, immers bevattende even zovele verbeteringen, kunnen verklaren.

X C R Maar uitdrukkelijk zij daarbij vastgesteld, dat wij daarmee on daardoor deze wetsb< -luiten zelf niet ijken, noch brengen onder de schutsc van artikel 121 der Grondwet, die der onschendbaarheid.

X C R De gewone rechterlijke macht behoudt, ooi; na aanneming dezer wetsvoorstellen,'haar volledige toetsingsbevoegdheid ten aanzien der besluiten zei: en haar niet bij wet gewijzigde bepalingen.

X C R Begrijp ik de Memorie van Antwoord aan de Kamer goed, dan staat ook de Minister op dit standpunt. Immers in de Memorie van Antwoord staat:

X C R ,,De vraag of en in hoever incidentele wijzigingen, welke door de normale wetgeving in wetsbesluiten worden aangebracht, van invloed kunnen zijn op een eventueel toetBingsrecht van den rechter ten aanzien van deze besluiten, zal'door die rechter zelf moeten worden beantwoord. rechtspleging.

X C R (Poüema e. a.) Bij wijziging van een wetsbesluit, dat in strijd is met de Grondwet, zal er naar moeten worden gestreefd, dat Wetsbesluit in overeenstemming met de Grondwet te brengen, voor zover er geen dringende reden is om afwijking van de Grondwet te blijven tolereren. Zodanige dringende reden is in het onderhavige geval aanwezig, aangezien volledige overschakeling van de bijzondere rechtspleging naar de gewone rechterlijke macht, op dit ogenblik practisch niet uitvoerbaar is. "

X C R Het is naar mijn mening nu maar de vraag, of de Hoge Raad dit criterium -— het is een nieuw criterium — van den Minister eventueel zal overnemen. Duidelijk is, dat het niet past in het arrest van den Hogen Raad dd. 30 October 19-16, hetgeen ik zo pas heb aangehaald. Voor mij persoonlijk staat vast, dat de wetsbesluiten, welke wij thans wijzigen, zonder ze te bekrachtigen, formeel zwakker voor het forum van den Hogen Raad komen, dan wanneer wij ze niet hadden gewijzigd, daar toch het beslissende criterium van den Hogen Raad, dat het herstel der samenwerking tussen de Kroon en de Staten-Generaal niet kon worden afgewacht, thans niet meer van toepassing is.

X C R Deze verzwakking komt echter voor de volle verantwoordelijkheid van de Regering, wier beleid te dezer zake onze instemming niet kan wegdragen.

X C R 11; moge de hoop uitspreken, dat de Hoge Raad, nu, na de bevrijding, zich bewust zij, welk een dure plicht voor dèn wetgever bet handhaven der grondwettelijke normen is en dat het is een eis van den rechtstaat, dat de noodwetgcver zich heeft te houden binnen de grenzen van het Staatsnoodrecht.

X C R En laten wij als Eerste Kamer der Staten-Generaal deze voorgestelde wijzigingen der Londense wetsbesluiten aanvaarden onder protest tegen de schennis der grondwettelijke bepalingen, gelijk deze in de regelingen der bijzondere rechtspleging tot ons komt.

X C R Donkersloot (De heer)

no member profile picture

X C R Mijnheer de Voorzitter! Met den Minister betreur ik het, dat de behandeling van dit wetsontwerp vertraging heeft ondervonden. Daardoor is kostbare tijd verloren gegaan, te meer omdat deze wet toch voor beperkten duur is opgezet met het oog op de beëindiging van de bijzondere rechtspleging, zoals men die zich voorstelt op 1 Januari a.s.; kostbare tijd in dubbelen zin van liet woord, omdat ook hogere kosten daarvan het gevolg zijn, want snellere berechting zou vermindering van kosten hebben kunnen medebrengen. Het is jammer, dat dit tijdverlies is ontstaan, waarvan de Minister geenszins een verwijt treft, maar ik wilde dit toch even releveren.

X C R Ik heb waardering voor de zeer zakelijke beantwoording door den .Minister in de Memorie van Antwoord over het geheel van de opgeworpen vragen en opmerkingen in de schriftelijke behandeling. Met dil wetsontwerp is niet alleen beoogd een versnelling van de berechting Ie verkrijgen, maar ook is gestreefd naar een verhoging van de rechtszekerheid en do rechtsgelijkheid, en daarom is bel van zoveel belang, dat deze verbeterde bepalingen nog zo lang mogelijk kunnen functionneren. Juist de strijd tegen de rechtsongelijkheid is een van do problemen, waarmede de Minister en de bijzondere rechtspleging in haar geheel hij deze gehele zaak hebhen te kampen gehad en ook thans nog hebben te kampen. Er is inderdaad rechtsongelijkheid ontstaan in de vonnissen. Dit is in het bijzonder ontstaan ten gevolge van de massale invrijheidstelling, nl. in zoverre, dat een aantal vonnissen al was geveld vóórdat die massale invrijheidstelling tot stand kwam, vonnissen, waarbij de straffen zwaarder waren gesteld. Daarom acht ik het van het grootste belang, dat do "Minister in zijn Memorie van Antwoord mededeelt, dat bij overweegt om alle vonnissen, die vóór 1 September 1916 zijn gewezen, in het licht van zulk een mogelijk ontstane rechtsongelijkheid nog eens te laten bezien en daarbij mogelijk gebruik zal maken van de wijze van gratie\ erlening. die bier een e lijkheid tot oplossing zal kunnen openen. Ik geloof, dat dit tot een belangrijke verbetering zal kunnen leiden.

X C R Ik zou voorts enige ogenblikken willen spreken over do belangen van de jeugdige politieke delinquenten, juist omdat deze

X C R

X C R Vel 212 79 9 Eerste Kame r

X C R 372.

X C R (Donkersloot) belangen zo uitermate groot zijn. Hier is nog zoveel te redden, of eigenlijk moet ik het anders zeggen: hier was zoveel te redden geweest, hetgeen intussen veel moeilijker zal zijn geworden, vooral ook omdat men helaas te laat is geweest met de instelling van jeugdkampen, zodat de jeugdige politieke delinquenten te lang te midden van de volwassen delinquenten hebben verkeerd. Ook is het aantal kampen voor de jeugdige delinquenten kleiner dan het wel zou moeten zijn. Juist ten aanzien van deze jeugdige delinquenten is bijzondere zorg een vereiste, daar deze mensen nog aan het begin van hun leven staan en er van hen nog het meeste is te maken. De normale strafkampen en strafinstellingen zijn, zoals bekend, voor deze jeugdige delinquenten absoluut ongeschikt. He t is daarom van het allergrootste heling, zoals trouwens wordt toegegeven, dat in het belang van die jeugdige delinquenten overgangskampen worden ingesteld. In het bijzonder acht ik het van uitermate groot belang, dat. de door mij bedoelde jeugdige personen gescheiden worden gehouden van de criminele strafgevangenen. Ik heb zojuist gesprol en over de rechtsongelijkheid, ook al was die in sommige gevallen onvermijdelijk, die is ontstaan in de berechting van politieke delinquenten. Dit geldt zeker ook ten aanzien van de jeugdige politieke delinquenten. Ik wil er op wijzen, dat zich dikwijls het geval voordoet, dat een volwassene, b.v. een vader, die N.S.B.-er was. ten gevolge van de massale invrijheidstelling, de maatregelen, die tegen hem zijn genomen, al achter den rug heef), terwijl de zoon, die onder invloed van hei milieu tot verkeerde daden is gekomen, b.v. indienstneming bij de S.S., een zeer zware straf ontvangt, waarvoor de aansprakelijkheid voor het grootste deel op den vader neerkomt, die echter een veel geringere straf heeft ondergaan.

X C R Voorts is er het punt van de doodstraf, een probleem van zo ontzaglijke portee, met name in ons volk zozeer een vraagstuk, een quaestieus punt. dat ik hieraan ook nog enkele woorden zou willen wijden. Er is inderdaad reeds gesproken over dit punt bij vroegere discussies in de beide Kamers. E r is vooral sprake van geweest in verband met het gratiebeleid, en ik moet inderdaad zeggen, dal een vertraging van gratieverlening uit consciëntie-overwegingen, hoezeer die op zich zelf te begrijpen en te billijken zijn, in wezen niet goed te keuren is, maar deze moeilijkheden zijn, naar wij mogen aannemen, overwonnen. E r bestaat echter nog veel meningsverschil over de ruime toepassing van het gratierecht en men hoort vaak uitspreken, dat hiermee een correctie op de bijzondere rechtspleging wordt uitgeoefend; zelfs wordt een term als „verkapte amnestie" in dit verband wel gebruikt. Buitendien heeft men den Minister verzocht, zijn richtsnoer ten deze hekend te maken.

X C R Inderdaad, Mijnheer de Voorzitter, heb ik wel moeite gehad, in verschillende opzichten lut beleid van den Minister te volgen en te begrijpen, maar in dit geval kom ik tot. de conclusie, dat toch een misverstand moet gaande zijn, zeker wanneer men spreekt over dit richtsnoer, want hierin kan toch niet een correctie gelegen zijn op de bijzondere rechtspleging. Dit richtsnoer is namelijk — zoals de Minister ons heeft verzekerd — niet zo. dat het categorieën betreft, wat inderdaad in strijd zou zijn met de bijzondere rechtspleging, maar invididuele gevallen. Dat hiervoor een richtsnoer nodig is, kan ik zeer goed voelen. Het is trouwens •: n richtsnoer van den Minister persoonlijk, maai- van de Regering, en het is bovendien overgenomen van de Begering-Schermerhorn. In deze uiterst moeilijke zaak is het zeker nodig, dat men voor zich zelf een richtsnoer kiest om gelijke maat te houden bij de beoordeling van gevallen, wat niet door onderlinge vergelijking alleen kan geschieden, liet lijkt mij inderdaad te ver 1<' gaan, wanneer de Volksvertegenwoordiging den eis zou stellen, of zelfs den wens te kennen zou geven, dit richtsnoer te leren kennen. De Minister heeft openhartig verklaard, dat zulk een richtsnoer bestaat en nodig is geweest voor de Begering, maar ik geloof, dat men dit richtsnoer wel mag opvatten als dienende voor intern gebruik en dat wij daarom deze portee er van moeten eerbiedigen.

X C R Voor onze rechts]'raak is de doodstraf uiterst quaestieus en zij blijft voor ons volk een probleem, zelfs wanneer het oorlogsmisdadigers geldt. Daarom heeft men er hier ook zo veel en zo ernstig over gediscussieerd. Met de beperking van de doodstraf kan ik mij zeker verenigen, terwijl ik overigens in geen enkel Handelingen der Staten Generaal. — 1946—1947. — I. 49ste VEBGADERING . — 26 JUN I 1947.

X C R Kadere voorzieningen met betrekking tot de bijzondere rechtspleging.

X C R opzicht de neiging of de tendenzen kan delen, die bij voorbeeld op het terrein van de zuivering tot een verzachting leiden, waardoor onze volkskracht zou kunnen worden ondermijnd. Metdeze beperking van de doodstraf is, meen ik, wel degelijk een groot landsbelang gemoeid en dit wordt door velen — ik meen een meerderheid — in ons volk beseft; de geest van de ni drukt zich in zulk een beperking van de doodstraf uit.

X C R Ik meen, dat hier geen sprake kan zijn van een doorkruising van de bijzondere rechtspleging of dat een ruim gebruik van het recht van gratie de rechten van de bijzondere rechtspleging aantast. De Minister heeft bij de toepassing van het gratierecht rekening te houden met de individuele aspecten van elke zaak en met het algemene landsbealng. Juist de rechtvaardigingsgrond voor-de toepassing van de doodstraf als uitzonderingsmaatregel tegenover de oorlogsmisdadigers berust op de uitzonderingstoestand, waaronder wij tijdens de bezetting en in den oorlog" hebben verkeerd; alleen van hier uit is, geloof ik — indien al een rechtvaardiging van de doodstraf mogelijk 's — deze rechtvaardiging te vinden, omdat door de oorlogsomstandigheden en het daarin zich voordoende landverraad de natie in gevaar werd gebracht. Daarom beschikken dus ons volk en onze rechtspraak over een meer dan persoonlijk gegeven o-m de doodstraf op te leggen, nl. dat het land zelf in gevaar is gebracht.

X C R Alleen in het bestaan van deze bovenpersoonlijke redenen zie ik de mogelijkheid voor de toepassing van de doodstraf binnen ons volk, en ook juist in die bovenpersoonlijke redenen meen ik te mogen ontwaren het recht van den Minister, in overeenstemming met een groot deel van ons volk. tot beperking van de doodstraf, een beperking, die zich dus richt op de bestraffing met den dood van het allerzwaarsto landverraad, dat bovendien zal zijn begaan met den persoonlijken opzet tot misdaden tegen het leven.

X C R Ik meen, dat ik op dit punt niet inconsequent ben, wanneer ' ik hier het beleid van den Minister kan volgen, terwijl ik het in andere opzichten, bijv. ten opzichte van de massale vrijlating en de politiek, die als barmhartigheidspolitiek is gekenmerkt, niet helemaal heb kunnen delen.

X C R Ik kom nu tot een technische quaestie, nl. ten aanzien van de tribunalen. Daar doet zich de wenselijkheid voor ten Opzichte van de Stichting Toezicht Politieke Delinquenten om haar werk tot zijn volle recht te doen komen, dat de tribunalen voorwaardelijke maatregelen zouden kunnen opleggen, hetgeen ook zonder wetswijziging mogelijk zou zijn of mogelijk zou zijn geweest. Nu doet zich soms het geval voor — en dat is een vreemde en bedenkelijke situatie —, dat voor zware gevallen, die naar de tribunalen worden verwezen, geen toezichthouders te krijgen zijn. terwijl voor lichtere gevallen, op grond van het Besluit Politieke Delinquenten, die mogelijkheid wel bestaat. Het voorwaardelijk buitenvervolging stellen voorts gaat zodanig in zijn werk, dat daartegen verzet kan worden aangetekend terwijl intussen de voorwaarden worden nageleefd. Maar een gevolg hiervan is in zulke gevallen, dat soms personen, die al geruime tijd onder toezicht van de Stichting Toezicht Politieke Delinquenten staan, voor het tribunaal moeten verschijnen. Nu zou het voor de hand liggen en is het gewenst, dat het tribunaal aan de betrokken stichtingsafdeling een rapport vraagt over de bevindingen van dat toezicht, hetgeen in de practijk niet of veel te weinig gebeurt. Daarop mag hier dan ook wel worden aangedrongen.

X C R Ik zou thans enkele opmerkingen over de voorwaardelijke invrijheidstelling willen maken. Men heeft daarbij een norm toegepast, die enigszins is te vergelijken met het systeem, dat bij de gewone strafrechtspleging wordt gebruikt ten aanzien van tot gevangenisstraf A eroordeelden. Men rekent namelijk bij de voorwaardelijke invrijheidstelling volgens maatstaven, op den grondslag van den werkelijken straftijd; ook de voordracht tot" zulk een voorwaardelijke invrijheidstelling bij de bijzondere rechtspleging kan worden gedaan een jaar nadat de fiattering is verstreken. 11,-; zal den Minister bekend zijn, dat tegen deze methode of soortgelijke methoden bij de gewone strafrechtspleging bezwaren .-Mm gerezen en men meent, dat er een onbillijk element in li"l hét voorrarrcst niet mede te tellen. Maar zeker geldt dit ten op

X C R

X C R 800

X C R 372.

X C R (Donkersloot e. a.) zichte vmi de politieke delinquenten, waar immers de vóór het vonnis uitgezeten tijd dikwijls al van buitengewoon langen duur is en bovendien naar hun aard en type deze delinquenten in de practiik zijn gebleken dikwijls eerder voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking te kunnen worden gebracht dan de criminele strafgevangenen.

X C R Ten slotte wil ik even het punt van het verlies van de pensioenrechten aanhalen. De Minister is van oordeel, dat dit als verbeurdverklaring van een vermogensbestanddeel gerechtigd is, en ongetwijfeld lijkt mij dat ook juist, echter met dit voorbehoud, dat het pensioen, hetwelk men zich in principe zou hebben verworven, dikwijls niet zozeer als vermogensbestanddeel moet worden opgevat, maar gelijk moet worden gesteld met het gehele vermogen, hoe. weinig het overigens ook is, zodat het billijk is, deze maatregel niet te hard te doen treffen, nl. door slechts een gedeelte van het pensioen, waarop normaal recht zou staan, verbeurd te verklaren en het overige aan tien betrokkene te blijven toekennen, wat enigszins parallel mei de beperkte vermogensverbeurdverklaringen is.

X C R van Maarseveen (minister)

no member profile picture

X C R , Minister vnn Justitie: Mijnheer de Voorzitter! Ik heb met grote belangstelling geluisterd naar het zeer belangrijke, staatsrechtelijke betoog van de geachte afgevaardigde de heer 1'ollomn. Het ware mij het liefst geweest, indien ik dit betoog op schrift had kunnen medenemen naar mijn studeerkamer, daarover rustig had kunnen peinzen en na enige dagen had kunnen terugkomen om mijn beschouwingen tegenover de stellingen van de lieer 1'ollcma te kunnen plaatsen. Dat is hij onze werkwijze echter niet mogelijk. Ik zal dus stante pede op zijn betoog moeten ingaan on znl het doen nu l de voorzichtigheid, die geraden is, wanneer men zonder grote voorbereiding een bepaald onderwerp gaat behandelen, dat op het ogenblik van academische waarde is en dat zo wetenschappelijk is aangevat als het onderwerp, dat de geachte afgevaardigde heeft ter sprake gebracht.

X C R De geachte afgevaardigde heeft gezegd, dat onze Grondwet in verschillende opzichten niet was in acht genomen bij de noodwetgeving. Daarin heeft de geachte afgevaardigde volkomen gelijk, alleen moge hij er op bedacht zijn, dat in dit wetsontwerp in verschillende opzichten de terugkeer naar de Grondwet wordt mogelijk gemaakt, zodat in dit opzicht dit wetsontwerp natuurlijk zijn instemming zal hebben. Anderzijds la- it de ; achte afgevaardigde gezegd, dat er regels, die niet in de Grondwet voorkomen, zoals nulla poena sine praevia lege poenali, met plompe voeten zijn getreden. Of iemand plompe of minder plompe voeten heeft, is natuurlijk een quaestic vnn bei- rdeling; of iets met voeten getreden of op zijde gezet is, is ook een quaestie van aanvoelen. Maar dat de gemelde regel dermate heilig zou zijn. dat men onder geen enkele omstandigheid afwijking van hem zou mogen gedogen, daar kan ik niet inkomen.

X C R Als men die regel volstrekt had gehandhaafd, had men afschuwi lijke misdrijven, die tijdens de oorlog plaats vonden, ongi traft moeten laten. Dat eist de justitie, de rechtvaardigheid in hogere zin, niet. Deze eist veeleer, dat van deze regel soms Wi rdl afgi weken. De regel moet men historisch zien als een reactie tegen willekeur, maar niet als een regel, die de bedoeling lieefl om daar, waar de wetgeving te kort geschoten is in het vo rzicn van en liet treffen van voorzieningen tegen zeer zware vergrijpen, die men zelfs niet voor mogelijk had gehouden, i onmogelijk te maken. Om de wetgever onder alle ome den aan'die regel te binden, dat gaat ongetwijfeld te Vel' .

X C R He geachte afgevaardigde heeft gezegd, dat de bijzondere n : terlijke macht een corpus aliënum is in ons Staatsbestel en dal di leden van de bijzondere rechterlijke macht zich dagelijks n bewust zijn van het feit, dat zij een ongrondwettige p iti innemen. Dit laatste. .Mijnheer de Voorzitter, zou ik de ! | Q van de bijzondere rechterlijke macht willen besparen. Als z jj ( n ongrondwettige positie innemen, is dat niet voor hun . .

X C R ir dan is dat voor rekening van de wetgever en als blijven innemen, dan is ook dat voor rekening van di u. tgêvende macht, die hen in hun positie handhaaft. 49ste VERGADERING . — 26 JUN I 1947.

X C R Nadere voorzieningen met betrekking tot de bijzondere rechtspleging.

X C R (Minister van Maarseveen) Mijnheer de Voorzitter! Ik zou geen recht doen wedervaren, naar'ik meen, aan het betoog van de geachte afgevaardigde de heer Pollerna, wanneer ik in zijn critiek op de wijze, waarop de verschillende dragers van de bijzondere rechtspleging hun ambt uitoefenen. Ik geloof, dat de wijze, waarop de bijzondere rechtspleging haar taak vervult, alleszins waardering verdient en dat men de vraag of zij ongrondwcttig is tot stand gekomen, moet losmaken van die andere vraag, of datgene, wat de leden der bijzondere rechterlijke macht doen, niet in alle opzichten loffelijk en behoorlijk mag lieten. Ik ben overtuigd, dat de laatste vraag bevestigend te beantwoorden is, zodat de critiek zich moet concretiseren op de vraag of die tijdelijke rechterlijke macht al dan niet grondwettig is gecreëerd.

X C R Mijnheer de Voorzitter 1 Ik zou deze uitgangspunten willen kiezen. Destijds ontbraken de Staten-Generaal en was dus de grondwettige samenwerking tussen de Koning en de StatenGeneraal onmogelijk. Ergo viel de wetgevende macht in haar totaliteit toen aan de Kroon toe op grond van het Staatsnoodreeht en wanneer Zij van die macht op die grond gebruik maakte, dan waren Haar wetsbesluiten m.i. gelijk te stellen met wetten.

X C R Het is een bekende opvatting, die door Christelijk-historische staatsrechtsgeleerden als de heer de Snvornin Lohman is gehuldigd, dat do Kroon eigenlijk de wetgevende macht heeft en dat zij bij de uitoefening daarvan de medewerking behoeft van de Staten-Generaal; een opvatting, die ook in onze wettelijke terminologie uitdrukking heeft gevonden, wanneer er gezegd wordt, dat „Wij " — dat is de Kroon — „Ons de bevoegdheid voorbehouden", enz.; wanneer nu die medewerking feitelijk onmogelijk wordt, heeft dit ten gevolge, dat de plenitudo potestatis t.a.v. de wetgeving tot de Kroon terugkeert.

X C R Nu heeft de Hoge Raad niet anders dan dit gezegd, dat de Kroon bij de uitoefening van Haar wetgevende bevoegdheden zich altijd rekenschap behoorde te geven van de vraag, of het weder optreden van de Staten-Generaal kon worden afgewacht. Dat is overigens een beleidsvraag, waarin de Hoge Raad principieel niet wil treden. Alleen wanneer het kennelijk is, dat deze vraag door de Kroon in strijd met allo redelijkheid zou zijn opgelost, dan alleen meent do Hoge Raad, dat men de Kroon nietoehoeft te volgen, maar wanneer er ook maar enige kans aanwezig was, dat door de Kroon in redelijkheid kon worden aangenomen, dat het gebruik maken van Haar wetgevende bevoegdheid noodzakelijk was en niet kon wachten op de hernieuwde totstandkoming van de Staten-Generaal, dan moet naar het oordeel van de Hoge Raad het standpunt worden ingenomen, dat de rechterlijke macht het betrokken wetsbesluit moet eerbiedigen.

X C R Ik geloof verder, dat, wanneer men in concreto de Kroon tot uitoefening der wetgevende macht bevoegd acht, de rechter Haar wetsbesluit niet behoort te toetsen aan de Grondwet. He t is hier te lande altijd recht geweest, dat de rechter de wetten niet toetst op haar grondwettigheid. Een zeer gelukkige practijk, want waar zou liet heen gaan, wanneer een wet geruime tijd gegolden had, haar volle werking had gehad, en dan opeens onverbindend verklaard werd?

X C R Dat zelfde ongewenste resultaat verkrijgt men door de rechter de bevoegdheid toe te kennen de wi tsbesluiten te toetsen.

X C R Nu gaat de heer Pollema zeer ver, wanneer bij zegt, dat het geval zich kan voordoen, dat de Hoge Baad aanvankelijk in een wetsbesluit een afwijking van de Grondwet heeft geconstateerd en getolereerd, maar dat hij na zekere tijd zou kunnen beslissen, dat handhaving dier afwijking van de Grondwet niet meer nodig is, omdat in do tu-ssentijd de grondwettelijke organen van wetgeving de gelegenheid hebben gehad deze regeling te vervangen. Wanneer men het zo stelt, zou de wetgevende macht onder de controle van de rechterlijke macht komen en zou de rechterlijke macht mogen aangeven in welk tempo en met welke snelheid de wetgevende macht haar taak /. >u hebben te vervullen. Ik heb ook aan de overzijde van het Binnenhof gezegd, dat ik een groot bewonderaar hen van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, maar ik beu i v nzeer een bewonderaar van de onafhankelijkheid van de wetgever. De wetgevende macht heeft reeds de gelegenheid gehad te oordelen over de vraag of wetsbesluiten gehandhaafd dienen

X C R

X C R 801

X C R 372.

X C R Nadere voorzieningen met betrekking tot de bijzondere (Minister van Maarseveen) t e blijven. I n de Tweede Kamer heeft zich op 11 Januari 1940 een debat ontwikkeld over de quaestie of de wetsbesluiten al dan niet door de Volksvertegenwoordiging gelegaliseerd zouden moeten worden. Twee daartoe strekkende moties, van de heren Joekes en Donker, zijn met grote meerderheid van stemmen verworpen, waardoor de Volksvertegenwoordiging zich heeft uitgesproken, dat zij liet niet nodig achtte de wetsbesluiten te legaliseren.

X C R Onmiddellijke terugkoer tot de gewone rechtspleging is prac tisch onmogelijk. Ik heb al betoogd, dat dit geen argument is, dat mij door de rechter uit handen geslagen kan worden. Wan neer men thans de gehele bijzondere rechtspleging overscha kelde op de rechterlijke macht, zou allereerst een geweldige stagnatie optreden in de berechting van de politieke delinquen ten, leder is overtuigd, dat die berechting noodzakelijk zo spoedig mogelijk tot een einde moet komen. Plotselinge over schakeling echter zou leiden tot verwarring en de gewone rech terlijke macht zou bovendien niet in staat zijn deze extra arbeid te verwerken. Op het ogenblik hebben wij nog ten naaste bij 18000 politieke delinquenten, die gedetineerd zijn en wier zaken nog berecht moeten worden. E n wanneer wij op het ogenblik meemaken, dat bij bet Bijzonder Gerechtshof in den Haag een zaak aanhangig is tegen vier politieke delinquenten, die drie dagen openbare behandeling door het Bijzonder Ge reohtshof vereist, dan beseft men beter welke tijd de berech ting van de politieke delinquenten vordert. Zou men de rech terlijke macht daarmede belasten, dan zou de rechterlijke macht sterk uitgebreid moeten worden en dan zouden er straks een groot aantal voor het leven benoemde rechters zijn, dit geen emplooi meer zouden hebben. Het hoofdbezwaar is echter, dat een dergelijke overschakeling in modus rebus practisch niet mogelijk is en tot resultaten zou leiden, die niemand zou wil len aanvaarden.

X C R Er is ook gesproken over de strijd tegen de rechtsongelijk heid.

X C R Ik geloof, dat deze strijd met s; es wordt gevoerd. Wat be treft de tribunalen, hebben de hoge autoriteiten regelmatig nagegaan of niet een bepaalde straf van internering, die uitgesproken is, kan worden verkort door voorwaardelijke in vrijheidstelling. Op dit terrein wordt zeer veel arbeid verricht.

X C R Wat betreft de straf Jen, uitgesproken door de bijzondere ge rechtshoven en de Bijzondere Baad van Cassatie, deze instan ties hebben de nodige medewerking verleend om verschillende oudere uitspraken nog eens te bezien, ten einde door het uit brengen van gratie-advie/.en de Kroon in staat te stellen langs de weg van gratie gelijkheid van strafmaat vóór en na 1 Sep tember 1940 te bevorderen. Ik geloof, dat wij ook in dit opzicht volkomen op de goede weg zijn.

X C R Be geachte afgevaardigde de heer Donkersloot heeft ge sproken over het belang van de jeugdige politieke delinquen ten. Hij heeft bij dit onderwerp iets aangeroerd, wat van het allerhoogste gewicht is. De opmerkingen, die de geachte afge vaardigde in dit verband beeft gemaakt, zullen mijn voort durende aandacht hebben.

X C R Het vraagstuk van de jeugdige politieke delinquenten moet zo spoedig mogelijk tot een oplossing worden gebracht. Hier aan wordt met noeste vlijt gearbeid, Dit geschiedt niet alleen door de officieren-fiscaal, doch ook op prijzenswaardige wijze door het directoraat-generaal voor de Bijzondere Bechts pleging. Wat dit ten aanzien van de inrichting van jeugd kampen heelt gedaan, verdient alle lof, gelijk in liet algemeen bet directoraat-generaal voor de Bijzondere Rechtspleging, dat een crisisinstelling is en dus tobt met alle gebreken, die een crisisinstelling aankleven, op voortreffelijke wijze zijn taak.

X C R die onder zo moeilijke omstandigheden moest worden aange vangen, tot nog toe heeft verricht.

X C R Ik ben de geachte afgevaardigde de heer Donkersloot dank baar voor de steun, die hij mij heeft gegeven ten aanzien van een zo moeilijke materie als de toepassing van de doodstraf.

X C R Ik ben hem dankbaar voor het feit, dat hij heeft willen uit spreken, dat ook z.i. beperking van de executie van doodstraf fen noodzakelijk is. Ik geloof, dal die overtuiging hoe .lange)' hoe meer in ons volk doordringt, en ik prijs het Nederlandse volk daarmede golukkig. 49ste VEEGADEEING . — 26 JUN I 1947.

X C R rechtspleging.

X C R (Minister van Maarseveen e. a.) Wa t betreft de vertraging in de afdoening van graticgeval len, moge ik mededelen, dat op het ogenblik geen enkel gratie geval bij de Eegering aanhangig is, zodat in dit opzicht het wachten is op de adviezen van de Bijzondere Itaad van Cas satie en de bijzondere gerechtshoven. Tot heden is op gratie verzoeken ten aanzien van 51 uitgesproken doodstraffen een beslissing genomen. In 19 gevallen is gratie geweigerd en in 32 gevallen is de gratie verleend, De geachte afgevaardigde de heer Donkersloot heeft nog gesproken over het vraagstuk Aan de voorwaardelijke in vrijheidstelling. Hij heeft zich daarbij echter in de snelheid van zijn betoog aan een kleine verwarring bezondigd. Hij heeft ge zegd, dat de voorwaardelijke invrijheidstelling als regel eerst één jaar na de fiattering kan plaats vinden. Dit ziet op de tribu naaluitspraken, waarbij internering wordt opgelegd en die gefiatteerd worden door de hoge autoriteiten; daarbij kan ech ter voorwaardelijke invrijheidstelling zeer snel plaats vinden.

X C R De practijk is wel, dat te voren het advies van de kampcom mandant, van de tribunaalpresident en van de hoge autori teit wordt ingewonnen, maar deze adviezen worden met soms zeer grote snelheid gegeven.

X C R De geachte afgevaardigde heeft echter op het oog de voor waardelijke invrijheidstelling van hen. die door de bijzondere gerechtshoven tot gevangenisstraf zijn veroordeeld. De ge achte afgevaardigde heeft in dit" verband gelijk: wanneer niet minstens negen maanden zijn verstreken en 2/3 van de werke lijke gevangenistijd om is, kan voorwaardelijke invrijheidstel ling niet plaats vinden. In verband met het feit, dat; hierbij preventieve hechtenis niet in rekening kan worden gebracht en deze dikwijls iang duurt, is deze toestand niet bevredigend.

X C R Met zal mijn ernstig streven zijn, na te gaan of hierin niet op korte termijn wijziging kan worden gebracht.

X C R De opmerking van de geachte afgevaardigde betreffende het verlies van pensioenrechten ondersc-hrijf ik ten volle, en mis schien zullen ook de rechterlijke colleges en tribunalen zulks doen. 11; geloof, dat deze wel kennis nemen van de beraad slaging in deze vergadering, en zo vermoed ik', dat de opmer king van do geachte afgevaardigde haar nuttig effect ook bij hen zal kunnen hebben.

X C R Pollema (De heer)

no member profile picture

X C R Mijnheer de Voorzitter! Ik moge den Mi nister dank zeggen voor de wijze, waarop hij is ingegaan op mijn opmerkingen ten aanzien van de verhouding van het Staatsnoodrechf tot de bijzondere rechtspleging. Met den Mi nister begrijp ik volkomen, dat dit een zeer ingewikkelde materie is en dat bet dus in deze omstandigheden voor den "Minister bezwaarlijk is de opmerkingen, welke ik gemaakt heb, in alle onderdelen te beantwoorden.

X C R Bij de algemene beschouwingen heeft de voorzitter van onze fractie reeds te kennen gegeven, dat wij met instemming het werk van den Minister volgen. Mijn opmerkingen als zo danicr hebben dan ook geen andere strekking dan slechts deze — daarom heb ik nog even het woord gevraagd voor de repliek —: dat ik het toetsingsrechl van den rechter ten aan zien van de wetsbesluiten, gelijk' wij die thans bezig zijn te wijzigen, wens te handhaven. Ware hetgeen ik heb gesproken, niet gezegd, dan bestond het grote gevaar, dat de rechterlijke macht zou kunnen zegeen : De Staten-Generaal hebben de wetsbesluiten, regelende de bijzondere rechtspleging, gewij zigd en met die wijziging zijn die genoemde wetsbesluiten on schendbaar geworden. Ik meen, dat dit gevaar, door de dis cussies, die bier hedenmorgen zijn gehouden, is weggenomen.

X C R Ik ze" dus den Minister nogmaals dank voor de wijze, waarop hij op mijn opmerkingen is ingegaan.

X C R De beraadslaging wordt gesloten en het wetsontwerp zouder hoofdelijke stemming aangenomen.

X C R De vergadering wordt voor vijf en dertig minuten geschorst.

X C R

X C R 802

X C R 49ste VERGADERING . — 26 JUN I 1947.

X C R 200. Vastst. nadere regelen omtr. de verbindende kracht- van De vergadering wordt hervat.

X C R behandeling van het wetsontwerp tot vaststelling van nadere regelen omtrent de verbindende kracht van gedurende den bezettingstijd genomen maatregelen op het gebied van het lager onderwijs en van eenige andere maatregelen op dat gebied ( 200 ).

X C R

X C R Aan de orde is de behandeling van het wetsontwerp tot vaststelling van nadere regelen omtrent de verbindende kracht van gedurende den bezettingstijd genomen maatregelen op het gebied van het lager onderwijs en van eenige andere maatregelen op dat gebied (200). De beraadslaging wordt geopend.

X C R Woltjer (De heer)

no member profile picture

X C R Mijnheer de Voorzitter! De rechtszekerheid heeft met andere geestelijke goederen van wezenlijke waarde gemeen, dat men haar eerst recht waardeert, wanneer men haar blijvend of tijdelijk heeft verloren, althans waant, dat dit het geval is. Om de betekenis der rechtszekerheid als het ware in te branden in het volksbewustzijn, liet zich nauwelijks een meer effectief middel denken dan een vijfjarige bezetting, waarin zij geheel was verdwenen, de willekeur hoogtij vierde en de macht van den overweldiger de plaats innam van het recht. In zoverre het aanhangige wetsontwerp beoogt die rechtszekerheid op het gebied van het lager onderwijs te herstellen, moet het daarom m.i. met warme toejuiching worden begroet. Ook door hetgeen daaromtrent in de Memorie van Antwoord wordt opgemerkt, ben ik echter niet overtuigd, dat de ten deze ingeslagen weg de meest aanbevelenswaardige is. Ik onderschrijf het oordeel van den geachten afgevaardigde, lid der Tweede Kamer, den heer Terpstra, dat op deze wijze de sporen van het bezettingsrecht niet zo sj)oedig mogelijk uit onze wetgeving zullen verdwijnen en ik deel zijn mening, dat, wanneer het aanhangige ontwerp tot wet wordt verheven, belangrijke aangelegenheden bij wet zullen zijn vastgelegd, zonder dat daaraan een behoorlijke parlementaire behandeling is voorafgegaan. (Jok door het tijdelijk karakter, dat liet ontwerp tijdens de behandeling in de Tweede Kamer der StatenGeneraal heeft gekregen, wordt dit bezwaar m.i. niet geheel weggenomen. In de eerste plaats bestaat er geen absolute zekerheid, dat binnen den fatalen termijn de definitieve voorzieningen zullen zijn tot stand gekomen. Het is mij, Mijnheer de Voorzitter, niet geheel duidelijk waarom de Minister het in het Voorlopig Verslag in dit verband genoemde voorbeeld van de mogelijkheid van Kamerontbinding blijkbaar niet wil aanvaarden, maar in elk geval zijn er (de historie heeft dat bewezen) ook andere mogelijkheden van vertraging en dan rankt men natuurlijk ind e impasse, want dan zou de schorsing, die nu wordt opgeheven, weer terugkomen zonder dat definitieve maatregelen waren getroffen.

X C R In de tweede plaats moet nu de voorbereiding van de technische herziening der Lager-onderwijswet, die door den beer Minister is aangekondigd, in een tempo geschieden, dat m.i. aan de deugdelijkheid van die herziening moeilijk ten goede kan komen. Uil ondervinding weet ik, dat men op het gebied van de wetgeving heel moeilijk vlug en goed werken kan combineren. En inde derde plaats moet. dunkt mij, ook een slechts tijdelijke opheffing van een schorsing, die na de bevrijding nu l-eeds langer dan twee jaar van kracht is geweest, onwillekeurig praejudiciëren op de definitieve voorschriften.

X C R He t eenvoudigste ware het ongetwijfeld geweest, indien men na de bevrijding zonder meer schoon schiji had kunnen maken en, om te beginnen, alle maatregelen van den bezetter annuleren, zodat dus eerst de toestand van vóór 10 Mei geheel werd hersteld, om dan rustig na te gaan welke wijzigingen in d.' vóór den oorlog geldende regelingen nodig waren gebleken. Ik begrijp zeer wel, dat dit niet mogelijk was zonder een chaotischen toestand te veroorzaken: voor zover ik kan oordelen, heeft men na een periode van bezetting en overheersing, als was hei in een paslijst, zozeer aanstonds alle in die periode opgelegde maatregelen zonder meer op zijde kunnen zetten. Maar aan den anderen kant. is het mij ook nu nog niet duidelijk waarom niet de directe weg bad kunnen worden gevolgd en de maatregelen, die men wenste te behouden, rechtstreeks in de Lager-onderwijswet en in de Leerplichtwet hadden kuni zijn geïncorporeerd. De Minister houdt in de Memorie van Antwoord vol, dat dit een aanmerkelijke vertraging (zou) hebben veroorzaakt. Mijnheer de Voorzitter! Ik zou gaarne deze uitspraak nader zien geadstrueerd: voorshands kan ik niet inzien, dal deze vertraging onvermijdelijk zou zijn geweest. ged. den bezettingstijd gen. maatr. van het lager onderwijs, enz.

X C R Dit zijn, Mijnheer de Voorzitter, enkele min of meer principiële bedenkingen, die ik hier, zij het zo beknopt mogelijk, naar voren meende te moeten brengen. Daarnaast staat een bezwaar van pracüschen aard.

X C R Ingevolge artikel I, onder A, van het ontwerp vatn wet, wordt de voorlopige schorsing, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van het Besluit Bezettingsmaatregelen, ten aanzien van de in het ontwerp genoemde besluiten en beschikkingen niet slechts opgeheven, maar ook geacht nimmer te hebben gegolden. In het Voorlopig Verslag verklaarden sommige leden zich, ook door hetgeen de Minister ter zake had aangevoerd, niet, overtuigd, dat uit deze bepaling „geen moeilijkheden zonden kunnen voortvloeien". Mijnheer de Voorzitter! Wat naar aanleiding hiervan in de Memorie van Antwoord wordt gezegd, heeft mij wel enigermate bevreemd. Ik lees daar:

X C R „I n de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer heeft de ondergetekende met betrekking tot, de toepassing van het Besluit I — dat, is dus het „Stopbesluit" — zijn standpunt medegedeeld ten aanzien van het in het ontwerp opgenomen voorschrift, dat de, schorsing van de gehandhaafde besluiten geacht wordt nimmer te hebben gegolden.

X C R Thans wordt dezelfde vraag in meer algemene zin herhaald, zonder dat de moeilijkheden, welke men in de practijk van dit voorschrift verwacht, nader worden gepreciseerd. In deze omstandigheden meent de ondergetekende zich er van ontslagen te mogen achten op dit punt verder in te gaan. "

X C R Mijnheer de Voorzitter! Indien de beantwoording van de in het Voorlopig Verslag over het ontwerp gemaakte opmerkingen over het geheel getuigde van een, ik zou haast zeggen, ontwapenende beminnelijkheid en tegemoetkomendheid, dan zou men in deze voorlaatstee zin «vellicht iets van een bedekte, terechtwijzing kunnen voelen aan het adres van de leden, die ten deze aan haar bezorgdheid uiting gaven. Ik neem gaarne aan, dat zoiets in elk geval niet door den heer Minister is bedoeld. Maar wel moet het mij van het hart; Mijnheer de Voorzitter, dat een dergelijke wijze van beantwoording mij althans moeilijk geheel kan voldoen.

X C R Wat is de quaestie? In het Voorlopig Verslag der Tweede Kamer was onder meer gewezen op de ongrondwettigheid van het zg. Stopbesluit, het tijdelijke algemene, verbod aan de gemeenteraden — ik vat het nu maar kort, samen — om uitgaven te doen ten behoeve, van de stichting, verbouwing of uitbreiding van gebouwen voor lagere scholen, en in verband daarmede tegen het continueren van dit besluit ernstig bezwaar gemaakt. De juistheid van dit bezwaar erkennende, heeft de Minister — — tot grote voldoening ook van mij — bij Xota van Wijzigingen het oorspronkelijke ontwerp zo gewijzigd, dat het Stopbesluit als zodanig kwam te vervallen en alleen de bepalingen daarin betreffende de gevallen van oorlogsschade en van voorzieningen ten aanzien van het onderwijs in lichamelijke oefening gehandhaafd bleven. Er is toen nog een poging gedaan, om door een amendement de oorspronkelijke redactie te herstellen, maar dit amendement is verworpen. Waar door de aangebrachte wijziging het Stopbesluit als zodanig verdween, kon er uiteraard ook geen sprake zijn van terugwerkende kracht van dit besluit voor den tijd, dat het geschorst, geweest was ; en zo kon de. Minister in de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer verklaren, dat als gevolg van deze wijziging „de sinds den datum van inwerkingtreding van het Besluit Bezettingsmaatregelen op grond van de artikelen 72 en volgende en 81 van de Lager-onderwijswet 1920 genomen raadsbesluiten en alle ter uitvoering daarvan verrichte handelingen, waarbij met liet Stopbesluit geen rekening is gehouden, hun rechtsgeldigheid"

X C R behouden.

X C R Dit is niet alleen volkomen juist, maar spreekt ook vanzelf en was natuurlijk ook den leden, die in het Voorlopig Verslag van de Eerste Kamer hier aan het woord waren, niet onbekend; hun ten deze gemaakte opmerking was dan ook geenszins een „herhaling in meer algemene zin" van wat in het Voorlopig Verslag der Tweede Kamer mat betrekking tot Besluit I was

X C R

X C R Ve! 213 80 3 Eerste Kamer

X C R 200.

X C R Vastst. nadere regelen omtr. de verbindende kracht van ged. den bezettingstijd gen. maatr. van het lager onderwijs, enz.

X C R (Woltjer) gezegd en hun vrees, dat ,,uit de bepaling, dat de schorsing der gehandhaafde besluiten wordt geacht nimmer te hebben gegolden" , „moeilijkheden zullen kunnen voortvloeien", heeft ondanks de hier bedoelde wijziging wel degelijk reden van bestaan. Zij kon dat voor de Eerste Kamer, die alleen te rekenen heeft met het gewijzigde ontwerp, niet meer hebben ten aanzien van de bepalingen betreffende ,,de stichting enz. van lagere scholen", die niet gehandhaafd zijn; maar naast deze bepalingen staan in dat besluit bepalingen betreffende gevallen van oorlogsschade en van voorzieningen voor het onderwijs in lichamelijke oefening en behalve op deze heeft het ontwerp nog op 11 andere besluiten betrekking, die er door gehandhaafd worden met terugwerkende kracht. Welnu, Mijnheer de Voorzitter, ik acht het volstrekt niet ondenkbaar — en, mij dunkt, de Minister kan het ook moeilijk ondenkbaar vinden —, dat er onder al deze gehandhaafde voorschriften zijn, ten aanzien waarvan de bepaling van de schorsing er van geacht wordt nimmer te hebben gegolden en die tot moeilijkheden aanleiding kunnen geven. Ik begrijp dan ook niet goed, dat hier preciseren nodig is. Nu de Minister echter blijkbaar een concreet voorbeeld wenst te zien genoemd, acht ik mij verplicht aan dezen wens te voldoen. Zoals ik zeide, worden de bepalingen in het Stopbesluit, die betrekking hebben op gevallen van oorlogsschade en van voorzieningen in localiteit of terrein voor het onderwijs in lichamelijke oefening, gehandhaafd en wordt dus ook de voorlopige schorsing van die bepalingen geacht nimmer te hebben gegolden. Welnu, het is toch allerminst uitgesloten, dat in den tijd van meer dan twee jaren, gedurende welken deze schorsing van kracht was, door gemeenteraden besluiten ter zake zijn genomen, die niet geheel in overeenstemming waren met de tot geschorste en dus niet geldende, maar nu met t-erugwerkende kracht opnieuw geldig geworden voorschriften, waarover het hier gaat; stricto jure zouden deze besluiten dan hun rechtsgeldigheid verliezen! Ik zou er daarom bij den heer Minister instantelijk op aan willen dringen, om voor zover dit mogelijk is te zorgen, dat moeilijkheden, als ik hier op het oog had, worden voorkomen.

X C R Ook om des tijds wille zal ik niet uitvoerig ingaan op alle bijzonderheden, die in het Voorlopig Verslag zijn aangeroerd. Ofschoon de Memorie van Antwoord de juistheid van meer dan één opmerking daaromtrent min of meer erkent, neemt ze toch het standpunt in, dat het weinig zin heeft thans om op dergelijke opmerkingen in te gaan, omdat ze vanzelf aan de orde zullen komen bij het in voorbereiding zijnde Herzieningsontwerp. Ik weet niet of dit standpunt zonder enig voorbehoud als het meest juiste dient beschouwd te worden. Nauwkeurigheid is voor de wetgeving van zo groot belang, dat ze steeds zeer zorgvuldig in acht moet worden genomen, ook wanneer het regelingen betreft, die slechts als tijdelijk zijn bedoeld. En daarom verdienen opmerkingen daarover aandacht, ongeacht of ze onmiddellijk effect kunnen sorteren. Had men bij de voorbereiding van het ontwerp van meet af aan ook uit dit oogpunt de besluiten, wraarover het hier gaat, nog iets critischer bekeken, dan waren er naar het mij voorkomt (ik zeg dit zonder uit het oog te verliezen, dat dit ontwerp een voorgeschiedenis heeft) ten deze misschien nog wel iets meer te bereiken geweest. Zo is het mij — om een voorbeeld te noemen — niet duidelijk waarom, wanneer artikel 3 der Lager-onderwijswet 19*20 toch werd gewijzigd, niet tevens, als men er op geattendeerd had, de onwillekeurige omissie (want daarvan kan men hier m.i. spreken) had kunnen hersteld worden, waardoor het op het ogenblik niet mogelijk is, aan ulo-scholen het nieuwe vak, in artikel 2 vermeld onder v (eenvoudige huishoudkunde) te onderwijzen, terwijl dit vak voor scholen v.g.l.o. zelfs verplicht is voorgeschreven. E n zo zal men andere -vragen kunnen stellen. Waar echter deze Kamer niet het recht van amendement heeft, zodat veranderingen in het ontwerp toch niet kunnen worden aangebracht en dit ontwerp, gelijk ik reeds opmerkte, trots de bedenkingen, die men kan hebben, als zodanig moet worden aanvaard en zelfs toegejuicht, verdient het onder de gegeven omstandigheden ook m.i. de voorkeur thans die vragen verder te laten rusten. Slechts één detailpunt meen ik ten slotte te moeten bespreken omdat het van wezenlijk belang is en hetgeen er over gezegd wordt in de Memorie van Antwoord mij niet ten volle bevredigt.

X C R Handelingen der Staten-Generaal. — 1946—1947. —• L 49ste VERGADERING. — 26 JUNI 1947.

X C R (Woltjer e. a.) Er is in de Lager-onderwijswet 1920 door de wet van 22 Mei 1937 een nieuw artikel 88bis ingevoegd, dat aldus luidt:

X C R „Ten behoeve van een bijzondere lagere school, in een gemeente gevestigd of te vestigen na 30 Juni 1933 anders dan met gebruikmaking van de bepalingen dezer wet, wordt tot 1 Januari 1942 geen vergoeding toegekend dan na daartoe door Onzen Minister verleende machtiging", een machtiging, die dan wordt gebonden aan de voorwaarden, dat het aantal leer-lingen niet minder mag bedragen dan ingevolge het eerste lid van art. 73, onder a, nodig is om een gebouw te kunnen krijgen. Daarnaast is — om welke redenen laat ik daar — in het tweede lid van artikel 1 van het Stopbesluit een bepaling opgenomen, die met dit artikel 88bis vrijwel parallel loopt, behoudens dat artikel 2 van dit besluit het maken van uitzonderingen in bijzondere gevallen toelaat, artikel 88bis niet. Deze bepaling houdt in. dat tot den in het eerste lid bedoelde datum uit de openbare kassen geen vergoeding wordt toegekend „ten. behoeve van bijzondere scholen voor gewoon of uitgebreid lager onderwijs, in een gemeente gevestigd anders dan me t gebruikmaking van de bepalingen der Lager-onderwijswet 1920".

X C R Het is misschien niet overbodig even t e zeggen, dat deze beide voorschriften betrekking hebben op lagere scholen, die wel in aanmerking willen komen voor vergoeding van de kosten van instandhouding (d. w. z. van de salarissen door het E ijk en van de exploitatiekosten door de gemeente), maar om de een of andere reden hun gebouw zelf wensen te bekostigen en daarom ook geen aanvrage op de grond van de artikelen 72 of 84 tot medewerking daarvoor aan de gemeenteraad richten. Zulke scholen nu, in beide voorschriften aangeduid als scholen, in een gemeente gevestigd anders dan met gebruikmaking van de bepalingen der Lager-onderwijswet 1920, zouden tijdelijk niet voor de vergoeding van salarissen en van exploitatiekosten in aanmerking komen ingevolge artikel 88bis der wet, zonder machtiging van den Minister, ingevolge het Stopbesluit niet zonder do verklaring van den Secretaris-Generaal, dat een bijzonder geval aanwezig is. Oorspronkelijk golden beide voorschriften slechts tot 1 Januari 1942. Bij besluit van den Secretaris-Generaal van 24 November 1941 werd echter de werkingsduur, zowel van het Stopbesluit als van artikel SSbis der Lager-onderwijswet, „tot een nader te bepalen tijdstip" verlengd. En het aanhangige besluit beoogt nu ook dit verlengingsbosluit, dat voorlopig geschorst was, weer in werking te brengen.

X C R Als ik nu den aandrang van de zijde der Tweede Kamer begrijp om het Stopbesluit als zoodanig niet meer te laten gelden, een aandrang, waaraan de Minister gevolg heeft gegeven door bij Nota van Wijziging de opheffing van de voorlopige schorsing van dit besluit te beperken tot de bepalingen betreffende de gevallen van oorlogsschade en van noodzakelijke voorzieningen ten behoeve van het onderwijs in lichamelijke oefening, waardoor tevens het zoeven door mij geciteerde voorschrift van art. 1, lid 2, van dit besluit is vervallen, dan ware de consequenties van deze wijziging mijns inziens geweest ook art. 88b/s der wet niet langer in stand te houden. Dat deze consequentie niet is getrokken, maar de verlenging van de werkingsduur van art. 88bis door het ontwerp wordt gehandhaafd, maakt het vervallen van het voorschrift van art. 1, lid 2, tweede helft, van het Stopbesluit in wezen illusoir. Ik betreur dit, maar ben er mij natuurlijk van bewust, dat daaraan thans niets is te veranderen. Dit behoeft mij echter niet te weerhouden hier met enige nadruk op deze incongruentie te wijzen met het oog op de aangekondigde herziening der wet.

X C R Gielen (minister)

no member profile picture

X C R , Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen: Mijnheer de Voorzitter! Het wetsontwerp bezet tingsmaatregelen betreffende het lager onderwijs, welk wetsontwerp thans voor ons ligt, heeft een zekere lijdensweg gekend. Aanvankelijk heeft het in de bedoeling gelegen deze wel onnodig te maken door tijdig in de eerste maanden na de bevrijding een besluit te doen verschijnen, waardoor zouden worden opgevangen de moeilijkheden, die deze bezettingsmaatregelen boden en waardoor zij tegelijkertijd zou zijn geïncor

X C R

X C R 804

X C R 200.

X C R Vastst. nadere regelen omtr. de verbindende kracht van ged. den bezettingstijd gen. maatr. van het lager onderwijs, enz.

X C R (Minister Gielen) poreerd, voor zover nodig en wenselijk, in de gewone wetgeving.

X C R De geachte afgevaardigde de heer Woltjer heeft, als ik mij niet vergis, terloops op deze situatie gedoeld. Ik heb dan ook, toen hij zijn aanmerkingen, zowel zijn principiële als zijn practische, maakte, bij mijzelf vastgesteld, dat deze aan- en opmerkingen — hoezeer in vele van de gemaakte opmerkingen het gelijk ongetwijfeld aan de zijde van prof.' Woltjer is — voor een aanzienlijk deel voortspruiten uit deze gang van zaken.

X C R Ik ben het met de geachte afgevaardigde eens, dat eigenlijk voor een materie, zoals in deze bezettingsraiaatregelen is geregeld en zoals zij nu geldig wordt gemaakt binnen het kader van de gewone L.Ö.-wet, een ander tempo dan thans is gevolgd noodzakelijk en wenselijk zou moeten worden geacht. Evenwel is het juist dat tempo geweest, dat aanvankelijk sterk is vertraagd en dat ik aan de andere kant bij mijn optreden toch meende te moeten inzetten, ten einde zo spoedig mogelijk te kunnen voldoen aan de wensen, ook door de geachte afgevaardigde geuit, nl. dat deze bezettingsmaatregelen zo spoedig mogelijk niet meer bezettingsmaatregelen zouden kunnen heten. Hij heeft op gronden, die naar mijn overtuiging onweersprekelijk zijn, gesteld, dat de gevolgde weg in bepaald opzicht niet de meest aanbevelenswaardige is, maar hij heeft onder die gronden ook genoemd het argument, dat ik juist heb aangehaald, nl. dat die herziening nu in een ondeugdelijk tempo moest geschieden. He t komt mij voor, dat juist hierom moeilijk met deze materie kon worden gewacht, ten einde de zaakte regelen op de ook voor prof. Woltjer gewenste wijze, omdat dan zoveel te langer deze bezettingsmaatregelen het karakter zouden dragon, dat zij hadden.

X C R T.a.V. de vraag of er van enige zekerheid kan worden gesproken of de in de wet bij amendement in de Tweede Kamer opgenomen datum, dat ze slechts tot 1 Februari 1948 geldig zal zijn, kan ik uiteraard geen absolute waarborg bieden, dat dit ook zal geschieden. Ik kan echter wel mededelen, dal de technische commissie, die deze moeilijke materie behandelt, reeds zover is, dat zij toegekomen is aan de formulering van de artikelen, dat de stof zelf dus voldoende is besproken en van alle zijden bekeken. Zij is nu gekomen aan de formulering van de artikelen en ofschoon ook dat een quaestie is, die ongetwijfeld tijd vraagt en waarbij ik gaarne wil aanbevelen de. precisiteit t e betrachten, die de geachte afgevaardigde nu meent hier niet te hebben waargenomen, geloof ik toch, dat, indien wij in dit tempo kunnen voortwerken, de redelijke zekerheid bestaat, dat 1 Februari deze technische herziening het Staatsblad zal hebhen bereikt. De geachte afgevaardigde prof. Woltjer heeft dus, ofschoon zijn opmerkingen van principiëlen aard, wat mij betreft, voor een aanzienlijk gedeelte juist kunnen worden genoemd, toch, naar ik meen, te weinig in het oog gehouden, dat de door hem gewenste weg alleen dan mi tot liet gewenste resultaat zou hebben kunnen leiden, indien onmiddelijk na de bevrijding begonnen had kunnen worden met het werk, waarop hij doelde.

X C R I n de tweede plaats heeft de geachte afgevaardigde een drietal voorbeelden aangehaald, waarin hij meent, dat toch [lijkheden zullen blijven bestaan, moeiüjkhden, die niet weggenomen worden door het onderhavige wetsontwerp.

X C R Laat ik vooropstellen, Mijheer de Voorzitter, dat de formulering in de Memorie van Antwoord, waaruit de geachte afgevaardigde meent een toon te kunnen beluisteren, die misschien t( veel zou zwemen nai r een soort terechtwijzing, uiteraard niet als zodanig is bedoeld. Hij heeft gezegd: dat stopbesluit geldt niet meer, de maatregelen ten gevolge van dat besluit, behoudens oorlogsschade en lichamelijke opvoeding, hebben deze jaren wel gegolden, niet die betreffende de bouw van scholen; is het nu ondenkbaar, zo vraagt hij, dat in de laatste twee jaar door de gemeente- of schoolbesturen besluiten zijn genomen, die hiermede in botsing zijn gekomen en waarvan men do nadelige gevolgen kan ondervinden? E r is mij practisch i enkel voorbeeld van bekend. Ondenkbaar is het uiteraard niet. Ik wil wel laten nagaan of zich dergelijke gevallen hebben voorgedaan, en ook, afgezien daarvan, aan de Technische Commissie aanbevelen met deze mogelijkheid rekening te houden. 49ste VERGADERING. — 26 JUN I 1947.

X C R (Minister Gielen e. a.) De bezwaren, die de geachte afgevaardigde ten aanzien van het vak V (eenvoudige huishoudkunde) heeft aangevoerd, zijn juist; ik heb dat reeds in de Memorie van Antwoord erkend. Ik hoop, dat mij de tijd gegeven zal worden deze omissie te herstellen bij de technische herziening. Immers, practisch komt er van dit onderwijs op dit ogenblik, nu er groot gebrek aan materialen is, nog zo goed als niets te recht. He t bezwaar van de geachte afgevaardigde, gezien deze beperkte mogelijkheden, is dus naar mijn mening zeer gering. Nochtans zal bij de technische herziening aan het bezwaar van de geachte afgevaardigde te gemoet gekomen worden. Do geachte afgevaardigde heeft verder gesteld, dat artikel 88bis van de wetswijziging van 22 Mei 1937, parallel lopend met de bepaling in het eerste artikel, tweede lid van het Stopbesluit, eigenlijk in deze verhouding niet juist meer is geplaatst. Het scherpzinnig betoog, dat de geachte afgevaardigde daaraan heeft gewijd, heeft inderdaad ook, zij het dan een zeer bescheiden, praetisehe betekenis. Ook dit punt wil ik dus gaarne in de aandacht van de Technische Commissie aanbevelen.

X C R Samenvattend meen ik dus te mogen zeggen, dat men het principieel eens kan zijn met de geachte afgevaardigde, dat een andere weg beter zou zijn geweest, maar dat practisch de mogelijkheid daartoe niet moer bestond en dat ik derhalve gemeend heb liever nü deze materie in een wettelijk verband te brengen dan nog enige maanden te wachten. Wat zijn praetisehe opmerkingen betreft, geloof ik, dat die inderdaad voor een niot onaanzienlijk deel juist zijn, al zijn ze anderzijds in de practijk niet van zo'n bijzonder gewicht. Ik zal deze echter gaarne aan de Technische Commissie, ter overweging doorgeven.

X C R De beraadslaging wordt gesloten en het wetsontwerp zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

X C R behandeling van het wetsontwerp, houdende goedkeuring van het Verdrag betreffende de cultureele en intellectueele betrekkingen tusschen Nederland en België ( 431 ).

X C R

X C R Aan de orde is de behandeling van het wetsontwerp, houdende goedkeuring van het Verdrag betreffende de cultureele en intellectueele betrekkingen tusschen Nederland en België (431).

X C R Kranenburg (voorzitter)

no member profile picture

X C R Ik geef het woord aan den heer Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen ter beantwoording van de in het Eindverslag van de Commissie van Eapporteurs gemaakte opmerkingen.

X C R Gielen (minister)

no member profile picture

X C R , Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen: Mijnheer de Voorzitter! In de Tweede Kamer heb ik de gelegenheid gehad aan mijn vreugde uitdrukking te geven, dat dit wetsontwerp in do Staten-Generaal werd behandeld en dus te zijner tijd tot wet, kan worden verheven. Op dit ogenblik bezielt mij ook een ander gevoelen, nu wij hebben gehoord en gelezen wolk oen ramp België heeft getroffen door de brand in hot Ministerie van Openbaar Onderwijs en Schone Kunsten. Ik grijp deze gelegenheid aan om ook namens de Regering te getuigen van onze innige deelneming mei dit droevig gebeuren on uitdrukking te geven aan ons vertangen, dat. zo spoedig dit mogelijk is, do- gevolgen van deze ramp zullen worden afgewend, vooral voor de nagelaten betrekkingen. Ik wil nu gaarne van deze gelegenheid gebruik maken om alsnog oen vraag, in het Eindverslag gesteld, te beantwoorden. Kr is de aandacht op gevestigd, naar aanleiding van mijn uitspraak in de Tweede Kamer, dal hel wellicht ongewenst zouzijn Belgische leerkrachten hier te werk te stellen. Ik kan daaromtrent mededelen, dat in de allereerste plaats deze materie nog niet in de Technische Commissie is besproken en derhalve ook nog geen uitvoering kan vinden. In de tweede plaats, dai hier niei gedacht moet worden aan plaatsing van leerkrachten uit België op grote Behaal, maar meer aan een iotwai uitgebreide uitwisseling van leerkrachten, uitgebreid vooral aan Belgische zijde.

X C R TTot wetsontwerp wordl zonder beraadslaging on zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

X C R

X C R 805

X C R 425.

X C R behandeling van het wetsontwerp Noodvoorziening Perswezen ( 425 ).

X C R

X C R Aan de orde is de behandeling van het wetsontwerp Noodvoorziening Perswezen (425). De beraadslaging wordt geopend.

X C R Pollema (De heer)

no member profile picture

X C R Mijnheer de Voorzitter! In het Voorlopig Verslag dezer vergadering is uitvoerig geklaagd over den tijdnood, waarin deze Kamer zich thans bevindt.

X C R Immers, de werkingsduur van het Tijdelijk Persbesluit 1945 is beperkt tot 1 Juli a.s., zodat bij eventuele verwerping van dit wetsontwerp de Regering slechts luttele dagen ter beschikking staan in het alsdan dreigend vacuüm te voorzien.

X C R Ik herinner er aan. dat reeds bij de eerste verlenging van genoemd Persbesluit deze vergadering in tijdnood verkeerde, daar deze Kamer toen met het oog daarop tussen Kerstmis en Nieuwjaar heeft moeten vergaderen.

X C R Bij de behandeling van het voorstel het Tijdelijk Persbesluit 1945 met een halfjaar te verlengen, heb ik er op gewezen, dat de Regering zich beter bewust moest zijn van haar reverentie tegenover deze Kamer door te zorgen, dat wetsontwerpen zo tijdig werden ingediend, dat hier ter plaatse een normale tijd van onderzoek en beraadslaging beschikbaar bleef.

X C R Onze fractie heeft dan ook met ontstemming kunnen constateren, dat wederom deze Minister in de vorige fout is vervallen, zodat wij een zo belangrijk voorstel weer haastig moeten onderzoeken en daarover beraadslagen.

X C R Toegestemd kan worden, dat ook de Tweede Kamer het wetsontwerp eerst laat in behandeling heeft genomen, nl. in de maand Juni, zodat ook de Tweede Kamer niet vrij uitgaat.

X C R Hoe dit ook zij, wij behoren dit wetsontwerp te beoordelen naar zijn merites en kwalijk kan van ons worden verlangd pre te stemmen, omdat een meerderheid contra, dus een eventuele verwerping, het Tijdelijk Persbesluit 1945 zelf in gevaar zou brengen.

X C R De Minister verweert zich op bladz. 2 van zijn Memorie van Antwoord tegen de zienswijze van die leden uit ons Voorlopig Verslag, welke van mening waren, dat de Minister ten onrechte gezwicht is voor de aandrang in de Tweede Kamer om alsnog de voorgestelde artikelen 18 en volgende van het zg. liquidatie-amendement in het voorgestelde ontwerp opgenomen te zien. He t wil ons voorkomen, dat dit verweer zwak is. Immers, de Minister geeft zelf toe, dat wel de gedachte, dat aan de „nieuwe " pers de beschikking over bepaalde apparaturen zou worden gegeven, hem geenszins onsympathiek was, maar dat deze gedachte in dezen vorm het kader van het wetsontwerp te buiten ging, te meer, daar de mogelijkheid van verbeurdverklaring door tribunalen nog steeds openstaat. I n dit verweer geeft de Minister dus zelf toe, dat het amendement-Burger niet past met de oorspronkelijke opzet van zijn wetsontwerp. E n verder zegt de Minister, dat hij zal bevorderen, dat herdistributie van de bestaande apparatuur in een aparte wet zal worden geregeld, waarna, hetzij bij deze nieuwe wet, hetzij op grond van artikel 43, 2de lid, van het onderhavige wetsontwerp, de artikelen 18 en volgende kunnen vervallen. Nu is dit art. 43 een hoogst eigenaardig artikel. Het luidt als volgt:

X C R „1 .

X C R Deze wet treedt buiten werking met ingang van een door Ons te bepalen tijdstip.

X C R 2.

X C R De bultenwerkingtreding kan voor bepaalde artikelen eerder worden gesteld dan voor de overige bepalingen der wet.

X C R 3.

X C R Van Ons besluit, als bedoeld in het eerste of tweede lid, geven Wij ten minste vier weken voor deszclfs inwerkingtreding kennis aan de Staten-Generaal."

X C R Reeds alinea 1 is merkwaardig.

X C R Immers, zijn wij gewend aan het slot van een wet steeds te lezen wanneer een wet in werking treedt, hier lezen wij in artikel 43, ten eerste, wanneer deze wet buiten werking treedt, en wel met ingang van een door de Kroon te bepalen tijdstip, d.w.z., dat dit tijdstip geheel aan de medewerking van de Shaten-Generaal is onttrokken. 49ste VERGADERING. — 26 JUN I 1947.

X C R Noodvoorziening Perswezen.

X C R De Staten-Generaal krijgen hoogstens kennis van zodanig besluit van buitenwerkingstelling der gehele wet, en wel 4 weken daaraan voorafgaande. Dit is een hoogst wonderlijke staatsrechtelijke structuur en een uitzondering op den gulden regel, dat een wet slechts door een latere wet, dus met volle medewerking der StatenGeneraal, haar kracht kan verliezen. Maar nog merkwaardiger is het tweede lid van dit artikel, dat de buitenwerkingstelling voor bepaalde artikelen eerder kan worden gesteld dan voor de overige bepalingen der wet. Niet alleen, dat de uitvoering van de wet, gelijk gewoonte en plichtmatig is, aan de Regering wordt overgelaten, neen, ' ook wordt aan de Regering overgelaten — want daarop komt het in feite neer —. bepaalde artikelen van de wet wel en andere niet toe te passen. De uiteindelijke regeling van het perswezen — gesteld, dat wij dit wetsontwerp aannemen — is dus ten slotte toch nog onttrokken aan de Staten-Gencraal en volledig gelegd in handen van de Regering. E n op dit allerwonderlijkst artikel beroept zich nu de Minister ter verklaring van zijn houding, dat hij artikel 18 en volgende niet onaannemelijk heeft verklaard.

X C R ,,Ik kom straks toch met een aparte wet" , aldus de Minister, ,,tot herdistributie van de bestaande apparatuur en dan kunnen de artikelen 18 en volgende geredelijk vervallen". Maar, Mijnheer de Voorzitter, dan heeft het ook geen zin deze artikelen thans eerst aan te nemen.

X C R Dit te meer, waar toepassing van artikel 18 en volgende de Regering voor grote moeilijkheden zal plaatsen.

X C R Ten einde dit te bewijzen, stel ik eerst vast van welke overwegingen de Regering bij dit wetsontwerp uitgaat.

X C R Ee n der voornaamste overwegingen — wij kunnen ons daarmede verenigen — is, dat zuivering der pers en persordening naar aard en bedoeling uit eikaar moeten worden gehouden. De perszuivering beoogt alleen en uitsluitend die elementen uit het Nederlandse perswezen te weren, die tijdens de bezetting hebben meegeholpen om de verzetsgeest te ondermijnen. Zij is dus zuiver een reactie, of nog liever gezegd een reactie vol drama's.

X C R De persordening — gelijk ik to recht in de Memorie van Antwoord lees — hangt samen met bepaalde opvattingen over persvrijheid en de vrijheid van den ondernemer — wat ons, Christelijk-historischen, zeer ter harte gaat —, waarbij nauwlettend acht moet worden geslagen niet in strijd te komen met onze Grondwet naar letter, historie en geest.

X C R Nu kan niet ontkend worden, dat in deze principiële overweging, —. die dezelfde is als die van de Regering en waarmee wij onze instemming betuigen — van het oorspronkelijke wetsontwerp artikel 18 volstrekt niet past, daar artikel 18 in haar practisehc toepassing een vermenging is van perszuivering en persordening en dus tot tal van practische moeilijkheden aanleiding zal geven.

X C R De voorstellers van het liquidatie-amendement hebben voorts gepoogd te realiseren, dat aan do illegale pers in de door den oorlog getroffen bedrijven een mogelijk-heid geboden moet worden, zich blijvend in hot bezit te stellen van zodanige technische outillages als voor die couranten nodig zijn, zulks ten koste van degenen, die gecollaboreerd hebben op persgebied. Hier neemt het liquidatie-amendement over de (aak van den strafrechter, daar in casti het tribunaal of het bijzonder gerechtshof de aangewezen gelegenheid is in zodanige, gevallen als waarom het hier gaat, tot verbeurdverklaring over te gaan.

X C R Do herdistributie van de technische outillages behoort o.i. niet gekoppeld te worden aan de zuivering.

X C R Ook processueel komen wij, bij toepassing van artikel 18 en volgende, voor zeer grote moeilijkheden te staan, zo wil in verband met de termijnen als in verband met den financiëlen kant van de zaak, gelijk een en ander van andere zijde dan de onze uitvoerig is uiteengezet in ons Voorlopig Verslag on ik dus om dos tijdswille bier niet behoef to herhalen. I n ons Voorlopig Verslag is de suggestie godaan een en ander alsnog door deskundigen te doen onderzoeken on de Ministor is op blz. 6 in zijn Memorie van Antwoord te recht op deze Suggestie ingegaan. Enerzijds toch bestaat het gevaar, dat bij practische verwerkelijking van artikel 18 en volgende in verband mot de

X C R

X C R 806

X C R 49ste VERGADERING . — 26 JUN I 1947.

X C R 425.

X C R (Pollema e. a.) uitschakeling van de Vorderingswet en de toepasselijk verklaring der Onteigeningswet, daar nu ook de volledige bedrijfsschade naast de vermogenswaarde der apparaten zal moeten worden vergoed, de ondernemingen, die gecollaboreerd hebben, in plaats van een straf een financieel voordeel voor hun misdragingen /uilen behalen. Ieder, die de toepassing van de Onteigeningswet voor den rechter enige mnlen heeft meegemaakt, zal moeten toestemmen, dat de daaromtrent in het Voorlopig Verslag gemaakte opmerkingen van andere zijde dan de onze volkomen juist zijn. Anderzijds bestaat het gevaar, dat de prijs, die dus de door den oorlog getroffen en de ex-illegale pers voor de getaxeerde waarde van gebouwen en apparatuur, inclusief de bedrijfsschade, za 1 moeten betalen, zo hoog is, dat deze prijs verre haar financiële draagkracht te boven zal gaan.

X C R Het staat dus voor mij allerminst vast of de voorstellers van het liquidatie-amendement, hoe begrijpelijk hun beweegreden ook is geweest, hun doel, dat zij zich voor ogen hebben gesteld, inderdaad zullen bereiken bij de practische uitwerking van dit artikel, Het wetsontwerp schept dus op dit gebied zovele onzekerheden, die thans niet te overzien zijn, dat wij bezwaarlijk onze stem hieraan zullen kunnen geven. "Wij geven er daarom de voorkeur aan, af te wachten liet wetsontwerp, dat de Regering bij monde van dezen Minister ten aanzien van deze materie heeft toegezegd.

X C R De Regering is de enige instantie, die na wikken en wegen van het voor en tegen, ook in verband met de herdistributie van het persapparaat, de financiële gevolgen ook voor den Staat kan overzien.

X C R Onzerzijds bestaan ook andere bezwaren tegen het wetsontwerp, van welke een der voornaamste is, dat het geen disculpatiegronden kent. Juist het uitsluiten van deze disculpatiegronden, wij delen daaromtrent volledig de mening van de leden, die op pagina 7 in ons Voorlopig Verslag aan het woord zijn, heeft mede ten gevolge gehad, dat de perszuivering zo onbevredigend is verlopen.

X C R Moge de mogelijkheid van het instellen van hoger beroep op zich zelf al een voordeel zijn, door het ontbreken der disculpatiegronden wordt de waarde van dit hoger beroep belangrijk verminderd en de toezegging van den Minister, bij de mondelinge beraadslagingen in de Tweede Kamer gedaan en in zijn Memorie van Antwoord aan deze Kamer herhaald, dat de commissie wel degelijk met algemene rechtsbeginselen kan rekening houden, is ons veel te vaag.

X C R Resumerende kom ik dus tot de conclusie, dat wij hier voor ons hebben een bij uitstek slecht wetsontwerp, waarvan op generlei wijze de draagwijdte is te overzien, gevolg van het feit, dat de Regering, in casu deze Minister, bij de. mondelinge beraadslaging in de Tweede Kamer niet weloverwogen een bepaalde gedragslijn heeft gevolgd, maar gezwicht is voor de klacht \a n toevallige meerderheden, slechts bijeengebracht, niet door een bepaald principe, maar door tal van feitelijkheden.

X C R Juist wanneer zulk een meerderheid in de Kamer dreigt te ontstaan en ontstaat, behoort een Regering, die waarlijk Regering wil zijn, zich Regering te betonen en het been stijf te houden.

X C R Deze Minister heeft, naar onze mening, bij de behandeling van het wetsontwerp in de Tweede Kamer gefaald door zich op het beslissende moment geen Regeringspersoon te tonen. Met bet vorenstaande, Mijnheer de Voorzitter, hebben wij onze bezwaren tegen het wetsontwerp nog niet volledig weergegeven. Wij willen er rekening mede houden, dat de tijd van de Kamer zeer beperkt is. Voorlopig verklaren wij daarom, dat wij juist op vorengenoemde gronden onze stem aan dit wetsontwerp niet kunnen geven.

X C R Kropman (De heer)

no member profile picture

X C R Mijnheer de Voorzitter! Mijn politieke vrienden en ik hebben dit wetsontwerp met wel zeer gemengde gevoelens ontvangen. Zij hebben kennis genomen van de wijze, waarop, en de sfeer, waarin het ontwerp in de Tweede Kamer is besproken, en het is hun een behoefte zich nadrukkelijk daarvan te distantiëren. Zij achten zich daartoe verplicht, omdat zij in deze Kamer de gebruikelijke serene rust willen behouden, die noodzakelijk is om een wetsvoorstel, en zeker een wetsNoodvoorziening Perswczen.

X C R (Kropman) voorstel als het onderhavige, te kunnen beoordelen. Wij hebben dit wetsontwerp te beoordelen los van wat Thorbecke noemde: den waan van den dag, los ook van wie weet welke achteraf liggende bedoelingen. Wij hebben voor ons dit wetsontwerp me t de daarbij behorende Memorie van Toelichting, het Voorlopig Verslag en de Memorie van Antwoord.

X C R Mijnheer de Voorzitter ! De gemengde gevoelens, waarover ik sprak, zijn uit verschillende overwegingen voortgekomen. Al heeft de Minister in zijn Memorie van Antwoord aan deze Kamer duidelijk en ruiterlijk uiteengezet, waarom deze Kamer in tijdnood is gekomen en al erkent de Minister met zoveel woorden — wat hem, als ik het zeggen mag, siert. —, dat de Eerste Kamer in een dwangpositie, is gekomen, dat neemt toch niet weg, al hebben wij dus voor deze erkenning waardering, dat er ternauwernood tijd is geweest voor de leden van deze Kamer om dit wetsontwerp te bestuderen, vooral nu door het ietwat zonderlinge amendement-Burger daarin een wijziging is aangebracht. Miinheer de Voorzitter! Als dit nu de eerste keer zou zijn, dat de Kamer nodeloos tot haastwerk werd gedwongen, dan zou de zaak nog anders liggen. U weet echter, dat dit niet het geval is. Herhaaldelijk hebt u, Mijnheer de Voorzitter, de klacht van leden dezer Kamer kunnen vernemen, en het is zojuist geschied door den geachten afgevaardigde den heer Pollema, dat de Regering bij de werkverdeling te weinig op de. cijfers van de klok let. Ik zeide: nodeloos. De Minister wist toch al zeer lang geleden, dat het ontwerp van wet moest komen. Hij wist ook niet van te voren, dat de Tweede Kamer ten slotte, hetgeen voor mij onbegrijpelijk is. dit ontwerp zonder hoofdelijke stemming zou aanvaarden. Hij weet ook nu niet of deze Kamer het ontwerp zal aanvaarden.

X C R Mijnheer de Voorzitter! De Minister komt nu, als deze Kamer het ontwerp niet zou aanvaarden, in moeilijkheden. De fatale termijn van het Persbesluit is 1 Juli 1947, dat is dus Maandag a.s. Dat weegt uiteraard voor mijn politieke vrienden en mij zwaar, maar de verantwoordelijkheid daarvoor ligt niet bij de Kamer, die ligt bij den Minister zelf. Ik hoop, dat het, als het wetsontwerp mocht worden aangenomen en ook als het niet mocht worden aangenomen, de allerlaatste keer zal zijn — en ik spreek hier mede namens mijn politieke vrienden —, dat de Eerste Kamer in een dwangpositie wordt gebracht, want anders vrees ik, dat onzerzijds met den een of anderen fatalen termijn geen rekening meer zal worden gehouden, onverschillig welk ontwerp van wet het ook zou betreffen.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Ik kom nu tot het wetsontwerp zelf, een wetsontwerp, dat volkomen te recht door den geachten afgevaardigde den heer Pollema een slecht wetsontwerp is genoemd. Reeds de naam is verkeerd! De considerans luidt, dat het Tijdelijk Persbesluit 1945 aanvulling en wijziging behoeft en dat het Ons daarom wenselijk voorkomt de voorziening met betrekkin™ tot de zuivering van het perswezen en de voorlopige vaststelling van de bevoegdheden van den Persraad in haar geheel opnieuw bij de wet te, doen geschieden. Dit ontwerp van wet. Mijnheer de Voorzitter, is dus een zuiveringswet, een perszuiveringswet. Nietemin zal deze wet, heten: Wet Noodvoorziening Perswezen, hoewel zij met het perswczen alleen te maken heeft in zooverre het perswezen gezuiverd moet worden. Met het perswezen als zodanig houdt de commissie-Pompe zich bezig, waarvan wij herhaaldelijk hebben gehoord, dat bet nog wel even duren zal, voordat, zij met haar werk gereed is. Mijnheer de Voorzitter! Met den Minister zijn wij hel eens, dat zuivering en ordening naar aard en bedoeling uit elkaar gehouden moeten worden. De Minister omschrijft in de Memorie van Antwoord de begrippen perszuivering en persordening op een wijze, waarmede wij ons kunnncn verenigen. Maar, Mijnheer de Voorzitter, dit is een reden te meer om deze wet niet te noemen „Noodvoorziening Perswezen", maar — wat zij in wezen is en bedoelt te zijn —: „Noodvoorziening Perszuivering" .

X C R Deze perszuivering, Mijnheer de Voorzitter, zou niet nodig geweest zijn, als de Nederlandse pers tijdens de bezetting den moed en het karakter had getoond van de illegale pers. U sta mij toe, Mijnheer de Voorzitter, dit ik een enkel woord over deze illegale pers zeg. Ik behoef er niet aan te herinneren hoe deze illegale pers een machtige steun is geweest, hoe zij het

X C R

X C R Vel 214 80 7 Eerste Kamer

X C R 42S.

X C R (Kropman) vertrouwen in de eindoverwinning heeft levendig gehouden en versterkt en hoe 'zij dit gedaan heeft onverschrokken en zonder ophouden en helaas met het offer van heel wat mensenlevens, leder van ons weet, Mijnheer de Voorzitter, van hoeveel betekenis die illegale pers voor ons is geweest, en ik heb er dan ook behoefte aan, haar van deze plaats mede namens mijn politieke vrienden hulde te brengen en dank te betuigen. De Londense Regering heeft aan de illegale pers bepaalde toezeggingen gedaan, toezeggingen, die door de Regering-Schermerhorn zijn bevestigd en die, naar ik meen, ook door deze Regering zijn overgenomen. Ik ben van mening, dat er nu eindelijk eens zekerheid moet komen omtrent die toezeggingen en omtrent de voldoening aan die toezeggingen. He t Nederlandse volk is — en zal het altijd blijven — dankbaar jegens de illegale pers, die zijn dagelijks leed tijdens de bezetting heeft verlicht. He t is begrijpelijk, dat die dankbaarheid wordt getoond in daden, en daarom vraag ik: welke daden van dankbaarheid en waardering jegens de illegale pers zijn van deze Regering te verwachten? Het spreekt vanzelf, dat het niet voldoende is, dat de Minister in zijn Memorie van Antwoord instemt met het eresaluut aan de illegale pers. Een eresaluut van deze Regering is ongetwijfeld zeer belangrijk, maar het komt mij voor, dat de Regering daarmee niet kan volstaan. Wij zouden er prijs op stellen, indien de Minister op deze vraag: op welke wijze zult gij deze belofte inlossen? een concreet antwoord zou willen geven.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Wanneer ik nu het ontwerp nader bezie, dan treft het mij, dat in art. 2 wordt bepaald, dat:

X C R ,,hij, die in een journalistieke functie gedurende de vijandelijkheden in, of tijdens de vijandelijke bezetting van het Rijk in Europa zijn taak op zoodanige wijze heeft vervuld, dat mede daardoor nationaal-socialistische beginselen of denkbeelden, dan wel ideologieën van den vijand ingang zouden hebben kunnen vinden" — dat staat er letterlijk — ,,kan worden ontzet van het recht om in eenige journalistieke of leidende niet-journalistieke functie in het perswezen werkzaam te zijn.'' Mijnheer de Voorzitterl I n ons Voorlopig Verslag is in verband met deze redactie er op gewezen — zoals ook de geachte afgevaardigde de heer Pollema zo juist heeft gedaan —, dat clisculpatiegronden blijkbaar zijn uitgesloten. Nu zegt de Minister: lees mijn rede in de Tweede Kamer. Daarbij verzekert hij, dat de Perszuiveringscommissie wel degelijk met algemene rechtsbeginselen rekening houdt. Ik zou willen vragen: hoe weet Zijne Excellentie dat ? De Minister zegt wel, dat het niet noemen van disculpatiegronden geenszins impliceert, dat de commissie geen rekening mag houden met bijzondere omstandigheden, maar waarom zijn dan die bijzondere omstandigheden, die algemene disculpatiegronden niet in het artikel met zoveel woorden opgenomen? Zoals het artikel op het ogenblik luidt, is de commissie niet verplicht rekening te houden met bijzondere omstandigheden. Als de commissie maar overtuigd is, dat één of meer courantenartikelen zo zijn geschreven, dat nationaal-socialistische beginselen of ideologieën ingang — niet hebben gevonden, maar — zouden hebben kunnen vinden, onverschillig dus of het gevolg is ingetreden — voldoende is, dat het gevolg had kunnen zijn ingetreden —, is zij bevoegd tot een dergelijk ernstig ingrijpen als de ontzetting van recht. Wij zijn het helemaal eens met den Minister, dat aan de pers, omdat zij pers is, strengere maatstaven moeten worden aangelegd dan aan dé kunst of het bedrijf. Daaromtrent bestaat bij ons geen enkel verschil van mening. Wij hebben er geen enkel bezwaar tegen, dat tegen perscollaboratcurs strenge en harde maatregelen worden genomen. Ook daaromtrent bestaat geen enkel verschil van mening. Maar ook do meest ernstige perscollaborateurs of liever de man, die van perscollaboratie wordt verdacht, heeft het recht„ zich te beroepen op disculpatiegronden. Of de commissie die gronden zal accepteren, is een andere zaak, maar aan dat recht mag jegens niemand, dus ook niet jegens hem, worden getornd.

X C R Naar mijn mening had de commissie verplicht moeten worden, zich rekenschap te geven van het al of niet bestaan en dé betekenis van die disculpatiegronden. Nu kan de Minister wel zeggen, dat de Perszuiveringscommissie dat natuurlijk doet, Handelingen der Staten -Generaal, ^-> 1946—1045. — J. 49ste VEEGADEBING . — 20 JUN I 1947.

X C R Noodvoorzicniug Perswezen.

X C R maar, Mijnheer dr Voorzitter, hoe belangrijk de ministeriële verklaring zijn moge, aan de verklaring en verzekering is de commissie niet gebonden.

X C R Zij is, zoals artikel 2 luidt, bevoegd alleen al op grond van het „ingang zou hebben kunnen vinden" over te gaan tot ontzetten van recht.

X C R He t tweede bezwaar tegen deze redactie is, dat de verdac-hte wordt ontzet van recht, niet omdat hij iets heeft gedaan; daarvoor wordt hij niet ontzet van het recht. Of hij iets heeft gedaan opzettelijk of met schuld, daarover oordeelt de commissie niet. -Met andere woorden: niet in den persoon van den dader wordt het tuchtrechtelijk element gevonden, niet in den verdachte zelf, maar in den persoon van derden, in de lezers van het blad, laten wij zeggen: in de gemeenschap. Als bij die lezers, die gemeenschap, door een of ander artikel nationaal-socialistische denkbeelden of ideologieën — niet ingang hebben gevonden, maar — ingang zouden hebben kunnen vinden, kan de verdachte reeds woidrn ontzet van recht.

X C R Nu acht ik die verlegging van accent van den dader zelf naar derden toch wel buitengewoon gevaarlijk. Ik vraag mij af of deze gevaarlijke redactie alleen maar is een inelegantia of dat wij hier hebben te maken met een zeer bedenkelijke geestesrichting, met een verwaarlozing van het grote goed van de persoonlijke rechtszekerheid, me t het geven van een allesbeheersende invloed aan het door de Duitsers geïmporteerde Volksempfinden. Daartegen zou ik met alle klem willen waarschuwen. He t is herhaaldelijk voorgekomen — althans bij mij —, dat men zich bij het bestuderen van wetten of wetsbesluiten moest afvragen: is dit een overblijfsel uit de tijd van Sevss-Inquart ? led ereen begrijpt, dat do vrijheid van het individu in dezen tijd moet worden ingeperkt ten behoeve van de gemeenschap, maar die inperking moet dan toch gebeuren met de nodige waarborgen tegen willekeur, met inachtneming van de rechten van den mens, met de normen van rechtvaardigheid en niet alleen met nonnen van doelmatigheid. Mijnheer de Voorzitter! Ik wijs u — u kent het natuurlijk — op het artikel in het ,,.Juristenblad" van 24 Mei 1947, waarin prof. van Oven zeer behartigenswaardige woorden heeft "CBchreven. Men ga maar eens na wat'i n de laatste tijd^is bepaald ten aanzien van de vordering van woonruimte, de onteigening in het belang van den wederopbouw, de toewijzing van onroerende goederen ten behoeve van den wederopbouw en tal van andere onderwerpen!

X C R Ik heb vóór mij het Staatsblad no. F 67, bevattende het beshut van 7 Mei 1945, houdende voorzieningen betreffende den wederopbouw van het grondgebied van het Rijk in Europa Artikel 28 daarvan bepaalt:

X C R ,,In allo moeilijkheden, welke zich bij de uitvoering van dit besluit mochten voordoen, wordt voorzien door het College.".

X C R E n dan volgt:

X C R „Rechtsvorderingen tegen deze voorzieningen worden met toegelaten. ' Hoe ver zijn wij verwijderd van de rechtsstaat! U begrijpt, dat, wanneer ik deze en dergelijke wetten of wetsbesluiten lees, ik mij wel eens fluisterend — want het is Duits — permitteer oen variant op hetgeen Gretchen zei tegen Faiist: as sagt Herr Ihtle r auch, nur mit ein bischen-anderen Worten' ik «il maar zeggen, dat in dit artikel 2 èn wegens het ontbreken van disculpatiegronden èn omdat het beslissende moment ligt met bij de verdachte, maar bij derden, ooi- al weer elementen liggen, die ons herinneren aan een tijd, waaraan wij hever niet worden herinnerd.

X C R U voelt wel, Mijnheer de, Voorzitter, dat de bezwaren van mijn vrienden en mij tegen dit wetsontwerp niet gerin- zijn maar ter wille van de verschillende toezeggingen, diod e Minister gedaan heeft, en uiteraard omdat ook in het nieuwe ontwerp een hoger-beroep-instantie is ingesteld, zouden wij nog bereid zijn zij het node, dit wetsontwerp te aanvaarden ware het met, dat het wetsontwerp volkomen bedorven is door het amendement-Burger.

X C R

X C R 808

X C R 49stc VERGADERING. — 26 JUN I 1947.

X C R 425.

X C R (Kropman) Mijnheer de Voorzitter! Ik zou daarvan iets willen zeggen en ik doa dat met schroom tegenover deze Minister, maar ik ben zo vrij om mijn woorden via u mede te richten aan het adres van ons zustercollege.

X C R Dit wetsontwerp beoogt perszuivering; het beoogt de perscollaborateurs tuchtrechterlijk aan te pakken. Wij gaan daarmee natuurlijk akkoord. Het spreekt voor ons vanzelf, dat de perscollaborateur ernstig moet worden gestraft, juist omdat hij persoollaborateur is, het verzet tegen de vijand ernstig verzwakt heeft en de invloed van de illegale pers heeft tegengewerkt. Nu is gebleken, dat uitspraken van de Perszuiveringscommissie door de delinquenten, zoals men dat noemt, worden gefrustreerd, m.a.w. dat deze delinquenten op allerlei manieren trachten — en daarin ook slagen — aan de gevolgen van de uitspraken van die commissie te ontkomen. Natuurlijk is het noodzakelijk, dat daartegen onverwijld maatregelen worden genomen. He t is dan ook juist — het is helaas het enige juiste —, dat boven § 3 te lezen staat: Maatregelen ter verzekering van de zuivering van het perswezen. Daarmede worden bedoeld maatregelen om te voorkomen, dat beslissingen van de Perszuiveringscommissie zullen worden gefrustreerd.

X C R Maar, Mijnheer de Voorzitter, wanneer wij nu die elf artikelen lezen, dan — het woord is niet te sterk — rijzen ons de haren te berge. De perscollaborateur, een man, die gecollaboreerd heeft via de pers, een machtig nationaal wapen, die collaborateur, die zich vervolgens onttrekt aan de beslissing van de commissie, zal zich, naar ik meen, de handen wrijven, als deze bepalingen op hem worden toegepast. Hij komt ongeveer in dezelfde positie te verkeren als iemand, die onteigend wordt: zo iemand is in de meeste gevallen — niet in alle — een zeer tevreden en gelukkig personage. Hij wordt benijd door zijn buren.

X C R He t komt herhaaldelijk voor, dat zijn buren bij de officiële instanties komen met het verzoek om ook onteigend te mogen worden. Wat zal nu gebeuren, als deze artikslen toegepast worden? De frustrerende perscollaborateur krijgt als eerste onderscheiding een bezoek van den Minister, misschien niet Aan den -Minister persoonlijk, maar dan toch van diens ambtenaar. En die ambtenaar onderhandelt met den perscollaborateur. De Regeringsambtenaar zegt niet togen hem. indien gij doorgaat met de uitspraak van de commissie te frustreren, gaat gij naar de gevangenis. Neen, de ambtenaar van den Minister vraagt of hij voor den Slaat der Nederlanden misschien de zaak niet zou kunnen kopen en hoeveel de perscollaborateur daarvoor dan zou moeten hebben. Als die perscollaborateur niet achterlijk is, en dat is hij meestal niet, weigert hij iedere minnelijke overeenkomst met den Minister. Wolk een figuur voor den Minister' Nu begint het spel. De Minister plaatst in de Nederlandse Staatscourant een mededeling, dat hij voornemens is tot vordering van de bezittingen, waarvan sprake is in art. 18, over te gaan. Dat kunnen roerende zaken zijn en dat kunnen onroerende zaken zijn. Laten wij nu eens aannemen, dat het roerende zaken zijn. De Minister gaal DU over tot dagvaarding voor de arrondissementsrechtbank. Hier wreekt zich, dat de heren van het amendenieii1 herhaaldelijk naar de. onteigeningswet gegrepen hebben en de redactie van verschillende artikelen van de onteigeningswet klakkeloos hebben overgenomen, wel met de woorden „overeenkomstige toepassing", maar ten slotte toch hebben overgenomen. Nu moet men zich eens voorstellen, dat de Minister van plan is niet te vorderen, maar medegedeeld heelt in de Nederlandse Staatscourant, dat hij voornemens is bepaalde roerende goederen te vorderen. Wat gaat er dan gebeuren? De Minister gaat dagvaarden voor de arrondissenientsreelibank, binnen welker rechtsgebied zich die roerende goederen bevinden. Die perscollaborateur zal, zodra hij de mededeling in de Staatscourant gelezen heeft, als het roerende goederen zijn, zijn risico gaan verdelen en die roerende zaken onderbrengen in verschillende arrondissementen, hetgeen even zovele dagvaardingen nodig maakt en even zovele rechtbanken aan het werk zet. Of hij zal kat-en-muis spelen met de deurwaarder en als die komt, zorgen dat zijn goed net even te voren naar een ander arrondissement verhuist. Dat zal hij te eer doen, omdat hij de proceskosten niet behoeft te betalen. Maar ik laat de scheiding tussen roerende en onroerende goederen even los; ik kom. straks op de onroerende goederen terug, omdat daarbij Noodvoorziening Perswezen.

X C R zich weer andere moeilijkheden voordoen. Nu wordt dus de dagvaarding uitgebracht. Geen dagvaarding, zoals men dat in de onteigeningswet leest, ten einde de onteigening te horen uitspreken en het bedrag der schadeloosstelling te horen bepalen. Neen, hoewel aanhoudend gesproken wordt over onteigening, er is hier geen onteigening, er is alleen maar een voornemen tot vordering van de bezittingen. E n van die rechtbank wordt ook niet gevraagd sanctie op het mogen vorderen, maar alleen het bedrag van de schadeloosstelling te bepalen. Waarvan? Ik vestig er de aandacht op, dat het anders is dan bij de onteigeningsprocedure. Er wordt in dit geval niet onteigend. Er wordt alleen een schadeloosstelling gevraagd, niet omdat de bezittingen ten behoeve van de Staat in eigendom worden gevorderd, ook niet omdat gevorderd zal worden, maar omdat de Minister van plan is te vorderen. Artikel 20, lid o, zegt, dat de Minister tot staving — de humor is hier niet afwezig; u moet u indenken, Mijnheer de Voorzitter, dat het gaat tegen een perscollaborateur — van zijn eis — de cis dus, dat aan de perscollaborateur een schadeloosstelling zal worden uitbetaald! — overlegt een exemplaar van de Staatscourant, waiarin het voornemen tot vordering openbaar is gemaakt. De Minister is bevoegd tot vordering over te gaan, hij kan het ook nalaten. Als hij het doet, kan hij minder vorderen dan waartoe hij het voornemen had. De vordering kan hij pas doen drie maanden nadat het vonnis, waarbij de schadeloosstelling b vastgesteld door de rechtbank, in kracht van gewijsde is gegaan, na eventuele cas eatie.

X C R Bij onteigening wordt de waarde van het onteigende goed bepaald naar de dag van het vonnis, waarbij de onteigening wordt uitgesproken. In dit geval zal de rechtbank voor de moeilijke taak staan de waarde te bepalen een maand of vijf vóórdat de eigendom gevorderd wordt of liever misschien gevorderd wordt.

X C R Er komt echter nog iets belangrijks bij. Ik vraag mij a£ of — dit is wellicht enigszins processueel, doch ik meen het toch hier te berde te mogen brengen; het is een juridische puzzle — het voornemen om te vorderen een rechtsfeit is, dat noodzakelijk bestanddeel van de dagvaarding is.

X C R De Minister zegt in de Memorie van Antwoord, dat in de Staatscourant uiteraard worden vermeld de bestanddelen, waartoe de voorgenomen vordering zich zal uitstrekken. Dit is de moeilijkheid niet, Mijnheer de Voorzitter! Dit spreekt vanzelf. Als hij vorderen wil, dan spreekt het vanzelf, dat hij weet wat hij vorderen wil. De moeilijkheid is echter of de rechter een voornemen tot vordering zal beschouwen als een rechtsfeit, dus als middel, dat volgeus artikel 5, ten derde, van het Wetboek van Rechtsvordering in de dagvaarding op straffe van nietigheid moet worden gesteld. Ik vrees van niet, ik vrees, dat de rechter de dagvaarding zal moeten beschouwen als, wat men noemt, een obscuur libel. U zult bemerken, Mijnheer de Voorzitter, ik ben soepel genoeg, want ik wil aannemen, dat de rechtbank tegen een dagvaarding geen bezwaar zal hebben. Dan komt de gehele onteigeningsprocedure in werking. Bij interlocutoir vonnis benoemt de rechtbank de rechter-commissaris en de deskundigen. De zaak wordt bezichtigd. De partijen worden gehoord; zij brengen nota's uit aan de deskundigen, waarin ieder naar zijn standpunt de som, die bij de poging tot minnelijke overeenkomst is geboden, öf juist vindt, öf veel te laag. De belanghebbenden worden gehoord en ten slotte brengen de deskundigen hun advies aan de rechtbank uit. De rechtbank spreekt het vonnis uit. Als het een grote onderneming betreft, duurt dit, zoals in het Voorlopig Verslag is opgemerkt, enkele jaren. Ik zal u uitleggen waarom, Mijnheer de Voorzitter. De Minister schijnt het niet te willen geloven. Hij zegt in de Memorie van Antwoord: Artikel 2-1 van de onteigeningswet bepaalt toch, dat de rechtbank zaken aangaande onteigening te algemene nutte vóór elke andere zaak behandelt.

X C R Dal is juist, maar de Minister vergeet, dat dit betreft niet het eindvonnis, doch het interlocutoir vonnis, waarbij de rechtercommissaris en de deskundigen worden benoemd. Daarna gaan de deskundigen aan het werk; tussen de dag van het interlocutoir vonnis en de dag van het eindvonnis kunnen — de praetijk heeft het. maar al te duidelijk aangetoond en menig burgemeester, die hier deel uitmaakt van deze vergadering, zal het kunnen beamen — jaren en nog eens jaren verlopen.

X C R

X C R 809

X C R 425.

X C R (Kropman) Voorts zegt de Minister: Jawel, maar ik kan ten minste voorlopig in bezit nemen. Mijnheer de VoorzitterI Ik ben daar nog niet zo zeker van. De Staat kan bij inleidende dagvaarding inderdaad mededelen, dait hij het recht wenst te verkrijgen tot. voorlopige inbezitneming, maar of de Staat dat recht verkrijgt, maakt de president van de rechtbank uit, nadat de vereiste zekerheden door de Staat zijn gesteld. Dan verleent de president van de rechtbank het recht, maar bij deze vordering krachtens deze wet kan hij het ook weigeren. Waarom — ziedaar weer een ellendig gevolg van het feit, dat de voorstellers van het amendement de tekst hebben vastgekoppeld aan de Onteigeningswet — kan hij dit recht bij onteigening verlenen ? Omdat op het tijdstip, waarop hij dat recht verleent het vaststaat, dat de vordering tot onteigening zal worden toegewezen. In ieder onteigeningcvonnis staat als rechtsoverweging, dat ten aanzien van de gevraagde onteigening alle wettelijke formaliteiten zijn vervuld, zodat de vordering voor toewijzing vatbaar is. Dat onteigend zal worden in een onteigeningsprocedure staat dan ook al vast, vóórdat de deskundigen worden benoemd. Bij de onderhavige procedure staat echter nog niet vast, dat er gevorderd zal worden. De Minister is pas bevoegd te vorderen binnen 3 maanden, nadat de schadeloosstellingsprocedure in kracht van gewijsde is gegaan. He t is m.i. dan ook zeer de vraag of de president van de rechtbank, nu het niet vaststaat, dat zal worden gevorderd, het recht tot voorlopige inbezitneming krijgt. Wa t heeft de Staat daaraan? Welk voordeel is daaraan voor de Staat verbonden? De Staat mag de in bezit genomen goederen natuurlijk niet gaan verkopen, want de Staat is nog geen eigenaar. De Staat wordt pas eigenaar, als er gevorderd is, dat wil dus zeggen enige jaren na de daigvaarding. Bovendien mag de Staat de in bezit genomen goederen niet verkopen, omdat in een van de artikelen staat, dat, wil hij dat doen, hij het moet doen via! een liquidateur, en deze wordt krachtens artikel 27 benoemd bij de vordering, d.w.z. 3, 4 jaren na: de inleidende dagvaarding. Daaraan heeft de Staat dus niets.

X C R Nu zie ik af van tal van complicaties, die zich kunnen voordoen, bijv. als de pers-collaborateur de goederen inmiddels verhuurd heeft en de huur nog doorloopt. Allerlei prachtige juridische puzzles, die te ingewikkeld zijn om deze hier uiteen t-e zetten. Maar laten wij afzien van alle complicaties en aannemen, dat de goederen niet verhuurd, maar vrij zijn. Laten wij aannemen, dat de Staat tot de illegale pers zegt: ik zal ze u verhuren. Verhuren tegen welken huurprijs? Als wij dat naigaan, opent zich weer een nieuwe afgrond. Bij deze wet geldt abyssus abyssum invocat! Wan t om den huurprijs te bepalen, moet de waarde worden vastgesteld. Mag ik eens een enkel voorbeeld noemen, dat u kent, Mijnheer de Voorzitter, daarvan ben ik overtuigd. Stel nu eens, dat de Minister ten bate van welk blad dan ook of helemaal niet ten bate van een blad, er toe overgaat een rotatiepers te vorderen. Een rotatiepers kent u wel. Wij hebben allen wel eens gewandeld langs een persgebouw. Men ziet beneden een geweldige machine staan, wgnrin het papier aian de enen kant wordt ingeschoven en er aan den anderen kant als krant uitkomt. Die rotatiepers is op zich zelf een roerend goed. Maar als men dat roerend goed gaat bekijken, ziet men dat het met klampen, bouten en misschien wel met beton — maar dit weet ik niet zeker, ik ben geen deskundige — aan den grond vastzit, d.w.z. dat de rotatiepers van roerend goed wordt een onroerend goed door bestemming.

X C R Nu zegt de eigenaar, de perscoHaboratcur, de man, die gefaald en ernstig gefaald heeft: gelukkig, de Minister wil de rotatiepers hebben, dan is hij gedwongen niet alleen de rotatiepers, maar het gehele gebouw te vorderen, het gebouw niet alle zetmachines, linotypen, enz. Het ongeluk is nl., dat de heren van het amendement artikel 38 van de Onteigeningswet toepasselijk hebben verklaard. In dat artikel wordt bepaald, dat gebouwen, van welke een gedeelte onteigend wordt op vordering van den eigenaar, door de onteigenende partij geheel moeten wonlen overgenomen!

X C R Ik herinner aan liet bekende stoepenarrest. Er was een geïneente, ik .meen den Haag, die een hoge stoep wilde onteigenen. De eigenaar eiste toen, dat hef gehele huis zou worden onteigend, hetgeen de rechtbank niet nodig achtte, want dit behoefde alleen te geschieden „wanneer door de onteigening 49ste VERGADERING . — 26 JUN I 1947.

X C R Noodvoorziening Perswezen.

X C R van een gedeelte het overblijvende ongeschikt zou worden om met vrucht op de oude wijze te kunnen dienen".

X C R De eigenaar ging in cassatie en de Hoge Raad heeft op 18 Januari 1922 beslist:

X C R „Juis t uit de tegenstelling met de regeling voor de erven in het tweede en derde lid van dit artikel blijkt, dat de wetgever bij gebouwen de bevoegdheid om overname van het geheel te vorderen altijd heeft willen geven."

X C R De Minister kan dus m.a.w. zeggen: ik vorder alleen maar de rotatiepers of alleen maar een zetmachine, doch wanneerdeze rotatiepers of deze zetmachine — en dat is altijd het geval — aan den grond vastzit, is hij verplicht het gehele gebouw te vorderen. Ziedaar een van de vele ongelukken, die met dit amendement ontstaan zijn. Wanneer men bovendien weet, dat behalve de vermogensschade ook de bedrijfsschade moet worden vergoed, een bedrijfsschade welke onder bepaalde omstandigheden enige malen groter kan zijn dan de vermogensschade, wanneer men verder weet, dat bij den verkoop der bezittingen de koopprijs zoveel mogelijk gelijk moet zijn aan de som van ke kosten, die de Staat heeft moeten maken, nog wel vermeerderd met de rente, dan behoef ik niet uiteen te zetten, dat er van huur geen sprake kan zijn, als deze ten minste in enige verhouding moet staan tot de waarde van de goederen.

X C R Ik geef toe, dat er nog enkele andere onvolkomenheden in de wet staan, maar om de Kamer niet langer bezig te houden, laat ik ze onbesproken. Ik meen, dat hetgeen ik heb opgemerkt méér dan voldoende is om te constateren, dat dit een slechte wet is. Dit is een monstrum van wetgeving en als men gemeend heeft, dat door deze wet de illegale bladen geholpen kunnen worden, dan meen ik' te hebben aangetoond, dat zij niet geholpen worden en dat de heren van het amendement de illegale bladen hebben blij gemankt met de legendarische dode mus. Mijn politieke vrienden en ik achten het een plicht van dankbaarheid, dat de illegale bladen worden geholpen, maar zij zijn overtuigd, dat zij door toepassing van deze wet niet geholpen worden. He t ergste is de lachende derde. De lachende derde is de perscollaborateur. Hij begint met recht te krijgen op 5 pet. van de rente, wanneer er voorlopig in bezit genomen wordt, rente, die begint te lopen van den datum van het interlocutoire vonnis tot aan de uitbetaling van de schadeloosstelling. De heren van het amendement hebben alweer niet vergeten om ook artikel 54h van toepassing te verklaren ! Dan ontvangt hij de schadeloosstelling voor de vermogensschade, schadeloosstelling voor de bedrijfschade en misschien ook, dat hangt van de omstandigheden af, voor nog enkele andere schadefactoren. E n dat ontvangt hij allemaal, omdat hij de uitspraak van de Porszuiveringscoanmissie ontduikt ! In ons Voorlopig Verslag wordt er te recht op gewezen, dat deze bepalingen, die door het amendement in het wetsontwerp zijn gekomen, een premie zijn op de ontduiking van de uitspraken van de Perszuiveringscommissie en een uitlokking aan hen, die die uitspraken nog niet hebben ontdoken om dit alsnog te doen.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Nu komt de historische vraag: Wat nu ? Verwerping van deze wet betekent, dat de Minister of moet zorgen, dat er vóór a.s. Maandag een wetje tot stand komt tot verlenging van den termijn van het wetsbesluit in zake de zuivering — en ik acht dit mogelijk; er zijn wel meer wetten binnen 24 uur ingediend en tot sta?id gekomen; wij zullen dan misschien Zaterdag of Maandag moeten vergaderen — óf er ontstaat ecu vacuüm, waarvan de duur niet lang behoeft te zijn, want het is misschien mogelijk, dat er een verlengingswetje komt, dal terugwerkende kracht heeft. Maar daartegenover staal iets anders, nl. de vraag, die ik mij in uilen ernst lub gesteld: Mag deze Kamer een wel laten passeren, die precies het tegenovergestelde bepaalt van hetgeen werd beoogd. Ik meen, Mijnheer de Voorzitter, dal u bij de aanvaarding van uw ambt ons er met name aan hebt herinnerd, dat deze Kamer is een Kamer van revisie. Voor mijn politieke vrienden en mij is liet duidelijk, dat dit ontwerp van wet de revisie niet kan passeren. Aan de wet ontbreken, ten gevolge van de 11 artikelen van het amendement, de allereerste vereisten van een wet. d.w.z. dat d,- wet bepaalt wat zij beoogt en daarin schiet dit ontwerp van wet op

X C R

X C R 810

X C R 40ste VERGADERING . — 26 JUN I 1947.

X C R 425.

X C R (Kropman e. a.) schromelijke wijze tekort. Natuurlijk, de Minister had dit amendement onaanvaardbaar moeten verklaren. .Maar nu Zijne Excellentie dit niet heeft gedaan, behoort naar de mening van mijn politieke vrienden en mij de Eerste Kamer haar ondankbare, maar noodzakelijke taak te verrichten en het ontwerp, tenzij de Minister onze bezwaren zon kunnen ontzenuwen, af te wijzen.

X C R Algra (De heer)

no member profile picture

X C R Mijnheer de Voorzitter! Wanneer zich bij de behandeling van dit wetsontwerp van ons een zeker gevoel van onbehagen meester maakt, dan is dit ook, maar niet alléén, om den tijdnood, waarin wij verkeren. Dat neemt niet weg, dat ik mij gaarne aansluit bij de vorige geachte sprekers, en ook namens mijn fractie wil verklaren, dat do dwangpositie, waarin wij door den tijdnood zijn gekomen, voor ons wel zeer moeilijk te dragen is. Wanneer een dergelijke situatie bij herhaling voorkomt, dan is het moeilijk om van de Kamer nog te verwachten die geforceerde medewerking, die zij ook ditmaat heeft getoond door b.v. het Voorlopig Verslag op liet stellen in een tempo, zoals dit eigenlijk niet kan en mag worden gevraagd.

X C R Dit gevoel van onbehagen, Mijnheer de Voorzitter, is er ook t.o.v. liet beleid van den .Minister. Ik geloof niet, dat men, hoe complimenteus men ook zou willen zijn, kan zeggen, dat de Minister zich bij de behandeling van deze materie in de Tweede Kamer getoond heeft een vaardig ruiter op het legislatieve paard, die alle hindernissen foutloos heeft genomen. Althans op mij heeft zijn optreden soms meer den indruk gemaakt van het debuut van een Zondagsruiter, waarbij verschillende belangstellenden trachtten het beest bij den teugel te grijpen, wat in de buurt van den teugel tot enig tumnlt aanleiding gaf. Ik geloof intussen, dat het billijk is, ook het volle recht te lat' a wedervaren aan de verontschuldiging, dat wij hier te maken hebben met een zeer moeilijke materie; moeilijk uit technisch oogpunt, maar ook omdat het niet gemakkelijk is, de begrippen zuivering, straf en ordening uit elkaar te houden. Dit gevoel van onbehagen is echter, wat mij persoonlijk betreft, nog veel groter in ander opzicht, nl. waar in verband met de behandeling van dit ontwerp van verschillende zijden opvattingen naar voren zijn gekomen, die ik als zeer betreurenswaardig moet veroordelen.

X C R Mijnheer de President! Do houding van een groot deel der Nederlandse pers tijdens de bezetting is ergerlijk geweest en gevaarlijk. Het spijt mij. dal reeds buigen tijd — al werd dan dat ergerlijke nog wel erkend — men zich uitputte, om te betuigen, dat het gevaarlijke toch niet behoefde te worden erkend. .Men zei: er was wel gebrek aan stijl, aan fierheid, maar het was toch geen eigenlijke collaboratie, want het kon geen kwaad; de mensen geloofden toch niet, wat in de pers stond, of zij lazen wel tussen de regels door, en dergelijke verontschuldigingen.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Ik geloof, dat ik weinig tegenspraak in deze Kamer zal ontmoeten, wanneer ik zeg, dat dergelijke beweringen pertinent onwaar zijn. liet kon wel degelijk kwaad en het heeft ontzaglijk veel kwaad gedaan. Wie onder het volkheeft gewerkt om den geesl van het nationaal verzet te versterken en wie dus in dat opzicht zijn eenvoudiger! plicht heelt gedaan, weet uit bittere ervaring, dal de bovengrondse pers den geesl van ons volk beeft gecorrumpeerd. Telkens stuitte men'o p wantrouwen jegens de eigen begering. telkens boorde men de ingenomenheid met verschillende maatregelen van den bezetter, vooral wanneer men daarin direct voordeel zag, en in iedere discussie over deze onderwerpen argumenteerden zij, die den zuiveren nationalen koers hadden verlaten, uit de bovengrondse 1 J- -i's. Daar vonden zij het arsenaal voor al de argu, nten, die /.ij moi sti n gebruiken om bun onnationale houding m te N( .e:.: ' en. 11; geloof den eek, Mijnheer de President, dat. wanneer de vijand ui. t dooi n opeenstapeling van domheden en wreedheden zeil dien Eunesten invloed van de pers weer had verzwakt, maar wanneer niet bovenal de ondergrondse p v00 r had . i , ,rgd, dat de nationale gei s< e: di c ons volk levend wer( ] gehoudi n, dan de invloed van die bovengrondse |> rs, oio j c h n e t i I in. ster z< u zijn g< weest.

X C R B Xn ,... mij kwalijk, mij met veel woorden aan te sluiten bij de hulde, i li g< achte vorige spreker bracht aan het voortreffelijke werk — zoals hij bet heeft geformuleerd van de ondergrondse pers. Om persoonlijk.' redenen kan ik daarover moeilijk veel zeggen, maar ik geloof, dwat het wel op mijn Noodvooi'ziening Perswezen.

X C R (Algra) weg ligt, mij hier met grote nadruk aan te sluiten bij de hulde jegens de drukkers, die hebben gezorgd voor het drukken van onze illegale bladen. Immers het risico, dat zij hebben gedragen, is veel groter geweest dan het risico van hen, die de stukken hebben geschreven. De houding van de bovengrondse pers is inderdaad beschamend voor ons volk. Juis t in de sfeer van de behandeling van dit wetsontwerp hebben wij niet alleen ontmoet de ontkenning van het gevaar, dat men daarmede over ons volk heeft gebracht, — die ontkenning was dikwijls een verontschuldiging, waarmede men zich tijdens de bezetting, wanneer het geweten begon te spreken, had gepaaid —, maar hebben wij ook gekregen — en ik acht het verbijsterend — de verklaring, dat juist de mensen van de bovengrondse pers de helden zijn geweest, zodat men kon zeggen: Holland op zijn best.

X C R Wanneer men dergelijke dingen hoort — en daardoor wordt juist het onbehagen bij de behandeling van dit ontwerp het grootst — en wanneer men hoort, dat de mensen van de illegale pers zich hadden verstoken in bomvrije kazematten en dat de mensen van de bovengrondse pers als tirairleurs in het open veld den strijd tegen den vijand hadden aangebonden, dan wordt de ernst van het kwaad in zijn vollen omvang openbaar. Wanneer men aanneemt, dat dergelijke drogredenen door het Nederlandse volk zullen worden geaccepteerd, wanneer men meent, dat door zulk een verering van den ingebeelden heldenmoed van de bovengrondse pers het Nederlandse volk onder den indruk zal geraken, moet men toch nooit weer komen met de verklaring, dat dat zelfde publiek, waarvan men verwacht, dat het deze argumentatie zal slikken, wel in staat is geweest in de gelijkgeschakelde pers z.g. tussen de regels te lezen.

X C R Inderdaad, hier hebben wij wel te maken met een Umwcrtung der Werte. He t doet mij genoegen, dat wij hiervoor geen Nederlandse term hebben, maar het doet mij nog meer genoegen, dat wij kunnen zeggen, dat dergelijke argumenten ter disculpering van de bovengrondse pers aan deze zijde van het Binnenhof gelukkig geen enkele weerklank hebben gevonden.

X C R Intussen zijn in het Voorlopig Verslag allerlei opmerkingen gemaakt en beschouwingen gegeven, waarvan ik mag zeggen, met instemming met hetgeen de Minister heeft opgemerkt, dat zij feitelijk nu niet aan de orde zijn, de vraag b.v. — een zeer interessante vraag — of particuliere ondernemers eigenlijk wel een courant zouden mogen uitgeven of dat het alleen van corporaties, partijen, enz. zou mogen uitgaan. Maar men mag toch zeggen, dat deze vraag momenteel niet aan de orde is. Dat komt later, en dan kan men ook onder de ogen zien de vraag of het uitsluitend gerechtigd maken van corporaties of partijen voor het uitgeven van bladen niet het gevaar medebrengt, dat degene, die het met de partijleiding niet eens is en daarvan naar buiten wil doen blijken, daarvoor de mogelijkheid mist, als hij zijn toevlucht niet kan nemen tot een blad, dat van te n particulier ondernemer uitgaat, terwijl de redactie van zijn eigen partij-orgaan het niet opportuun acht, dal hel bezwaar in het blad wordt opgenomen. / o ook de vraag of do Overheid zal bepalen of het propageren van bepaalde beginselen in de dagbladpers geoorloofd is of niet.

X C R Al dergelijke dingen zijn nu niet aan de orde. Het gaat nu om de zuivering, om de noodzakelijke sanering van de Nederlandse pers van wat gedurende de oorlog is verzuimd en bedorvi n.

X C R Net lel propageren van nationaal-socialist isclu: beginselen maakt iemand tot object van deze' zuivering', maar wel het propageren van die beginselen tijdens den oorlog. Want het gaat om hulpverlening aan den vijand en die hulpverlening draagt inderdaad een zeer ernstig karakter. Zij is van anderen en , tiger aard dan b.v. de aanleg van vliegvelden of liet bouwen van bunkers voor den vijand. Want dergelijke hulpverlening, waarbij men zijn dagblad feitelijk toch, zij nel onder zekere reserve en zij bet niet tegenzin, ter beschikking van d" geraffineerde propaganda van den vijand stelt, is een aanslag op den geest van ons volk in wie aan dergelijke maatregelen heeft medegewerkt, beeft vergeten, dat wij te maken :

X C R e i ! i n totalen oorlog. Hoe anders is dit verstaan door de illegalen, van wie Jan Campert zich den tolk maakt, als hij in zijn bekende en ont

X C R

X C R Ve! 2.15 811 Eerste Kame r

X C R 49ste VERGADERING. — 26 JUN I 1947.; 425.

X C R (Algra) roerende gedicht ,,Hot lied der achttien doden" hem, die straks voor de lopen zal staan, laat zeggen:

X C R ,,De rattenvanger van Berlijn Pijpt nu zijn melodie; Zo waar als ik straks dood zal zijn, De liefste niet meer zie E n niet meer breken zal het brood Noch slapen mag met haar, Verwerpt al wat hij biedt of bood, Die sluwe vogelaar. "

X C R Ik geloof, dat men de journalisten in dit opzicht niet mag verontschuldigen door hen voor te stellen als eigenlijk niet meer dan klerken van den ondernemer. Wat de Minister in dat opzicht heeft opgemerkt, heeft volkomen mijn instemming. Het Verbond van Journalisten, waarbij het overgrote deel van de Nederlandse journalisten zich heeft aangesloten, stond onder nationaal-socialistische leiding en huldigde het leidersbeginsel; mag dus in dat opzicht volkomen op één lijn worden gesteld met door de Duitsers in het leven geroepen organen als do Kultuurkamer. De journalisten zijn in overgrote meerderheid lid van dit verbond geworden op eigen verzoek. Slechts voor hen, voor wie absolute nationale plicht relatief was geworden, was voor dat verzoek — ik geef het toe — een zekere noodzaak aanwezig, maar dan ook alleen, wanneer men eerst zijn absolute nationale plicht relatief was gaan achten. Want er kwam een voorschrift van den vijand, dat alleen leden van het Verbond van Journalisten in de pers werkzaam mochten zijn, en de werkgevers van de journalisten hebben in liet algemeen duidelijk te verstaan gegeven: Gij moet zorgen, dat gij vóór dien fatalen datum lid wordt, of het contract tussen u en ons wordt geannuleerd. Maar voordat de voor do relativisten uiterste noodzaak aanwezig was, gingen die journalisten toch reeds in de Ned.

X C R Journalistenkring. Achter dit alles blijft echter staan, dat de houding van de directies in heel veel gevallen de oorzaak is geweest. De Nederlandse dagbladpers heeft de journalisten in de aanvankelijk gemeenschappelijk gevoerde strijd voor de zelfstandigheid van de Nederlandse pers in de steek gelaten.

X C R Hier kom ik aan het belangrijkste punt, op de houding van de directies, op de posities der ondernemingen. Een journalist, die gezuiverd wordt, die b.v. voor vijf jaar wordt uitgesloten, wordt daardoor zwaar getroffen. Maar het bedrijf, dat de eigenlijke schuldige is, wordt maar in zeer geringe mate gehinderd, wanneer het genoodzaakt wordt do personen van de directeuren en commissarissen door andere te vervangen. I n dat bedrijf blijft dezelfde geest en dezelfde traditie heersen, liet is dan ook meer dan eens gebleken, dat de zuivering door allerlei tegenmaatregelen van de bedrijven practisch wordt gefrustreerd. Daarom behoort er naar onze overtuiging een noodzakelijk complement te zijn op de tot nu toe toegepaste zuiveringsmaatregelen, en dat bestaat daarin, dat de bedrijven, die schuldig zijn, worden aangepakt. De pogingen van de meerderheid der Twe-ede Kamer om de zuivering werkelijk effectief te maken, hebben onze sympathie. Intussen zijn er t.a.v. het amendement-Burger ook naar onze mening grote technische bezwaren, waarvan wij ons niet kunnen afmaken met de enigszins klassiek geworden woorden, dat wij in dergelijke situaties maling hebben aan de juristerij. In het Voorlopig Verslag zijn t.o.v. die technische bezwaren enige zeer verontrustende opmerkingen gemaakt, die door do geachte spreker, die mij voorafging, in den brede verder zijn ontwikkeld, en op meesterlijke wijze ontwikkeld, zodat ik mij kan voorstellen, dat, mocht dit wetsontwerp tot wet worden verheven, degenen, die de perscollaborateur zullen moeten helpen in zijn strijd tegen 's Ministers voornemen om te onteigenen, wel zeer nauwkeurig studio zullen maken van wat de geachte afgevaardigde de heer Kropman t.a.v. deze materie zoeven heeft gezegd, al ben ik natuurlijk overtuigd, dat niets minder in zijn bedoeling heeft gelegen dan dat zijn voortreffelijke- en deskundigen rede daarvoor zou dienen. De Minister heeft intussen in de Memorie van Antwoord do bezwaren reeds enigermate trachten te ondervangen. Zoals natuurlijk ook van hem mocht worden verwacht, want de Mi Handelingen der Staten-Generaal. •-. 1946—1947. ^-i L Noodvoorz.iening Perswezen.

X C R (Algra e. a.) nister verdedigt bier liet wetsontwerp, zoals het na amendering door de Tweede Kamer is aangenomen. He t zou geen figuur zijn, als hij het hier in de Eerste Kamer als zijn taak beschouwde hot wetsontwerp, zoals het hier ligt, te bestrijden, zij het dan, dat die bestrijding zich zou beperken tot onderdelen en a fortiori spreekt het vanzelf, dat het wetsontwerp, als het tot wet zou worden verheven, door de Minister loyaal naar letter en geest zou worden uitgevoerd. Dat houdt ook in, dat de Minister, zo dat nodig mocht blijken, het initiatief zal nemen to t het indienen van een novelle, wanneer technische redenen dat noodzakelijk maken. Intussen zullen wij, mijn fractiegenoten en ik, gaarne het nadere antwoord van de Ministor afwachten en ons, naar ik meen naar goed constitutioneel gebruik, nu nog niet vastleggen t.a.v. onze stem.

X C R Wel kan ik zeggen, dat, wanneer wij straks vóór mochten stemmen, wij dat dan in elk geval zullen doen zonder geestdrift, ons bewust zijnde van het feit, dat aan dit wetsontwerp bepaalde bezwaren kloven. Maar ons votum zal altijd toch vergezeld gaan van de uitdrukkelijke verklaring, dat wij, evenals de meerderheid in de Tweede Kamer, van mening zijn, dat een effectieve zuivering van het perswezen, die wij een nationaal belang van de eerste orde achten, alleen dan zal kunnen plaats hebben, wanneer de collaborerende bedrijven als bedrijven kunnen worden aangepakt.

X C R Verwerping van dit wetsontwerp zou niet alleen een échec betekonen voor den Minister. Hoe vriendelijk wij ook omtrent den Minister denken, en wie in deze Kamer zou ten aanzien van dezen Minister geen zeer vriendelijke gevoelens koesteren, dat kan toch nimmer het motief zijn, dat den doorslag geeft. Maar door verwerping van dit wetsontwerp zal een calamiteit ontstaan door don tijdnood, waarin wij zijn gekomen. Bovenal vraag ik mij af of niet de verwerping van dit wetsontwerp practisch zou betekenen, dat het overleg tussen Regering en Volksvertegenwoordiging betreffende dit werkelijk nationale vraagstuk, waar de geestelijke volksgezondheid mede aan hangt, zou blijken op den duur alleen negatieve resultaten te hebben. Na allo desillusies, die er reeds zijn op het gebied van de zuivering, zou een negatief resultaat van deze beraadslaging, naar ik vrees, wel eens kunnen leiden tot de schipbreuk van do gehele zuivering op persgebied. Daarom wachten mijn fractiegenoten en ik met meer dan gewone belangstelling het antwoord van don Ministor af.

X C R Stufkens (De hoer)

no member profile picture

X C R Mijnheer de Voorzitter! E r zijn in de discussie, zoals die buiten en in het Parlement over de perszuivering gevoerd is, enkele trokken, die ons met grote bezorgdheid moeten vervullen. Er is ten deze wakker geworden oen tot dusver min of moer sluimerend verzet tegen de rechten, die de illegaliteit in ons land doet gelden, een afweer van de grondgedachten, die volgens de illegaliteit in de daeen dor bezetting de strijd tegen den onderdrukker moesten richten. De grote bewondering, die ons volk in don eersten tijd vervuld heeft voor de mannen, die hun bestaan in de oorlogsdagen op het spel bobben gezet, begin! te wijken onder do druk van de velen, die met een zekere meewarigheid op al dat drukke en opzichtige gedoe, zoals zij het noemen, neerzien en het goede, echte Nederlanderschap opeisen voor hen, die zich niet op dit terrein bewogen hebbon.

X C R Hot is intussen niet binnon dit kader, dat mijn politieke vrienden het voor ons liggend wetsontwerp willen bezien. Wij menen, dat zeer zeker bet vraagstuk- van do levonsniogelijkhoid van de pers, die uit de illegaliteit, is voortgekomen, er een is van bet eerste volksbelang, dat hier niet alleen een belofte uit Londen moet worden gehonoreerd, maar dat bier oen morele ereschuld moet worden voldaan. He t schijnt, dat oen dergelijke ereschuld gemakkelijker ten opzichte van doden dan ten opzichte van levenden aanvaard wordt. Wij zien dit vraagstuk van de illegale pers als inderdaad een, dal ons volk beroeren mag en moet, maar het is niet wenselijk', dat van de perszuivering te zoor van dit oogpunt uit te beschouwen. E r is onder ons oen grote verwarring geschapen van don aanvang af, doordat men er zich niet duidelijk genoeg rekenschap van heeft gegeven wat eigenlijk met de perszuivering bedoeld wordt. E r zijn er, ook in deze Kamer, die de gehele

X C R

X C R 812

X C R 49ste VEKGADEEING. — 26 JUN I 1947, 425.

X C R (Stufkens) perszuivering betrekken binnen de sfeer van hei strafrecht, misschien niet met zoveel woorden, maar practisch. He t gehele denken over dit onderwerp wordt dan bepaald uitsluitend van de vergolding voor verkeerde daden uit. Er zijn er daarnaast, die zich daartegen verzetten en zich vooral werpen op de gedacht-e van de tuchtrechtspraak. In beide zit natuurlijk een stuk werkelijkheid. E r is geen zuivering mogelijk, die niet op enigerlei wijze het element van vergelding in zich draagt. E r is zeker geen zuivering mogelijk, die niet ook als tuchtrechtspraak functionneert. Maar waar het ons Nederlandse volk ten deze om gaat, is in de eerste plaats de bescherming van onze geestelijke volksgezondheid, niet de zuivering als zodanig, maar haar resultaat: een zuivere pers. Van de aanvang af is de verwarring ten deze groot geweest. Men kan b.v. de gehele opzet van de ontzetting, gebonden als zij is aan bepaalde termijnen en met name de beperking tot maximaal 20 jaren moeilijk verdedigen van de gedachte van de zuiverheid der pers uit. Dan is het niet te aanvaarden, dat men er zonder meer van uitgaat, dat iemand na een 20-jarige ontzetting weer zedelijk in staat is de taak van volksvoorlichter te vervullen. He t is blijkbaar onmogelijk bij het hanteren dan de maatstaven, die ons zijn gegeven, inderdaad op het eigenlijke terrein der zuivering te blijven, want de mogelijkheid van geestelijke rehabilitatie, die wezenlijk leiding zou moeten geven, komt vrijwel niet aan de orde. Geestelijke rehabilitatie, want het vraagstuk, dat ons bezighoudt is er een van geestelijke volksgezondheid. Voor een trouwhartig volk als het Nederlandse is het nu eenmaal van ontzaglijke betekenis welke de geest is van de couranten, die dagelijks de gezinnen bereiken. He t is een gemeenplaats te spreken over de invloed der pers.

X C R Niettemin heb ik wel eens den indruk, dat wij ons toch nog te weinig realiseren hoe de ganse verwerking van het nieuws, de opmaak van het blad, ja, het gehele technisch-journalistieke apparaat, de visie op het gebeuren van een groot deel van een volk bepaalt. Wij vergeten te gemakkelijk, dat velen van ons volk zich met een bijna roerende trouwhartigheid overgeven aan wat hun in hun krant wordt voorgezet. Wanneer wij ons onze verantwoordelijkheid tegenover ons volk bewust zijn, wordt van ons geëist, dat wij het te beschermen hebben tegen alle geestelijke misleiding, sterker: tegen alle leiding, die niet uit de, laatste ernst is geboren. Verontrustend toch is niet in de eerste plaats, dat er foute courantiers zijn geweest, dat journalisten zich met een volstrekt afkeurenswaardige gemakkclijkhcid hebben laten overhalen te schrijven in een de bezetter welgevallige toon. Die foute krantenmensen zijn gemakkelijk te achterhalen. Vele van deze zuiveringsgevallen vallen samen met de tribunaalrechtspraak en geven geen aanleiding tot moeilijkheden. Maar al mede het ontstellende verschijnsel, dat de bezettingsjaren ons te zien gaven, was de geringe weerstand van hen, die ons volk voor te lichten hadden t-egenover de overheersing van het materiële, het commerciële. Wanneer men zich met de perszuivering bemoeit, slaat het u in het gezicht, hoe daar altijd en altijd weer als laatste waarde in het geding wordt gebracht het behouden van ,,de zaak", van de „burcht", van de machines. Natuurlijk wordt dat dan telkens wel in verband gebracht met de bestaansmogelijkheid van de werkers in het rijf on men kan het bezit van machines wel als volksbelang zien. Maar wat blijkbaar de doorslag gaf, was altijd weer de drift hot bodrijf te handhaven ten koste van alles. Dat is het vooral wat ons in het optreden van een groot deel van onze kranten gedurende den oorlog benauwde. He t is deze geest van onderworpenheid aan het materiële, dit gebrek aan solidariteit mot een volk, dat zijn strijd voert met inzet van zijn laatsH krachten, waardoor wij ons in de steek gelaten voelden. Ik acht het tot do onrustbarende verschijnselen van den laatsten tijd te behoren, dat op het ogenblik zo weinig van dit besef weer leeft.

X C R Wanneer de geeostelijko volksgezondheid in het geding is, komt bet moment — hierover zijn wij het wel eens, al kunnen wij over de grens verschillen —, waarop de Overheid den <li;k zwakke heeft te beschermen. Wij weten van een filmcensuur, van een radiocontróle. Wij weten, dat wij ons volk nii t mogen overlaten aan do verwoestende werkinjr van anonieme kapitaalkrachten, die zich juist op deze terreinen zo uitermate laten gelden. Noodvoorziening Perswezen.

X C R Nu beslaat dit vraagstuk uiteraard veel meer terrein dan door de concrete perszuivering bestreken wordt. Hier gaat het om de algehele ordening van de pers, die in den bezettingstijd aan de orde werd gesteld, van welke dringendheid wij al meer doordrongen werden. He t vraagstuk zal binnen korten tijd moeten worden opgelost. De methode, volgens welke de Minister dit wenst te doen, heeft onze sympathie. Wij waarderen het, dat hij deze zaak gezien heeft als een volksvraag en daarom ter overweging heeft voorgelegd aan een ruimere groep van mensen dan uiteraard in den Persraad vertegenwoordigd was. Dat noemt niet weg, dat wij het onderwerp, dat ons hier bezighoudt, toch willen bezien als een deel van deze ordening, als oen deel, dat onder de bijzondere omstandigheden van de laatste jaren naar voren werd gedrongen en ten aanzien waarvan onmiddellijk móet worden ingegrepen. In zekeren zin is het een anticipatie, maar een anticipatie, die gebillijkt wordt door de bijzondere nood, waarin ons volk ten deze verkeert. Wanneer wij het vraagstuk zo stellen, is wel zeer verontrustend de erkenning van alle zijden, dat de perszuivering inefficiënt is geweest; dat zegt de Minister, dat zeggen de tegenstanders vaak ook, dat zeggen zij, die voor een radicale perszuivering opkomen. Natuurlijk zijn do motieven waardoor men daarbij wordt gedreven verschillend. E r zijn er, die allereerst getroffen werden door hot feit, dat practisch van de ontzetting zo bitter weinig terechtkomt door gebrek aan controle op de naleving. Dat is gevaarlijk in een staatkundig leven, omdat het het gezag ondermijnt, maar het is niet een vraag, die speciaal de perszuivering aangaat. Centraler is het andere gezichtspunt, dat bij de zuivering practisch gesproken van het bereiken van een zuivere pers vrijwel niets is te rechtgckomen.

X C R De Tweede Kamer heeft in haar Voorlopig Verslag op zeer brede wijze een reeks van bijzondere gevallen aangevoerd, die hebben duidelijk gemaakt, dat er toch constructies zijn ontworpen, die practisch de oude persmachten onaangetast hebben gelaten op een wijze, die juridisch niet aangrijpbaar was. He t bezwaar ligt dus hier, dat zo het eigenlijke doel volkomen werd gemist, dat er wel „schriftelijke berispingen" zijn uitgedeeld, dat er oen zeker leed on een zekere schande zijn opgelegd, maar dat er van een werkelijk effect ten opzichte van de perszuivering geen sprake kan zijn. .luist ten bate van een edele journalistiek, wier taak ik gaarne wil zien als een nobile officium in het midden van ons volk, moeten wij grijpen naar radicaler middelen dan op dit ogenblik ter beschikking staan. De Minister heeft zich daarbij aanvankelijk beperkt tot twee nieuwe maatregelen. Hij heeft de gedachte aanvaard van uitgebreider aanstelling van beheerders. Verwaltcrs, zeggen de persmensen, van dv 2.1, millioen abonné's, mot bedoeling bij voorkeur, die nu ook kunnen worden aangesteld voor drukkerijen. Hij heeft daarnaast de mogelijkheid geopend, dat onder bepaalde omstandigheden aan een terugkerende courant het recht ontzegd wordt den ouden naam te voeren. Ik geloof, dat deze beide middelen, al waardeer ik zo. in hun betrekkelijke betekenis niet in staat zijn datgene te bereiken, wat beoogd moet worden.

X C R De ervaring met hei beheer is gunstig, gezien uit de bijzondere opdracht van toezicht op do uitvoering der zuivering, ter verzekering van de zuivering, maar geelt geen recht van grote verwachtingen ten opzichte van het eigenlijke beheer, van een dagelijkse controle op het karakter der courant, lie t naamsverbod gaat ontegenzeglijk verder in de richting, die wij voorstaan en ik geloof, dat men tegenover vele tegenstanders van de onteigeningsgedachte mag geldend maken, dat hierbij toch inderdaad een zeker element van bezitsaantasting om de hoek komt kijken. Hier wordt aldoor gegrepen naar den eigendom van mensen, voor wie de goodwill een financiële betekenis heeft. Afdoende kunnen deze maatregelen intussen niet zijn. Hot 's wel een van de meest sprekende ervaringen der perszuivering, dat de eigenlijke macht, die onze couranten zo massaal don verkeerden kant heeft opgedreven, berust bij hen, dio do eigenaars zijn. Theoretisch kunnen wij dan sproken over aandeelhoudersvergaderingen, dat klopt ook herhaaldelijk', maar evenzeer is waar. dut niet alleen enkele van onze grootste organen, maar geheel een reeks van kleinere eigendom zijn van enkele bezitters, dat mot name vele van onze regionale bladen familiebezit vormen en overwegend met het oog op de belangen dier

X C R

X C R 813

X C R 49ste VERGADERING . — 26 JUN I 19« , 425.

X C R (Stufkens) familie worden beheerd. Vaak is een dergelijke courant voortgekomen uit een advertentieblad van een of andere plaatselijke drukkerij; de oprichter heeft de volksontwikkeling van de laatste halve eeuw gevolgd en zijn bedrijf daarbij aangepast en uitgebreid. De sfeer, waarin een dergelijke courantenonderneming wordt beheerd en geleid, is altijd nog die van het „gesublimeerde " advertentieblad. Daar ligt de zwakke plek van ons journalistieke leven. He t is dwaasheid deze gehele voorstelling van zaken, die door de Pcrszuiveringscommissie al meer dan 22 maanden geleden werd onderkend, te betrekken op één blad, dat thans op bijzondere wijze in het gerucht staat. Het gaat hier om een veel ruimere werkingssfeer.

X C R Juist de plaatselijke pers me t haar bijzondere gevoeligheid ten opzichte van het leven van den eenvoudigen mens wekt bezorgdheid. Daarom verheugt het ons, Mijnheer de Voorzitter, dat de Tweede Kamer hier een stap verder is gegaan dan de Minister aanvankelijk meende te moeten doen en dat zij de mogelijkheid van de onteigening in het ontwerp heeft opgenomen. Onteigening, niet verbeurdverklaring. De beschikkingsmacht wordt in een bepaalde richting beperkt. E r wordt niet getornd aan de vrijheid, die onze Grondwet waarborgt. Wanneer de Grondwet van persvrijheid spreekt, dan gaat het om de gerichtheid van het gedrukte woord, maar niet om de zedelijke qualiteit van dat woord. Die zedelijke qualiteit kan beveiligd worden zonder dat daarmee ook maar iets aan de vrijheid van de gerichtheid wordt te kort gedaan.

X C R Intussen heeft het ons met een zekere teleurstelling vervuld, dat de Minister in zijn Memorie van Antwoord aan deze Kamer heeft gemeend te moeten mededelen, niet voornemens te zijn ten opzichte van ondernemingen, welke thans weer een krant uitgeven, deze nieuwe maatregel toe te passen, „tenzij mocht blijken, dat de directies dier ondernemingen de eventueel getroffen maatregelen van de Commissie voor de Perszuivering frustreren of hebben gefrustreerd".

X C R Hiermee wordt inderdaad de bedoeling verengd; het is niet de zuivere pers, die in het oog wordt gehouden, maar weer beheerst het element van vergelding het gehele veld. Ook ten opzichte van de weer verschenen pers kan het in zeer veel gevallen noodzakelijk zijn, dat alsnog op de besproken manier wordt ingegrepen. Wanneer dit niet gebeurde, zou er een verwerpelijke ongelijkheid in rechtsbedeling ontstaan, doordat dan alleen een zeer beperkt aantal kranten, w-aarvan de zaak nog hangende is, met deze bepalingen in aanraking zou komen, terwijl andere, die in dezelfde omstandigheden verkeerden, daaraan zouden ontkomen. Wanneer men na bijna twee jaar perszuivering nog een beroepsinstantie instelt — en wij waarderen dit als een eis van recht —, dan is het redelijk teruggrijpende op de zaken, die al onderzocht zijn, voor deze de onteigening opnieuw aan de orde te stellen. Dit zijn in hoofdzaak, Mijnheer de Voorzitter, de gedachten, die mijn politieke vrienden hier onder de aandacht willen brengen. Wij zijn, met mijn voorgangers op dit gestoelte, er ons van bewust, dat de wijze, waarop de liquidatiemogelijkheid onder grote tijdpressie in het ontwerp moest worden opgenomen, verschillende moeilijkheden kan meebrengen. Dit alles is nog niet zo precies en direct te overzien, maar wat hier met name door mr. Kropman in ons midden werd gezegd, doet vermoeden, dat hier toch wel heel wat technische bezwaren kunnen rijzen.

X C R Wij verhelen ons dit niet, maar wij zijn er van overtuigd, dat deze bezwaren het laatste woord niet mogen spreken. Het gaat hier niet om een bevel, het gaat hier om een mogelijkheid. Ér worden in dit ontwerp ten opzichte van de onteigening alle mogelijke garanties gegeven en een grote vrijheid gelaten. Daarom zijn wij voor ongelukken op dit gebied niet zo zeer beducht. Dat neemt niet weg, dat wij het waarderen, dat de Minister binnen zeer korten tijd deze procedure nog eens aan de orde zal stellen. Wij verwachten, dat dat ontwerp zich dan zal bewogen binnen de grondgedachten van het bewuste amendement. Dan zijn wij gaarne bereid de technische verbeteringen, daarin voorgesteld, op hun mérites te onderzoeken.

X C R Mijnheer de Voorzitter! E r is geklaagd over den druk, waaronder de Kamer dit wetsontwerp moet behandelen. Ik zal daar niet op ingaan; ik deel uiteraard deze bezwaren. Maar ik zou toch nog wel willen opmerken, dat zij, die zich daardoor Noodvoorziening Perswezen.

X C R (Stufkens e. a.) laten beïnvloeden, zich toch nog wel in het bijzonder hebben af te vragen, of in de gegeven omstandigheden niet een bijzonder beroep wordt gedaan op hun verantwoordelijkheidsbesef ten opzichte van de moeilijkheden, die er straks zullen ontstaan, wanneer dit ontwerp onverhoopt zou worden verworpen. Dan zal er een legislatief vacuüm intreden en een grote verwarring. Dit werk, dat zijn einde nadert, zal daardoor op de meest ruwe wijze worden geschonden. Ik meen, dat niemand dit voor zijn verantwoording kan nemen en dat, waar de Minister bereid is, voortvarend de liquidatieprocedure apart te behandelen, op aanvaarding van dit ontwerp, zij het dan misschien zuchtend, mag worden aangedrongen.

X C R Ten slotte nog een enkel woord over de Persraad. Wij menen, dat, zoals ik straks reeds zeide — zijn taak op het ogenblik slechts in zoverre aan de orde is, dat wij nu voorlopig één terrein van de ordening betreden. Wat ons thans bezighoudt, is alleen die bepaalde sector van de ordening, zoals die door de bijzondere tijdsomstandigheden naar voren is gebracht.

X C R Wat door den Minister wordt voorgesteld, is voor ons aanvaardbaar. Het is wat grillig, wat willekeurig. Ik geloof niet, dat iemand zich eigenlijk duidelijk kan maken waarom in deze voorlopige regeling b.v.

X C R het droit de réponse zou moeten worden opgenomen. He t valt toch niet goed alleen te verdedigen uit het feit, dat het in het Tijdelijke persbesluit reeds was opgenomen. Elegant is deze figuur niet. Maar wij zijn bereid, gezien de taak, die speciaal ten opzichte van de bescherming der illegale pers aan den Persraad bij dit ontwerp is toebedeeld, op dit punt geen bezwaar te maken.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Met deze opmerkingen wens ik te volslaan. Mijn fractiegenoten en ik zullen gaarne horen wat de Minister op onze overwegingen en vragen t e zeggen heeft. Wij zijn bereid het ontwerp te aanvaarden in het belang van dat grote volksgoed, een zuivere pers.

X C R Zegering Hadders (De heer)

no member profile picture

X C R Mijnheer de Voorzitter! Laat ik met een enkel woord mijn bezwaren tegen het wetsvoorstel, dat hier aan de orde is, mogen noemen. Gelijk vele sprekers, die mij vooraf gingen, heb ik ernstige bezwaren tegen de overhaasting, waarmede onze Kamer dit toch zo belangrijke wetsontwerp moet behandelen. Te meer betreur ik dit, waar het hier toch gaat om het vinden van een goede regeling voor de wel uitermate verantwoordelijke taak, die de pers in onze samenleving vervult. Ook schuilt in deze overhaasting het gevaar, dat dit wetsvoorstel niet op een behoorlijke parlementaire wijze behandeld kan worden. Mede in verband hiermede had ik gaarne gezien, dat de Regering zich had beperkt tot een voorstel van tijdelijke verlenging van de werking van het Tijdelijk Persbesluit 1945.

X C R Laa t mij hier dadelijk aan mogen toevoegen, dat ik het reeds betreur, dat een verlenging nodig is. Steeds is toch dooide Regering gesproken over het dienen der cultuur en nu is het toch wel zeer teleurstellend, dat twee jaar na de bevrijding van ons gehele land een der voornaamste uitingen van onze cultuur — de pers — nog niet bevredigend is geregeld. In dit verband zou ik den Minister willen vragen, toch wel op spoed aan te dringen bij de commissie-Pompe. Ik erken gaarne, dat deze commissie voor een zware taak is geplaatst en dat de gegeven opdracht niet overhaast moet worden uitgevoerd. Toch is het nodig, dat met de grootst mogelijke spoed wordt -gewerkt. De Minister heeft wel gezegd, dat. liet niet de bedoeling was nu reeds in dit wetsvoorstel constructieve opbouw van de pers te verwezenlijken, maar, Mijnheer de Voorzitter, wij zijn hiervan toch ook nog wel zeer ver verwijderd en het komt mij voor, dat het Regeringsbeleid in dezen geen streng principiële lijn te zien geeft. Mijnheer de Voorzitter! Ik betreur het, dat door de zuivering van de pers en van de personen, die werkzaam waren in het perswezen een andere materie, nl. de ordening heenloopt. Ik geef toe, het is moeilijk, die absoluut gescheiden te houden, maai- er dient naar mijn mening tocli zoveel mogelijk naar gestreefd te worden, omdat zuivering en ordening in we/en verschillende zaken zijn.

X C R Alleen zuivering was bedoeld en nu mag m.i. de ordening niet gehanteerd worden, zonder dat de organisaties van het perswezen zich daarover behoorlijk hebbon kunnen uitspreken.

X C R

X C R 814

X C R 49ste VERGADERING . — 26 JUN I 1947.

X C R 425.

X C R (Zegering Hadders) Inderdaad, het is mij bekend, dat er eenontwikkeling in het dagbladwezen na den oorlog naar nieuwe nonnen waarneembaar is, maar juist omdat het nog maar een ontwikkeling is, moet met ordening gewacht worden totdat deze ontwikkeling een zekere vaste lijn heeft gekregen en de organisaties hebben kunnen spreken.

X C R Ook de schaarste-economie en de noodzaak prioriteit te verlenen door hen, die blijk hebben gegeven van een juist begrip voor het landsbelang tijdens de bezetting, wettigen naar mijn mening niet de combinatie zuivering-ordening. Men krijgt dan toch al spoedig, dat, omdat een andere de outillage goed gebruiken kan, de ondernemer gestraft moet worden in dien zin, dat dit mogelijk wordt. Als wij daarop ons rechtssysteem opzetten, raken wij m.i. wel zeer aan lager wal.

X C R Vóór ik een vijftal bezwaren naar voren breng, die het mij onmogelijk maken mijn stem aan dit wetsvoorstel te geven, moge ik nog opmerken, dat ik het zeer betreur, dat in het Voorlopig Verslag wordt gezegd, dat het de particuliere ondernemer is geweest, die, dikwijls gedreven door winstbejag, een grote invloed heeft uitgeoefend op de journalisten en het overige personeel, aan de onderncmiug verbonden. ' Mijnheer de Voorzitter! I n de eerste plaats wil ik er op wijzen, dat toch tal van particuliere bedrijven een goede houding hebben aangenomen. Ook is het mij bekend, dat er dagbladen zijn, waarbij vaststaat, dat de directie absoluut geen zeggenschap heeft over de inhoud van het blad. Maar buitendien, Mijnheer de Voorzitter, zou ik, gelijk zovelen dit hebben gedaan, er op willen wijzen, dat een zich zelf respecterende journalist toch volkomen verantwoordelijk is voor zijn doen en laten en dat het toch niet aangaat, deze verantwoordelijkheid op een ander af te schuiven. He t spreekt vanzelf, dat, indien de directie of de eigenaren van een of ander bedrijf zich niet goed hebben gedragen, ook dezen gestraft moeten worden, maar men moet toch niet gaan generaliseren.

X C R Met de Minister ben ik van oordcel, dat do journalistenstand en een aantal directies onrecht wordt gedaan, indien men het voorstelt alsof menig journalist niet veel meer was dan iemand, die had te schrijven zoals hem door zijn directie geboden werd.

X C R Ook ontgaat het mij ten enenmale waarom een journalist, verbonden aan een blad, in dienst van partijen en organisaties, die bepaalde geestelijke, maatschappelijke, wetenschappelijke en culturele stromingen in het volk vertegenwoordigen, persoonlijk een grotere verantwoordelijkheid draagt dan zijn collega, die in dienst is van een particuliere ondernemer. I n het eerste geval zal het toch ook zeer dikwijls voorkomen, dat hij slechts mag schrijven wat de partij of een der genoemde organisaties welgevallig is.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Mijn bezwaren nu tegen het wetsontwerp als zodanig zijn de volgende:

X C R Ten eerste het niet aanwezig zijn van disculpatiegronden. Ik vind dit onbillijk en niet rechtvaardig. Waarom zullen zij, die voor een perszuivering zich moeten verantwoorden, niet dezelfde rechten mogen hebben als zij, die in andere bedrijfstak-ken hebben gewerkt? Wij kunnen het er over eens zijn, dat de pers een zeer grote verantwoordelijkheid droeg en draagt, omdat vele lezers, doordat zij niet konden geloven, dat veel onwaar was of door den bezetter werd opgedrongen, op den duur niet bestand bleken te zijn tegen de steeds aanhoudende tendentieuse berichtgeving. Hieruil volgt, dat, waar de verantwoordelijkheid groter was dan in menig ander beroep, ook de straffen strenger mogen en moeten zijn. Maar de rechtsgrond moet m.i. voor allen dezelfde zijn. Nu zegl de Minister wel. dat hiermede wel rekening word! gehouden maai' waarom is dit dan niet in do wet opgenomen'.' Mijnl r de V< orzitterl Ik vrees, dat door het acht irwege blijven van deze aangelegenheid het gevaar bestaat-, dal hierdoor met twee maten gemeten wordt, en hiertegen moet il-; mij verzetten.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Ook met de invoering van het naamsverbod kan ik mij niet verenigen. Niet alleen omdal dit een aantasting is van de eigendom, maar ook ontgaat mij ,,,,, enenmale het nut van dit verbod. Laat ik even mogen veronderstellen, dat een z.g. Eoute pers over enigen tijd weer ma "

X C R verschijnen, dan lijkt het mij veel beter, Mijnheer de Noodvoorziening Perswezen.

X C R (Zegering Hadders e. a.) Voorzitter, dat dit herversehijnen plaats vindt onder den ouden naam dan onder een nieuwen. Immers, het publiek is dan gewaarschuwd. 13e oude naam maakt de menschcn opmerkzamer, terwijl de niets vermoedende niet dadelijk door heeft, dat de inhoud van een z.g. nieuw blad toch geschreven wordt door lieden, die een verkeerde geestesgesteldheid hadden en ten aanzien van wie. men zich mag afvragen of zij intussen een gezonder geestesgesteldheid gekregen hebben. He t komt mij voor, dat hier niet eens gesproken kan worden over de wolf in schaapsvacht.

X C R Zeer betreur ik het, dat art. 18 en volgende artikelen in deze wet zijn opgenomen. Naar mijn vaste overtuiging kan, indien men tot onteigening van een bedrijf overgaat, niet spreken, dat dit geschiedt ,,fcn algemenen nutte" . Dit is daarom, naar ik meen, in strijd met de Grondwet. Ook vind ik het een wonderlijke figuur, dat iemand, die gestraft moet woiden, hiervoor een vergoeding krijgt. Immers, wanneer men vindt, dat een bedrijf voor onteigening in aanmerking komt, zal de eigenaar wel volkomen fout zijn geweest. Daar komt nog bij, dat het niet is uitgesloten, dat een onteigening de Regering zeer veel geld kost. En dan kan het voorkomen, dat sommige aandeelhouders fout, andere niet fout waren, terwijl de laatst en niet de macht hadden de foute leiding te doen vervangen door oen betere. Voor deze laatste groep lijkt het mij nu toch wel zeer onbillijk en niet rechtvaardig, dat het bedrijf kan worden onteigend. Ook ben ik van mening, dat de onteigening niet op touw mag worden gezet dan nadat een nauwkeurig afwegen van belangen heeft plaats gehad volgens in de wet verankerde beginselen. Dit laatste geeft echter zulke grote moeilijkheden, dat het geheel een mij te gevaarlijke onderneming wordt om daaraan te beginnen.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Mijn volgende bezwaar is de invoering van het „droit de réponse".

X C R Waar de mogelijkheid bestaat, dat hierdoor onze persvrijheid in gevaar komt, behoort deze materie niet in een noodwet thuis. Ook heeft de Minister het volgens zijn verklaringen niet nodig. Dat de belanghebbenden het er nog niet over eens zijn, is ook een groot bezwaar. Naar ik meen te weten, is het in sommige landen ingevoerd, maar is het succes zeer gering, maar daar, waar het is ingevoerd, bestaan wettelijke waarborgen en is de rechter ingeschakeld. Waar dit laatste hier niet het geval is, betreur ik het zeer, dat deze aangelegenheid in dit wetsontwerp is ingevoegd.

X C R Ten slotte, Mijnheer do Voorzitter, heb ik grote bezwaren tegen de niet te controleren bevoegdheden van den Persraad. Dit kan aanleiding geven tot willekeur en daarom ware het beter geweest, indien gewacht was totdat een behoorlijke wettelijke regeling tot stand had kunnen komen.

X C R Koejemans (De. heer)

no member profile picture

X C R Mijnheer de Voorzitter! E r is. geloof ik, uit dit debat wel gebleken, dat er bij de Kamer een vrij algemeen gevoel van onbevredigdheid bestaat met betrekking tot het u t ontwerp, dat wij op het ogenblik behandelen. Die. onbevredigdheid is hier op verschillende gronden gemotiveerd, maar naar mijn mening komt zij toch hieruit voort, dat men in dit wetsontwerp en de gehele materie, die het behandelt, aan den enen kant heeft gevoeld, dat hier niet alléén sprake kan zijn van een formele zuivering van personen, zoals ook op het gebied van de kunst en ten dele op het gebied van het bedrijfsleven het geval is, en aan den anderen kant toch niet de consequenties daaruit hoeft durven trekken, die tot de, conclusie voeren. dat een zuivering van het pcrswezen zowel moet zijn een zuivering van de personen en de onderneming, die op het gebied van de pers werkzaam zijn, als een herordening van ons tijdens de bezettingsjaren zozeer geschonden — vooral ook in moreel opzicht geschonden — perswezen. Dit houdt natuurlijk niet in, zoals door den Minister is geargumenteerd in de Memorie van Antwoord, dat dit in het onderhavige wetsontwerp twee verschillende elementen moet brengen, wat de wet niet hanteerbaar zou maken. Het is natuurlijk helemaal niet nodig, dat men do zuivering en de ordening te zamen 'm één wet behandelt. Dat zou dan een wet zijn, waarvan de Minister met. recht beweren kon, dat een aantal artikelen in den loop van liet bestaan van die, wet zou aflopen, en andere hun geldigheid zouden behouden. Dat zou inderdaad geen fraaie figuur zijn, maar dat is

X C R

X C R Vel 216 815 Eerste Kame r

X C R 49ste VERGADERING. — 26 JUN I 1947.

X C R 423.

X C R (Koejemans) ook niet hetgeen ik heb bedoeld. Wat. ik heb bedoeld, is dit: wil men tot een behoorlijk resultaat van de perszuivering komen, dan kan men zuivering en ordening niet scheiden. E r is veel geklaagd, niet alleen hier, maar op tal van andere terreinen, over den chaos, die uit de perszuivering t e voorschijn is gekomen. Ik geloof, dat de wijze, waarop het is aangepakt — de verschillende etappes, die deze zuivering heeft doorlopen, en de verschillende manieren, waaropzij ten uitvoer is gelegd —, geen ander resultaat mogelijk heeft gemaakt. Dit adstrueert op zich zelf weer, dat men de zuivering en de ordening niet van elkaar kan scheiden op de strenge, wijze, die door de Minister wordt beoogd.

X C R E r is ook geargumenteerd tegen de koppeling van de ordening van het perswezen aan de zuivering, omdat ordening niet mag zijn een straf, geen gevolg mag zijn van een verkeerde handeling in bezettingstijd. Ik geloof echter, dat ook zo het vraagstuk niet juist is gesteld. Waar gaat het bij deze materie om? Het gaat hierom, dat wij krijgen in Nederland een zuivere pers. Als dat niet aan het einde van de perszuivering staat, is het een hopeloze zaak. E n dat kan niet het geval zijn; men kan niet aan het einde van de perszuivering tegen het Ned. volk zeggen: „Hier hebt gij een zuivere pers" , wanneer die zuivering alleen maar personen betreft, zoals tot dusverre het geval is. Da t is feitelijk de klassieke wijze, waarop de bourgeoisie deze zaken in het algemeen behandelt. Men gooit de werktuigen weg, die gefaald hebben, maar het systeem blijft, en men zorgt daarbij er wel voor, dat zij, die de werktuigen gehanteerd hebben, buiten schot blijven.

X C R Wanneer dat zo is, wanneer men een dergelijk standpunthuldigt, wat baat dan al het eerbetoon aan de oud-illegale pers, zoals van enkele zijden ook hier is betuigd. Daar heeft die oudillegale pers niets aan. Deze bladen zijn het in hoofdzaak, die voor een andere ordening van het perswezen opkomen, juist in verband met de noodzakelijke zuivering daarvan.

X C R Men moet zich afvragen: waarom faalde onze pers in de bezettingstijd? Dan is er natuurlijk de persoonlijke aansprakelijkheid; in dat opzicht is er geen verschil van mening tussen ons en andere sprekers in deze vergadering. Maar die persoonlijke aansprakelijkheid aanvaardende, moet men daaraan direct de vraag verbinden waarom die personen gefaald hebben. En dan houd ik staande, ondanks de tegenspraak van den Minister in de Memorie van Antwoord, dat de oorzaak van het falen van deze personen in de eerste plaats gezocht moet worden in de kapitalistische exploitatie van het overgrote gedeelte van de Nederlandse pers.

X C R De Minister is daartegen opgekomen en heeft gezegd: Daarmede verlaagt, gij de journalistenstand. Mijnheer de Voorzitter! Ik geloof niet, dat daardoor de journalistenstand wordt verlaagd. Naar mijn mening is het slechts het vaststellen van een onomstotelijk feit en het is hoog tijd, wil men de zaak der zuivering tot een reële oplossing brengen en wil men betere verhoudingen in de Nederlandse pers tot stand brengen, daartegen maatregelen te nemen.

X C R Ik moge in dit verband een voorbeeld noemen om te laten zien, dat inderdaad ook nu en niet alleen in oorlogstijd de winstbelangen der ondernemers boven de opinie van de journalist prevaleren. De geachte afgevaardigde de heer Algra heeft verteld van het fascistische Verbond van .Journalisten en van de ondernemers, die zeiden: gij treedt toe tot het verbond of gij gaat onze onderneming uit. Zij oefenden daarmede morele druk op de journalisten uit om tot het verbond toe t e treden en de bezetter te dienen. Het was niet alleen in de oorlogstijd zo; het is nog ten dele zo.

X C R Ik wil het voorbeeld noemen van een zeer bekend weekblad ,,Elsevier" —, dat ook in verband met de Telegraaf-affaire is genoemd en waarvan een van de belangrijkste redacteuren aan de kant is gezet, omdat zijn schrijven de financiële en commerciële belangen van de firma benadeelde. Da t zal zo door blijven gaan, zolang de bladen in Nederland in handen van particuliere exploitanten zijn en het winstmotief het hoofdmotief van hun uitgave is. Daarom is het zo verkeerd, dat in dit wetsontwerp en vooral in zijn oorspronkelijken vorm, en in het Tijdelijk Persbesluit zo nadrukkelijk van zuivering van de ondernemingen is afgezien en vooral, dat nog steeds in feite de aandeelhouders van die ondernemingen buiten schot Noodvoorziening Perswezen.

X C R blijven. Daarop is ook van andere zijde de aandacht gevestigd. Ik heb hier voor mij een adres, dat aan de Minister is gezonden en dat ook de, Kamerleden hebben ontvangen, en dat er met nadruk op wijst, dat:

X C R „het niet zuiveren van de kapitaalbezitter, in do ge vallen, waarin dit kennelijk noodzakelijk is, tot gevolg heeft, dat de zuivering der pers in bepaalde gevallen volmaakt illusoir wordt. Men zuivert" — zo zegt dit adres verder — „de minst verantwoordelijken weg, men handhaaft de meest verantwoordelijken. Ook al verdwijnen alle leidinggevende figuren nominaal uit een bedrijf ten gevolge van de zuivering, indien de oorspronkelijke kapitaalbezitters baas blijven, is dit alles schijn. Stromannen zijn gemakkelijk gevonden. de geest van de onderneming ondergaat niet de minste verandering en de mensen, die aan de touwtjes trokken, blijven dit doen.

X C R Dit is de reden, waarom de perszuivering als onrecht wordt gevoeld."

X C R Dit memorandum, dat van leer trekt tegen de kapitaalbezitters van de ondernemingen en dat maatregelen tegen hen eist, gaat niet uit van communistisch of socialistisch gezinde zijde, doch is een memorandum, dat door een groot deel van de Christelijke dagbladpers aan de Minister werd gezonden. Men voelt ook daar de noodzakelijkheid, dat men zich niet alleen moet beperken tot het bestraffen van personen, tot het betraffen van hen, die hetzij als journalist, hetzij als directeur, hebben gefaald. Men begrijpt, dat, wanneer men de kapitaalbezitters niet aanpakt, de geest van de ondernemingen niet verandert. E n als er niets verandert, betekent dit, dat te eniger tijd een zelfde falen ons weer te wachten staat, dat, wanneer onverhoopt een dergelijk noodlot zich opnieuw over Nederland voltrekt, de pers wederom niet betrouwbaar zal zijn voor de Nederlandse zaak. Dit is ook in de Tweede Kamer zo gevoeld en ik geloof, dat uit dit gevoelen in de Tweede Kamer een meerderheid voor het amendement-Burger kon worden gevonden, het amendement-Burger, dat ook in deze Kamer zoveel stof heeft doen opwaaien. Uit de aard der zaak kan men zijn bezwaren hebben tegen dit amendement. De Minister heeft ze en ik zelf heb ze ook.

X C R De Minister heeft gezegd: Ik zou het wel op een betere wijze kunnen doen. Ik zou dan wel eens van den Minister willen weten waarom hij dan het betere, dat hij weet, niet onmiddellijk in deze wet heeft gebracht. Dan waren wij van een heleboel narigheid af geweest. Neen, zegt hij, ik zal deze materie op een betere wijze regelen in een andere wet. Ik ben daar niet tegen en zal zijn voorstellen te, zijner tijd gaarne beoordelen. De hoofdzaak is echter, dat het beginsel in de wet is opgenomen, omdat de Tweede Kamer daarmede heeft uitgesproken, dat mei de zuivering van deze personen niet alleen kon worden volstaan, maar dat ook het kapitaalbezit der ondernemingen moet kunnen worden aangetast om de zuivering van het perswezen recht te trekken. Is er dus in dit adres van Christelijke zijde evenals in de uitspraak van de Tweede Kamer te vinden de overtuiging, «lal men er zonder een zuivering van de ondernemingen niet uitkomt, dan geloof ik, dat men vanzelf, als men zich gaat bewegen op het terrein van do zuivering der ondernemir tot de noodzaak van een andere ordening van het perswezen komt. Ter zijde wil ik hieraan toevoegen, dat ook de Minister, reeds vóórdat deze wijziging in het wetsontwerp werd gebracht, met betrekking tot de persoonlijke aansprakelijkheid en daarmede de beperking van de zuivering tot personen op twee podachten hinkte. Ik heb dit ontleend aan de formulering van artikel 30, waarover ook in het Voorlopig Verslag een aantal opmerkingen is gemaakt. De Minister stelt in dit artikel, dat het zg. „droit de réponse" bevat, voorop, dat de Persraad aan een uitgever van een dagblad kan gelasten een bepaald artikel in zijn blad op te nemen. Wat drukt de Minister met een dergelijke formulering van dit artikel uit? Mijn inziens niets andera dan dat hij in dit verband de verantwoordelijkheid van d m uilgever voor den inhoud van het blad en voor de daden van de journalisten veel hoger aanslaat dan de verantwoordelijkheid

X C R

X C R Handelingen der Staten-Generaal. :—? 1946—1947. —^ I.

X C R

X C R 816

X C R 49ste VERGADERING . — 20 JUN I 1947.

X C R 425.

X C R (Koejemans) van de journalisten en redacteuren zelf. De Minister heeft dat in zijn Memorie van Antwoord proberen recht te praten, maar ik geloof, dat hij er met een beroep op het Engelse woord „editor" toch niet uitkomt, omdat het begrip „editor" volkomen ons woord „redacteur" dekt, terwijl het begrip „uitgever" in het Engels nog altijd met den naam „publisher" wordt aangeduid. Wa t hier en elders tot uitdrukking komt — en dat raakt de beginselen, naar welke dit wetsontwerp is opgezet —, is, dat met heel deze perszuivering nog altijd gei-edeneerd wordt van een liberalistische, ouderwetse opvatting van het begrip pcrswczen uit. Men heeft niet begrepen, dat men met begrippen, die voor een belangrijk deel hun inhoud hebben verloren, niet kan gaan zuiveren, noch minder heropbouwen. Men moet vooropstellen, wil men tot een juist einde van de perszuivering komen, dat ook het begrip van de persvrijheid in den loop van de laatste jaren een belangrijke evolutie heeft doorgemaakt. Dit is geen begrip, dat historisch een onwrikbare vorm heeft gekregen, geen begrip, waaraan niets meer verandert, dat star en altijd denzelfden inhoud heeft. Dit begrip heeft een evolutie doorgemaakt en maakt deze nog steeds door. Men had zich daarom, alvorens men zich zette aan het formuleren van deze wet, bewust moeten zijn van deze ontwikkeling en zich moeten afvragen welke de betekenis van de persvrijheid op het ogenblik is en wat men met de zuivering denkt te bereiken, want deze twee dingen hangen onverbrekelijk met elkaar samen.

X C R Als op het ogenblik in den kring van de internationale journalistenorganisatie het begrip persvrijheid een veel nadere definiëring heeft gekregen, wanneer men daar verklaart, dat men het begrip persvrijheid niet kan losmaken van het afzien van fascistische propaganda, niet kan losmaken van het afzien van anti-rassistische opvattingen, niet kan losmaken van de noodzakelijkheid van bevordering der vriendschap en vrede tussen de volkeren, — waardoor het begrip persvrijheid een veel duidelijker omschrijving heeft gekregen dan vóór den oorlog, toen het alleen maar bestond in het begrip „vergunning tot het uitgeven van dagbladen", als men over het geld en de noodzakelijke apparatuur beschikte —, dan voelt u wel, Mijnheer de Voorzitter, dat, wanneer men in Nederland een werkelijk zuivere pers wil opbouwen, men dit begrip van de persvrijheid als einddoel moet stellen. Dat men moet zeegen: hetgeen ik w7il bereiken is een pers, die het anti-semitisme uitbant, een pers, die afziet van fascistische opvattingen, een pers, die zich op de basis stelt van bevordering van vrede er vriendschap tussen de volkeren. Men moet zich afvragen (als men dit bereiken wil) hoe de perszuivering dan moet worden aangepakt. Maar dit einddoel is door den Minister niet gesteld. Hij is op schematische wijze, zoals het met alle zuiveringen ing, begonnen, hoogstens zich een beetje aanpassend aan de f ijzondere verhoudingen, die er in het perswezen bestaan. Onder die omstandigheden behoeft men zich niet te verbazen, dat men niet bij het einddoel terechtkomt, dat gesteld moest worden.

X C R Ik heb in het Voorlopig Verslag aan den Minister de vraag gesteld of naar zijn mening inderdaad aan het einde van een perszuivering, zoals hij die in het wetsontwerp heeft neergelegd, er een moreel en persoonlijk zuivere pers voor het Nederland se volk zou staan. Die vraag is de Minister, en ik kan mij dit eigenlijk wel voorstellen van iemand, die het einddoel van zijn eigen handelingen niet in het oog houdt, voorbijgegaan. Maar dat is toch de klemmendste vraag, die bij deze materie thuis hoort. Wa t is het einddoel van de perszuivering? E n wat is in Nederland thans bereikt ? Dat is een vraag, die rren daarneven moot stellen. Zoekend naar het antwoord zien wij vier feiten, die lijnrecht tegenover het doel staan, dat naar mijn mening door een perszuivering moet worden bereikt. He t eerste, feit is, dut de vrije, in den regel niet commerciële pers, die in de oorlog is ontstaan, in vele gevallen in zeer grote moeilijkheden verkeert. Zij krijgt slechts van de Regering enige hulp bij haar oi I stellend gebrek aan outillage. Aan de andere kant ondervindt de vrije pers echter voortdurend tegenwerking van de wel commerciële bladen, van bladen, die in den oorlog den naam hadden collaboratcursbladen te zijn.

X C R Het tweede feit is, dat vele van de zg. weggezuiverde eigenaivu en journalisten hun bedrijf hervatton alsof er niets°is gebeurd, hetzij door middel van stromannen, hetzij door middel Noodvoorziening Perswezen.

X C R van schuilnamen en dergelijke dingen meer. Ik zou hiervan reeksen voorbeelden kunnen noemen: het Friese bladenconcern van Hcpkema, waarvan de ontzette eigenaar nog steeds de feitelijke leider is, het Katholieke blad „De Linie" , waarin personen schrijven onder een schuilnaam, omdat hun ware naam te veel is gecompromitteerd. Vele aandeelhouders, die veel geld hebben verdiend ten gevolge van het feit, dat hun bladen tijdens den oorlog zijn blijven verschijnen, blijven ook thans nog geld verdienen ten gevolge van het feit, dat hun bladen weer zijn toegelaten. Zij verdienen niet alleen geld, zij kunnen ook hun verderfelijken invloed op de richting van die bladen door middel van hun geld laten gelden.

X C R Het derde is misschien wel het meest ergerlijke en smadelijke feit voor het Nederlandse volle. De heer Algra heeft hier gesproken -— en zijn woorden waren mij uit het hart gegrepen — over het ergerlijke en gevaarlijke van die bladen, die door hun berichtgeving zich volledig in dienst van den bezetter hebben gesteld. De toestand is echter op het ogenblik zo, dat wij in Nederland na twee jaar perszuivering wel een aantal weggezuiverde journalisten en courantencollaborateurs hebben, maar dat het euvel van de onzuivere pers in Nederland de kop in toenemende mate weer opsteekt. Dat wij thans in Nederland, nu nog bedekt, maar straks weer openlijk, een aantal bladen fascistische en antisemietische opvattingen horen verkondigen, opvattingen, waarvan wij de verkondiging alleen gedurende de bezetting voor mogelijk hadden gehouden! Ik wijs op Aristo, ik wijs op bladen als „De Ochtendpost", „D e Zuidpost", „D e Nieuwe Post" , bladen, die een nieuwe voze kankerplek vormen in ons Nederlandse perswczen. Dat is nog ergerlijker en gevaarlijker dan het reeds zo beschamende feit, waarover de geachte afgevaardigde de heer Algra sprak!

X C R Ook uitingen als die van het blaadje „Indië in nood" en al dergelijke dingen meer tonen aan, dat de perszuivering in feite is mislukt, omdat zij ons opnieuw een onzuivere, ondemocratische, niet antifascistische en niet antisemietische pers heeft gegeven. Dit moest gebeuren, doordat men niet het einddoel, dat ik heb genoemd, in de allereerste plaats in het oog heeft gevat en daarop zijn maatregelen heeft toegespitst. Als klap op de vaurpijl op al deze onzuiverheden hebben wij dan het heldenlied over de collaborerende journalisten, dat wij hebben kunnen lezen in het zwartboek, dat de heer van Randwijk over „De Telegraaf" heeft uitgegeven, en in het witboek, dat de heren van „De Telegraaf" zelf hebhen uitgegeven en waarin dezen zich op de borst slaan en zeggen: „wij bleven op onzen post!" Wij behoeven die „post " niet te quaïificercn; het was dienst aan onzen ergstcn vijand.

X C R He t vierde resultaat van onze perszuivering is het feit, dat het gevaar voor herhaling niet is weggenomen. Ik heb er met een enkel woord reeds op gewezen, dat juist doordat wij de oude verhoudingen in de pers hebben hersteld en niet door perszuivering en persordening tegelijk te behandelen, gezorgd hebben, dat niet kon herrijzen wat vóór den oorlog in Nederland bestond, nl. een op winstbejag ingestelde pers, wij op het ogenblik weer een pers hebben, die ons geen enkele garantie biedt, dat zij bij een of ander onheil, dat ons land zou bedreigen, niet weer opnieuw ter wille van haar geldelijke belangen overloopt naar de vijanden van de natie.

X C R Twee jaar lang, Mijnheer de Voorzitter, hebben wij veel werk verricht, maar wij zijn voor een goed deel zo wijs nis aan Int begin. Dit komt er van, als men gaat scheiden wat feitelijk bij elkaar hoort.

X C R Mijnheer de Voorzitter! E r is van deze plaats door verschillende leden van deze Kamer geklaagd over en gcprotesti erd tegen het te laat indienen van dit wetsontwerp, waardoor wij in groten tijdnood zijn komen te verkeren. Dit wetsontwerp is inderdaad ontzettend lang uitgebleven. Wij waren bij de behandeling van het Tijdelijk Persbesluit in December van liet vorige jaar reeds in tijdnood. Dit was een halfjaar geleden en ongeveer 3 of 4 maanden vóór dat tijdstip — dus een maand "f 10 vóór den dag van heden — was bij Minister Bei I het wetsontwerp, dat wij hier voor ons hebben, reeds in concept gi n . d. Intussen heeft de Minister, naar hij mededeelt, nog vee! deskundigen geraadpleegd alvorens dit wetsontwerp in te dienen en hij verklaart daarmee den korten tijd, die ons res( om 11 i te behandelen. Ik wil niet oneerbiedig zijn, Mijnheer de Voorzitter,

X C R

X C R 817

X C R 49ste VERGADERING. — 26 JUN I 1947.

X C R 425.

X C R (Koejemans) maar ik zou willen zeggen, dat men daarmee van dit wetsontwerp kan verklaren, dat veel varkens de spoeling dun maken. Waarmede ik natuurlijk niets kwaads wil zeggen van de deskundigen, maar wel van de Regering, nl. dat do Regering zelf op het terrein van do perszuivering zo weinig deskundigheid heeft en ook zo weinig belangstelling aan den dag legt.

X C R E r is vam verschillende zijden in verband met het wetsontwerp, dat wij hier behandelen, geklaagd over een gebrek aan leiding van den Minister in zake de perszuivering. Ik geloof, dat een groot deel van dit gebrek aan leiding te zoeken is in het feit, dat de Minister en de Regering in het algemeen voor de pers weinig belangstelling heeft en ook over weinig deskundigheid beschikt. Men probeert dit euvel weg te nemen door een groot aantal deskundigen te hooi en te gras te raadplegen, deskundigen van allerlei kleur en mening, en tussen hun adviezen den gulden middenweg te vinden, die dan in een wetsontwerp zijn neerslag vindt. De gehele behandeling van de zaak van de perszuivering, van de wetten en besluiten, die wij in deze Kamer onder de ogen hebben gekregen, bevalt mij niet; zij geeft mij den indruk, dat de Regering uit den aard der zaak de noodzakelijkheid van de perszuivering wel erkent en dat zij misschien ook wel aanvaardt de mening, dat in een land nu eenmaal couranten noodzakelijk zijn, maar dat zij niet duidelijk ziet, dat de pers een van de voornaamste organen van de democratie is. Ik zou dat kunnen aantonen met het voorbeeld van de wijze, waarop de Regering de couranten van papier voorziet. Ik zal daarop natuurlijk niet ingaan; dat komt bij dit onderwerp niet onmiddellijk ter sprake. Maar het is nog altijd zó, dat de courant slechts 35 pet. van het nieuws, dat dagelijks in de wereld verschijnt, aan haar lezers kan voorzetten. De Regering stelt voor de couranten zeer weinig papier ter beschikking. Met slechts een duizendste deel van de dollarpot zou zij de couranten voor een jaar kunnen helpen, maar in j)laats van dit te doen, zet de Regering de couranten de pen op de neus. De couranten worden weer bedreigd met een verkleining van het formaat, in plaats dat de mogelijkheid van een vergroting wordt geschapen. Er is straks gesproken over de particuliere belangen bij de pers, belangen, die naar mijn mening moeten worden weggezuiverd. Ik geloof, dat in dit verband ook de particuliere belangen van de grote papiertrust van van Gelder om de hoek komen kijken. E r zijn nog andere dingen, die er op wijzen hoe weinig belangstelling de Regering voor de pers heeft.

X C R Ik zou kunnen wijzen op het instituut van de perschefs, dat schatten verslindt, maar zijn taak slecht verstaat.

X C R Kranenburg (voorzitter)

no member profile picture

X C R Hebt u dat in de afdelingen behandeld?

X C R Koejemans (De heer)

no member profile picture

X C R Ik heb alleen gesproken over de noodzakelijkheid, dat er meer belangstelling en deskundigheid bij de Regering voor de pers moet komen.

X C R Kranenburg (voorzitter)

no member profile picture

X C R Ik heb het niet gelezen in het verslag.

X C R Koejemans (De heer)

no member profile picture

X C R Ik geef alleen voorbeelden. Ik ga er niet uitvoerig op in. Ik was bovendien al aan het einde van wat ik met betrekking tot de perschefs wilde zeggen.

X C R Ik wil verder betogen, dat een Parlement zonder courant niets betekent. Wij zouden veel kunnen vergaderen, maar als de courant onze woorden niet naar buiten brengt en het volk dnaivnn niet op de hoogte stelt, zijn wij feitelijk in besloten zitting bijeen. Welke courant kan Voorlopige Verslagen en Memories van Antwoord drukken ? Wie kan een behoorlijk Kamerverslag in zijn courant opnemen ?

X C R De Regering — ook dat is een voorbeeld, dat ik noen on wil — schrijft nu en dan persconferenties uit. I n den regel zijn het persconferenties, aan het slot waarvan de journalisten de mededeling ontvangen, dat zij maar niets moeten publiceren.

X C R Zo sukkelen wij voort. De Regering moet begrijpen, dat de pers is een kostelijk bezit van de gehele natie en dat zij haar als zodanig moet behandelen. De pers mag niet worden uitgeleverd aan collaborateurs en winstmakers of aan onverantwoordelijke journalisten. He t volk heeft recht op de zuiverheid van dit nationale bezit. Daarom is het zo verontrustend, dat de Regering van Noodvoorziening Perswezen.

X C R de zaken van de pers, een van de voornaamste organen van de democratie, eigenlijk zo bitter weinig op de hoogte is.

X C R Ik meen, dat een Regering, die zich bewust is van de kostelijkheid van dit nationale bezit, er alles op moet zetten om aan het volk te waarborgen een van fascistische smetten en kapitalistisch winstbejag waarachtig vrije pers en die als haar oogappel moet behoeden.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Dit waren enige principiële opmerkingen, welke ik met betrekking tot dit wetsontwerp wilde maken.

X C R Ik wil mij nu een ogenblik plaatsen op het (m.i. veel te bekrompen) standpunt van de Regering. Ik moet dan erkennen, dat dit wetsontwerp in ieder geval een stap vooruit is vergeleken bij het Tijdelijk Persbesluit. Geopend is de mogelijkheid van hoger beroep, zowel van de zijde van den vervolgde als van de zijde van den vervolger; er is een nauwkeuriger omschrijving van de taak van den Persraad; ook is geopend de mogelijkheid van verbod van namen van bepaalde couranten, alsmede de mogelijkheid om beheerders bij bepaalde ondernemingen aan te stellen; ook zijn er enige waarborgen méér voor de ex-illegale pers. De opneming van het amendementBurger in het wetsontwerp acht ik bovendien een wezenlijke verbetering daarvan.

X C R Ik vraag mij alleen af waarom de Minister, die nu met zoveel nadruk betoogt, dat verbeurdverklaring van persen, bcdrijfsinstallaties eu dergelijke ook door de tribunalen had kunnen geschieden, ons niet vertelt waarom dat dan tot dusver nog niet is geschied, waarom van dit recht nog nimmer gebruik is gemaakt, terwijl er m.i. in een aantal gevallen reden genoeg voor zou zijn geweest. Daarom heeft het mij ook, samen met de spreker van de Partij van de Arbeid, teleurgesteld, dat de Minister een ontkennend antwoord heeft gegeven op de in het Voorlopig Verslag gestelde vraag of hij nu aan de hand van de nieuwe bepalingen, die in het wetsontwerp zijn opgenomen, reden heeft een onderzoek in te stellen naar de , mogelijkheid om deze bepalingen toe te passen op die bedrijven, die reeds een vergunning om te verschijnen hebben gekregen, nadat zij zich in den oorlog aan collaboratie hadden schuldig gemaakt.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Ik kan er inkomen, dat men tegen deze amendementen-Burger juridische bezwaren heeft; ten dele hebben wij die ook. Men kan er ook economische bezwaren tegen hebben en ten dele hebben wij die ook, maar het gaat er niet om of dergelijke bezwaren op het ogenblik bestaan; het gaat met deze wet om de perszuivering als zodanig, men kan, zoals wij, het principe dezer zuivering, zoals de Regering dat nu voorstelt, een onjuist en voldoende principe vinden, maar het feit, dat er gezuiverd wordt, is in elk geval toch aanvaardbaar. E n waarom het bovendien gaat is dit, dat, door het amendement-Burger in de wet te aanvaarden, wij in elk geval hebben uitgesproken, dat niet alleen personen, maar ook de ondernemingen aansprakelijk zijn en aangepakt moeten kunnen worden. Dat is principieel van zeer veel belang. Daarom heb ik mij ook afgevraagd waarom hier van Katholieke zijde zoveel bezwaren tegen het amendement-Burger zijn ingebracht. E n ik heb mij in het bijzonder afgevraagd waarom men van Katholieke zijde, wanneer men zoveel bezwaren tegen de uitvoering, maar niet tegen het beginsel had, dan niet in de Tweede Kamer een beter voorstel heeft gedaan. Men kan wat we nu hebben wel afbreken en misschien ton dele cp juiste gronden, maar daarmee komt men er niet. Men moet iets h ben, waarmee men de bedrijven kan aanpakken. Dat ligt t; in de wet vast en als men het over dat beginsel eens is, kan men over de uitwerking van mening verschillen on men had een beter voorstel kunnen indienen, maar men mag niet tee n deze wet stemmen omdat men het met de uitwerking van dit onderdeel niet helemaal eens is.

X C R Kropman (De heer)

no member profile picture

X C R Welk beginsel?

X C R Koejemans (De heer)

no member profile picture

X C R Het beginsel, dat er gezuiverd moet worden en dat de bedrijven moeten worden aangepakt, en .lat is door u niet weersproken.

X C R Kropman (De heer)

no member profile picture

X C R Dat kunnen zij niet en dat heb ik juist trachten duidelijk te maken.

X C R

X C R 818

X C R 40ste VERGADERING . — 26 JUN I 1947.

X C R 425.

X C R (Koejemans e. a.) I>e hoor Koejemans: Men moet ook begrijpen, .Mijnheer de Voorzitter, welke toestand er zou ontstaan, wanneer dit wetsontwerp zou worden verworpen, want wat zou objectief het resultaat zijn? Objectief zou niet het resultaat zijn, dat de wet verworpen zou zijn op grond van juridische of economische bezwaren, maar het zou hierop neerkomen, dat door verwerping van dit wetsontwerp die belangen worden gediend, die de heer Kortenhorst in de Tweede Kamer heeft verdedigd. Ik geloofniet, dat de Katholieke fractie in haar geheel dit voor haar rekening zou willen nemen; wij van onzen knni willen dat zeker niet en daarom zullen wij onze stem aan dit wetsontwerp geven.

X C R Donkersloot (De beer)

no member profile picture

X C R Mijnheer de Voorzitter! Tégenover de bezwaren, die tegen dit wetsontwerp zijn ingebracht, en die culmineren in die tegen het toegevoegd vorderings- en onteigeningsartikel, wil ik de gedachte stellen, die volgens mij ten aanzien van dit wetsontwerp het meest essentieel is. Ik wil wijzen op het nationale belang van deze zaak. Wat betreft de juridische merites, ik wil dadelijk erkennen, dat ik, juist als niet-jurist, zeker niet tekort wil schieten in het besef van het belang daarvan en hoe nodig het is, dat een wet aan de eisen van een zuivere juridische vormgeving, met het oog op de gevolgen vandien, beantwoordt. Ik wil ook zeker aannemen, dut de bezwaren, die in dezen te berde gebracht konden worden, in vele opzichten steekhoudend zijn, al meen ik, dat ze niet onoverkomelijk zullen zijn, juist mede omdat er plannen bestaan om de bezwaren te ondervangen in den vorm van een speciale wet over deze materie. Ik wil er bij zeggen, dat ik aanvankelijk juist van deze juridische bezwaren, en nog vóór de besprekingen hier gehoord te hebben, zeer onder den indruk brii geweest en dat ik een zekeren strijd met mijzelf heb moeten voeren om tot liet inzicht te komen, dat, wat ik voor het essentiële in dit wetsontwerp heb gehouden, ook zeker het essentiële, is.

X C R I',r is gesproken over en tegen de verwarring van zuivering en ordening, ik meen, dat men daarvan alleen kan spreken, in zover de besprekingen in een vroeger stadium soms daartoe aanleiding hebben gegeven, maar ik meen, dat hier, wat de zaak zelf en den vorm van de wet betreft, geen sprake kan zijn van een verwarring van zuivering en ordening. Deze noodvoorziening stelton s voor het vraagstuk van een nadere regeliug van df zuivering, waartoe ook behoort vordering tot onteigening, in 's lands moreel belang, voeg ik er aan toe. Daarbij sluiten aan vragen van ordening ; ze worden er niet mee dooreen gehaald; ze houden er zeker verband mee; ze ontmoeten elkaar en dat is een gevolg van de roverijen door de Duitse bezetters en de diep-droevige verarming, waarin de Duitse bezetters ons land hebben achtergelaten. Wij staan ook op het gebied van de pers voor een schaarste van apparatuur, die nog in langen tijd niet overwonnen zal kunnen worden en die noodzaakt tot een verdeling naar recht en billijkheid. Die schaarste schept de noodzaak tot de gedachte van prioriteiten. Nu zou men hier kunnen verwarren zuivering en ordening, maar men moet het zó stellen: het is geen ordeningsoverwcging, maar een zuiveringsoverweging, waardoor wij er op moeten staan en er van doordrongen zijn. dat bij zulke prioriteiten hebben voor te gaan en niet hebben achter te staan diegenen, die zich aan hot land en do fundamentele beginselen, waarop ons volksleven is gegrond, trouw hebben betoond, on dat dus hebben achter te staan diegenen, die zich aan het land niet getrouw hebben getoond : dat op zuiveringsgronden niet zij hebben voor te gaan of -mede in de eerste verdoling delen kunnen, die den vijand in hun organen een plaats hebben ingeruimd voor al het gif en al het kwaad, dat de vijand ons volk heeft willen ingieten.

X C R De zuivering is in mijn oj;en een zaak van nationale voorzorg, van nationaal zelfbehoud, het- wezenlijk aspect van de zuivering heeft uien naar mijn mening te vaak over het hoofd gezien; en wat voor t\o zuivering in het algemeen geldt, geldt in het bijzonder voor de perszuivering, op grond van de grote verantwoordelijkheid van de pers.

X C R Een nationaal belang is het, en met schrik zie ik dan ook hoe men geneigd is allengs meer te vergeten, dat men moot. waken tegen d-j veronachtzaming \-an zulk een essentiële voorNoodvoorziening Perswezen.

X C R (Donkersloot) zorg, waartoe men den plicht heeft. He t is daartegen, dat ik vooral wil opkomen.

X C R Ik heb met grote belangstelling geluisterd naar hetgeen de geachte afgevaardigde de heer Kropman heeft gezegd en ik heb zijn betoog in menig opzicht van een sprekend logische kracht gevonden. Waar de geachte afgevaardigde intussen ook bezwaar heeft gemaakt tegen de formulering, als term voor vervolging, dat „nationaal-socialistische denkbeelden ingang zouden hebben kunnen vinden", volg ik hem zeker niet in zijn vrees, dat. de beoordeling daarbij wordt verschoven naar de. gevolgen en de werking van hetgeen men schrijft op dorden, en dus daarmede op een hellend vlak zou geraken, want natuurlijk — dat ben ik met den geachten afgevaardigde eens — kan men deze zaken niet afmeten naar de gevolgen. Dat is nooit vast te stellen. Dat is nooit te onderscheiden en dat berust op impondera bilia. Maar wat men wel objectief kan vaststellen, is de aard, de, inhoud, en de houding van de artikelen. Dus men beoordeelt niet naar aanleiding van de. gevolgen, als men zegt, dat men nagaat of nationaal-socialistische denkbeelden ingang zouden hebben kunnen vinden, maar men oordeelt wel degelijk naar de daden en die daden zijn in dit geval de artikelen. Men heeft dus daarbij na te gaan of die artikelen negatief van inhoud zijn geweest, of daaruit onvoldoende tegenwicht sprak en gebrek aan beginselvastheid. Men oordeelt dus niet naar de gevolgen, als men vaststelt, dat het ontbroken heeft aan de onmisbare positieve bestanddelen, die beantwoorden aan de beginselen van verdraagzaamheid, geestesvrijheid en democratie, waaruit ons volk leeft en waarop het steunt.

X C R Een nationaal belang heb ik do zuivering en de perszuivering in het bijzonder genoemd. En de Nederlandse pers — ik wil mij hier met kracht aansluiten bij hetgeen mijn partijgenoot, de geachte afgevaardigde de heer Stufkens heeft gezegd — zien wij als oen instrument bij uitnemendheid, ongerekend allo meningsschakeringen, die er natuurlijk zijn, in dienst van het nationale bestaan en gegrond op dat nationale bestaan, met de. voorwaarden van trouw aan hot vaderland en aan de beginselen, waarop dat vaderland is gefundeerd. Wij hebben immers in dm bezettingstijd ervaren, hoc nauw het luistert, dat de pers niet is alleen maar een product van dn persvrijheid, maar dat de pers is een positief, principieel bewust orgaan van de persvrijheid, dus de geestesvrijheid verbreidende, uitoefenende, verdedigende en tegenweer biedende, waar vervalsing van berichtgeving en opinievorming zich voordoet, met het besef dus van haar roeping om do volkskracht te bewaren en niet te ondermijnen. En waar dal niet gebeurd Is, is in beginsel onberekenbare schade toegebracht aan het volk en ook als die schade minder groot geweest zou zijn, omdat het volk in zich zelf voldoende weerstand bezat en de bezetter alles heeft, godaan om het volk tegen zich in hot harnas te jagen, vermindert dat geenszins den plicht van de pers in dit opzicht (en aanzien van het nationale belang. Het is daarom, dat il; hierop zoveel nadruk leg, omdat men heeft- gezegd, dat voor collaborateurs in onze pers geen plaats meer zou zijn. Ik ben van mening, dat de. bron van het kwaad aangewezen moet worden bij de ondernemingen, onverminderd ieders persoonlijke aansprakelijkheid wat betreft het personeel van de couranten. Ik meen, dat de kern van de zaak, de verzwakking en ondermijning juist in (}cn aard van de ondernemingen bij uitstek is gelegen. Hoezeer komt dit er op aan. hoe nauw luistert dit! Het beginsel van verdraagzaamheid is niets waard, wanneer dit niet strijdbaar is tegenover de onverdraagzaamheid. He t beginsel van geestesvrijheid is niets waard, wanneer het: togen zich zelf gericht is en niet strijdbaar is togen de aantasting van die vrijheid. Vrijheid van drukpers wil ook zeggen bereidheid te waken tegen elke actie 0n propaganda voor onvrijheid en het opkomen van een semi-fascistische pers, als zoeven genoemd, dat in strijd is met de wezenlijke beginselen, waarop het nationale leven zich in zijn geheel verenigd heeft en waarvan naar onze overtuiging bet volksbestaan afhankelijk is; waarmede de morele waardering van ons volk gemoeid i< Als ik hierop doordenk, moe* ik zeggen, dat het mij dikwijls bang om het hart wordt. Ik ben waarlijk niet gewend gauw woorden te gebruiken, maar als ik mij realiseer hoe weini in tijd wij afstaan van die jaren van strijd en verzot, doeh° hoe onmetelijk ver wij er van afgeraakt zijn in de gedachten, dan is het mij soms, alsof wij onze eredoden alleen op onze erodagen

X C R

X C R Vel 217 819 Eerste Kame r

X C R 49ste VERGADERING. — 26 JUN I 1947.

X C R 425.

X C R (Donkersloot) gedenken, maar den geest vergeten zijn, waaruit hun strijd is voortgekomen, de strijd, dien wij in hun geest hebben hoog te houden. Dan wordt het mij bang te moede over ons volk, wanweer ik zie hoe diep beschamend de tegenwerking is tegen de voormalige illegale bladen, sedert zij hun bovengronds werk hebben kunnen doen, de bladen, die voor de Nederlandse zaak hebben gestreden. Deze bladen hebben een voortdurende tegenwerking ondervonden, die wij twee. jaar geleden voor onmogelijk en ondenkbaar hadden gehouden, doch die inmiddels een feit is geworden. Hoe diep beschamend is het, dat, wij met trots en overtuiging, met zelfingenomenheid en zelfverzekerdheid horen verklaren, dat zij, die aetie voeren voor de herrijzing van de voormalige collaborateursbladen, op de bres zouden hebben gestaan voor de nationale zaak en voor haar diepgewortelde beginselen, terwijl wij toch wel weten,, dat zij de vaderlandse zaak, op zijn zachts genomen, verloochend hebben, in elk geval als een hondje dood zijn gaan liggen, totdat de bezetter met zijn stok voorbij was. Daarom geloof ik, dat wij datgene, wat het zwaarst weegt — de nationale zaak — het meest moeten laten Noodvoorziening Perswezen.

X C R gelden. Ik wil een beroep doen op diegenen onder de leden van deze, Kamer, die de bezwaren tegen dit wetsontwerp zwaar tellen — ik kan het mij voorstellen en kan hen daarin een eindweegs volgen — om wat het zwaarst is, het zwaarst te laten wegen, de handen ineen te slaan om datgene te doen, waardoor de gebreken van dit wetsontwerp binnen een kort tijdsbestek vallen te verhelpen, maar vooral die beschamende gevolgen te voorkomen — een ander woord mag ik hiervoor niet kiezen —, die verwerping van dit wetsontwerp tot gevolg zou nebben. Deze wet toch is in mijn oogen een test op ons plichtsbesef voor de nationale voorzorg. Ik ben er van overtuigd, dat velen onder hen, die deze bezwaren hebben, ook sterk zijn doordrongen van dit plichtsbesef en heb dit appèl tot hen willen ' en.

X C R De beraadslaging wordt geschorst.

X C R De vergadering wordt te 5.25 uur treschorst tot des avonds

X C R

X C R Handelingen der Staten-Generaal. — 1946—1947. — I .

X C R

X C R 820

X C R 49ste VEBGADEEING . — 26 JUN I 1947.

X C R 425.

X C R AVONDVERGADERIN G (Bijeenroepingsuur 8 namiddag.)

X C R Kranenburg (voorzitter)

no member profile picture

X C R De heer Kolfschoten heeft mij medegedeeld, dut hij tot zijn leedwezen, wegens dringende ambtsbezigheden, de vergadering heeft moeten verlaten.

X C R Dit bericht wordt voor kennisgeving aangenomen.

X C R voortzetting van de behandeling van het

X C R

X C R Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van het wetsontwerp Noodvoorziening Perswezcn (425). De beraadslaging wordt hervat.

X C R Gielen (minister)

no member profile picture

X C R , Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen: Mijnheer de Voorzitter! Vrijwel alle geachte afgevaardigden hebben met meer of minder klem getuigd van hun ontstemming, dat de behandeling van dit wetsontwerp door tijdnood plaats vindt in een situatie, die niet in overeenstemming is met het belang daarvan en de hoogheid dezer vergadering. I n de Memorie van Antwoord deelde ik reeds mede, dat ik deze gemoedsgesteldheid begreep; toch wil ik de aandacht vestigen op het volgende.

X C R Ten eerste: bij alle verschil van mening, die ten aanzien van de materie, die in dit wetsontwerp wordt geregeld, bestaat, is gebleken, dat er een communis opinio is, nl. dat de materie uiterst ingewikkeld en belangrijk is; trouwens, wie daarvan niet overtuigd zou zijn. herleze de Handelingen der Tweede Kamer en herinnere zich wat vandaag in deze hoge vergadering is te berde gebracht.

X C R In de tweede plaats bestond bij het optreden van dit Kabinet het voornemen de perszuivering over te brengen naar mijn Departement, omdat daar ook de overige belangen der pers worden behartigd. Die overdracht heeft 18 October 1946 plaats gehad. Ondertussen was reeds overwogen welke weg de beste zou zijn om de hier liggende moeilijkheden op te lossen. Nu bleek liet. dat er drie wegen waren. De eerste was deze: het Tijdelijk Persbesluit verlengen tot de definitieve Perswet tot stand kwam. Er was aanleiding om het bewandelen var. deze weg te overwegen, immers, de voorzitter van de Persraad had mij in September 1946 medegedeeld, dat een der leden van dit college een ontwerp-Perswet gereed had.

X C R Gezien deze situatie, moest bet toeh tot de redelijke mogelijkheden behoren, dat alsnog het Tijdelijk Persbesluit op korte termijn vervangen werd door een definitieve Perswet. De tweede weg was, dat wij het Tijdelijk Persbesluit zonder meer verlengden en eerst op een later tijdstip de definitieve Perswet indienden. Het volgen van deze weg moest worden overwogen, toen bleek, dat het gereed zijnde voorontwerp in de ogen van de Persraad geen genade kon vinden en derhalve reeds door die omstandigheid niet tijdig mijn Departement zou kunnen bereiken. Evenwel zouden, indien wij toeh volhard hadden in het voorhemen om deze tweede weg te bewandelen, gedurende lange tijd de belangrijke bezwaren tegen het huidige. Tijdelijk Persbesluit gehandhaafd blijven, zoals b.v. bet feit. dat het op sommige punten in strijd was met de in de Grondwet gewaarborgde drukpersvrijheid, bet ontbreken van hoger beroep, de onmogelijkheid tot bet nemen van afdoende maatregelen tegen overtreding van de uitspraken van de Zuiveringsconnnissie e.d., en zo is het verklaarbaar, dat ten slotte de derde weg bewandeld werd, nl. die van hei onderhavige wel intwerp, wat betekende, dat toen in der haast nog e : :d i si werden gemaakt een. ontwerp tut verlenging van ii: t teen geldende Tijdelijk Persbesluit. Daarop is drie maanden later dit ontwerp ingediend en nu. weer ruim drie maanden later, wordt het in deze hoge vergahandeld. Wanneer ik er nu nog eens de nadruk op vi tig, dat de definitieve overdracht van de perszuivering op mijn Departement op tó October heeft plaats gehad, dat bijna Noodvoorziening Perswezen.

X C R (Minister Gielen) twee maanden daarna, in verband met het gewijzigde vóórontwerp, de definitieve beslissing kon vallen over de weg, die moest worden gevolgd, dat de materie, die hier valt te. regelen, zoals wel is gebleken, uitermate gecompliceerd is, dan geloof ik, met erkenning van de gegrondheid, die voor een deel in de opmerkingen is gelegen, dat toch, naar mijn opvatting, deze aanmerking, in dit licht bezien, wellicht wat sterk is aangezet.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Afgezien van deze omstandigheid betreur ik overigens toeh, dat deze hoge vergadering niet met de vereiste tijdsruimte dit ontwerp van wet rustig heeft kunnen bezien en dat een rustige behandeling, zoals naar redelijkheid en billijkheid kan worden verlangd, niet heeft plaats kunnen hebben.

X C R Mijnheer de Voorzitter! De discussie, die hier vandaag is gevoerd, heeft zich voornamelijk bewogen om artikel 18 e.v. De geachte afgevaardigde de heer Kropman sprak van een „ietwat zonderling" amendement en zowel hij als de geachte afgevaardigde de heer Pollema hebben mede voor dit wetsontwerp een qualificatie gevonden, waarvan ik niet anders kan zeggen dan dat zij het tegenovergestelde van vleiend is. Met name de geachte afgevaardigde de heer Kropman heeft een aantal punten genoemd, juridisch logisch op elkaar volgende, waarmede hij demonstreerde welke gre>te gevaren de uitvoering van dit artikel mei zich zal brengen. De geachte afgevaardigde de heer Pollema heeft bovendien gewezen op het juridische novum in artikel 4'S. Ik geloof echter, dat met reden kan worden verwacht, dat ik op deze waardige en scherpzinnige redevoeringen niet breed en diep zal ingaan. De processuele en financiële moeilijkheden, die in de formulering van artikel 18 en volgende zijn gelegen, zijn inderdaad niet gering. Ik heb trouwens in de Memorie van Antwoord niet onduidelijk doen uitkomen, dat ik die bezwaren geenszins onderschat. Wanneer ik mij, ondanks het belang van deze beide redevoeringen, toeh ontslagen meen te mogen achten om wat ik zelf boven redelijk noemde niet te doen, behoudens dan enkele opmerkingen, die ik straks zal maken, dan is dat, omdat ik de genoemde bezwaren voor een deel de mijne weet en de moeilijkheden, die hieruit voortvloeien, door mij zijn voorzien. Ik mag dit zo nadrukkelijk verklaren, omdal de geachte afgevaardigden in de Handelingen der Tweede Kamer kunnen nalezen, dat ik daar heb gesproken van „ernstige bezwaren" en ofschoon ik in de toen gegeven omstandigheden meende het amendement niet onaannemelijk te k-unnen verklaren, heb ik er wel aan gehecht duidelijk te, doen uitkomen, dat de uitvoering daarvan niet eenvoudig zou zijn. In het algemeen zou ik ten aanzien van de beide geachte afgevaardigden de heren Kropman en Pollema nog eens nadrukkelijk willen stellen, dat men. verschillende van hun bezwaren redelijk achtende, bel toch zeer wel, naar eer en geweten mogelijk- kan achten om de regeling, zoals die thans is gemaakt, te aanvaarden en naar best vermogen uit te voeren. Immers, het onoverkomelijke bezwaar van strijd met de Grondwet was door de vervanging van het eerste door het tweede amendement komen te vervallen.

X C R Ik heb bovendien in de Tweede Kamer medegedeeld, dat ik de bezwaren, schoon niet onoverkomelijk, toch wel ernstig bleef achten en dat ik het voornemen had ten spoedigste een wetsontwerp tot herdistributie van de persapparatuur in te dienen. Daaraan, Mijnheer de Voorzitter, kan ik thans nog twee mededelingen toevoegen. In de eerste plaats, dat dit wetsontwerp enige dagen geleden door mij aan mijn ambtgenoten is toegezonden en dat de waarschijnlijkheid groot is, dat het reeds in de eerstvolgende Ministerraad zal worden behandeld, en in de tweede plaats, dat. indien tie snelheid, die tot nog toe ontwikkeld is kunnen worden ten aanzien van dit nieuwe wetsontwerp, bewaard kan worden, liet wellicht niet eens nodig is art. 18 en volgende te gaan hanteren. Immers, de uitvoering van deze artikelen zal ongetwijfeld heel wat tijd vergen.

X C R Aan vat de geachte afgevaardigde de heer Kropman hierlieeit gezegd, behoef ilc alleen dit toe te voegen — wat hij niet heef! gesignaleerd —, dat de Baad van Beroep nog moet wordi n ingesteld, dat de Perszuiveringscommissie nog haar conclusies zal moeten trekken, dat daarna de/.e conclusies moeten worden voorgelegd aan de Raad van Beroep, die uiteraard bij deze belangrijke aangelegenheid ook niet over

X C R

X C R 821

X C R 49sto VERGADERING. — 26 JUN I 1917.

X C R 425.

X C R (Minister Gielen) één nacht ijs zal gaan, en dat men overigens in een dergelijke materie niet zal verwachten, dat ik, vandaag een voorstel ontvangende, morgen daarop een beslissing zal nemen. Ik wil nadrukkelijk vaststellen, Mijnheer de Voorzitter, dat dit niet betekent, dat ik op enigerlei wijze te kort zou willen doen aan een loyale uitvoering dezer wet; ik wil eenvoudig wijzen op onomstotelijke feiten en onoverkomelijke zaken, die zich noodwendigerwijze zullen voordoen. Mijnheer de Voorzitter! De geachte afgevaardigde de heer Kropman heeft op werkelijk scherpzinnige wijze getracht aan te tonen, hoezeer deze artikelen 18 en volgende ten voordele van de collaborateurs kunnen werken en hoezeer dus twijfel gerechtvaardigd is of de ex-illegale pers bij deze regehng is gebaat. Het komt mij voor, Mijnheer de Voorzitter, dat in dit geval de zakelijk belanghebbenden — dit wil dus zoggen de ex-illegale of de goed-vaderlands gebleven pers. voor zover die geteisterd is — nog scherper dan de heer Kropman hierop zullen letten en geen gebruik zullen maken van deze mogelijkheid, indien inderdaad deze onoverk-omelijke bezwaren, o.a. in financieel opzicht, hieraan zijn verbonden. Mocht bij voorbeeld door de rechtbank een bedrag worden vastgesteld, dat door de Regering zou worden overgenomen en dat voor de betreffende ex-illegale of goed-vaderlands gebleven bladen financieel een onoverkomelijk' bezwaar vormt, dan spreekt het zelf, dunkt mij, dat zij feitelijk voor deze vriendelijkheid onzerzijds zullen bedanken.

X C R Kropman (De heer)

no member profile picture

X C R E n wat zal het Rijk dan doen, Exc. lentie?

X C R Gielen (minister)

no member profile picture

X C R , Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen: I n een van de bepalingen van deze wet is opgenomen, dat de vast te stellen prijs zoveel mogelijk gelijk moet zijn aan het bedrag, dat door de rechtbank is vastgesteld. Ik heb hieraan bij de behandeling in de Tweede Kamer toegevoegd, dat ik natuurlijk-erwijze deze aangelegenheid, aangezien hierbij financiën betrokken zijn, niet anders kan afwerken dan na overleg en in overeenstemming met mijn ambtgenoot van Financiën.

X C R Mijnheer de Voorzitter 1 Het zou kunnen zijn — ik wil het in dit verband opmerken —, dat het scherpzinnige betoog van de geachte afgevaardigde de heer Kropman niet alleen voor de advocatuur van belang is, zoals reeds is opgemerkt, maar evenzeer voor de bladen, die eventueel van deze maatregel zouden willen profiteren.

X C R Mijnheer de Voorzitter! In dit zelfde verband wil ik nog opmerken, dat do teleurstelling, die do geachte afgevaardigden de heren Stufken 8 en Koejemans hebben uitgesproken ten aanzien van de verklaring, die ik omtrent de toepassing van artikel 18 heb gegeven, geen reden heeft om door hetgeen ik in het voorafgaande heb gezegd te groeien. Dat ik artikel 18 en volgende niet zou willen toepassen op zaken, die een einde in het zuiveringsproces hebben gevonden, vloeit voort uit tweeërlei overwegingen :

X C R 1°.

X C R dat het naar mijn mening niet aangaat, deze wet toe te passen op gevallen, die reeds zijn afgewerkt in de volle zin des woords; 2°.

X C R dat dit artikel kennelijk niet de bedoeling heeft, (laaronder *e begrijpen die gevallen, waarbij de ontzettingstermijn reeds thans of zeer binnenkort is geëindigd.

X C R Immers, men kan hier moeilijk spreken van een ,,zwaar geval".

X C R Üp een belangrijk punt, dat door de geachte afgevaardigde de heer Kropman is aangevoerd, wil ik even terugkomen. Hij heeft mij gevraagd: Op welke wijze zijt gij nu voornemens de ereschuld te betalen, die de Regering zegt. dat tegenover de ex-illegale pers bestaat'.' Ik heb bij de behandeling in de Tweede Kamer er reeds op gewezen, dat men het betalen van die ereschuld niet noodwendigerwijze behoeft te zien op de manier, die in artikel 18 en volgende is gesteld, maar ik wil gaarne in concreto <>p deze vraag ingaan.

X C R Ik wil dan ten eerste stellen, dat de cx-illegalc pers geholpen is, nu reeds en voortdurend, door de beschikbaarstelling van apparatuur te baren behoeve op voorwaarden, door de Persraad vastgesteld. Dat desondanks deze bladen in moeilijkheden kunNoodvoorziening Perswezen.

X C R nen verkeren, is ten minste óók een gevolg van de omstandigheden, die wij nu eenmaal op dit ogenblik allen beleven, omstandigheden,' die zich ook voordoen voor bladen, die iu het bezit van hun eigen apparatuur zijn gebleven, al was het alleen maar, omdat ik soms verplicht ben, deze bladen de verplichting op te leggen, hun apparatuur gedeeltelijk ter beschikking te stellen van andere bladen, die door de oorlog van deze app iuur zijn beroofd. Dit is geen phrase, Mijnheer de Voorzitter, dit geschiedt. He t gebeurt b.v. in Amsterdam, Hilversum, Alkmaar, Deventer, Utrecht en in tal van andere, kleinere plaatsen. Verder bestaat de mogelijkheid — ik heb daarop reeds gewezen in de Tweede Kamer —, dat straks, wanneer deviezen beschikbaar kunnen of moeten worden gesteld voor de aanschaffing van -en apparatuur voor de pers, de ex-illegale en goed vaderlands gebleven pers hier een zekere voorrang krijgen.

X C R In de derde plaats hoop ik zeer binnenkort de mogelijkheid tot herdistributie te scheppen, zoals ik die bij het bij het Kabinet ingediende wetsontwerp denk te regelen.

X C R Ten vierde is er nog een mogelijkheid, dat eventueel verbcurdverklaarde apparatuur aan deze pers wordt toegewezen. Nu zal t.a.v. dit laatste de geachte afgevaardigde de heer Koejemans wellicht opmerken: Dat gebeurt toch niet. Daartegenover wil ik stellen, dat ik geen voorzitter ben van cvn tribunaal en moeilijk verantwoordelijk gesteld kan worden voor wat daar gebeurt, maar in do tweede plaats — want ook hier zal de geachte afgevaardigde opmerken: Daar heb ik niets aan — heeft mijn ambtgenoot van justitie zich bereid verk-laard de voorMors van ilc tribunalen er op te wijzen, dat zeer wel de mogelijkheid bestaat, dat gezuiverde journalisten of functionarissen in het pevswezcn alsnog voor de tribunalen moeten verschijnen, i wanneer dat gebeurt, moeten wij, zoals het in een goede ihtsstaat betaamt, het verder aan de tribunalen overlaten wat zij zullen doen t.a.v. de voor hen gebrachte beschuldigden. Dit over artikel 18 en volgende.

X C R Ten aanzien van artikel 2 van het wetsontwerp is door de coachte afgevaardigden de heren Polleina, Kropman en Zegering Hadders nog gevraagd waarom, als do practijk toch uitwijst, dat de commissie met deze disculpatiegronden rekening houdt, deze niet in het wetsontwerp zijn opgenomen.

X C R Nu zou ik vooreerst willen opmerken, dat men met wat goode wil kan zoggen, dat er zo iets als een disculpatiegrond in staat, omdat hef artikel uitdrukkelijk formuleert, dat iemand „kan " worden ontzet van hot recht, maar ik wil toogeven: dit is ongetwijfeld niet wat do geachte afgevaardigden bedoelen. Hu n redenering schijnt zeer logisch en toch is hier, zoals elders. naar ik meen, niet voldoende in het oog gehouden het uiterst gecompliceerde van deze zuiveringsmaterie. Iedere zuiveringsmaterie is gecompliceerd; zij, die deel hebben uitgemaakt van commissies, kunnen daarvan meepraten, maar bij de pers heeft dit nog een I >nder aspect, omdat het economische en culturele hier vaal i nauw verbonden zijn en zó dooreenlopcn, dat zij anderzijds ook een verschillende beoordeling vergen, althans kunnen vergen, en nu zou het werk van do commissie, die naar aller overtuiging met disculperingsgronden rekening houdt, wol eens gehinderd ku i -worden, wanneer wij instnntolijk scherp geformuleerde dii leringBgronden in dit artikel opnamen. Daarbij was er ook >nd voor om, nu die eenmaal in het Tijdelijk Persbesluit nier waren opgenomen, die ook in deze noodvoorziening te handhaven. He t zou immers de goh-, oheid kunnen schoppen tot tweeërlei recht. De vrees is, naar ik meen, niet ongewettigd, dat dus hot opnemen van disculpatiegronden een begrenzing zou stollen bij de behandeling van deze ma r die, zoals de practijk heeft bewezen, niet noodzakelijk Is en mijns inziens in de practijk ook niet voldoende verantwoording vindt. Men zou do zaak- ook andersom kunnen stellen: indien de practijk der perszuivering uitwijst, dat mot disculpatiegronden rekening wordt gehouden, waarom zouden wij dan het gevaar oproepen van een verstarring der vereiste beweeglijkheid in (kve moeilijke materie?

X C R Wanneer In. • en nu worden aangevoerd het recht, de beginselen, die hot samenstellen, dan zou ik mi I olie die ik daartegenover koester, toch willen opmerken, dat in zuivering de normale juridische formuleringen jammer genoeg wel eens een hinderpaal zijn tot het bereiken van het gestelde doel. Zuivering is nu eenmaal niet alleen, hoezeer óók, zaak

X C R

X C R 822

X C R 49ste VERGADERING. — 26 JUN I 1947.

X C R 425.

X C R (Minister Gielen) van rechtvaardigheid en wijs beleid, zij is meer dan een quacstic van een behandeling met juridische formules, waarin men zicli voorstelt een dergelijke gecompliceerde aangelegenheid te kunnen omvatten. Ik voeg er nogmaals aan toe, dat dit niet betekent, dat ik voor deze formules niet de vereiste eerbied zou bezitten. Ik ontken ook niet, dat de algemene rechtsbeginselen ook hier gelden. Ik heb dan ook in de Tweede Kamer dit nog eens met nadruk willen verklaren. Dit alles nu gevoegd bij de practijk der zuivering meen ik, dat de conclusie toelaat, dat in de huidige formulering voldoende waarborg is geschapen voor ecu redelijk te verwachten verloop van deze purificatie.

X C R Dit laatste geeft mij gelegenheid kort in te gaan op een i tiële opmerking, die door de heer Koejemans is gemaakt. Zijn redenering is helder voor mij; het mechanischmaterialistisehe denken, dat aan deze specifieke redenering ten grondslag ligt, kan moeilijk tot een andere dan tot deze redenering voeren. Indien dit de grondslag van mijn denken was, zou mijn conclusie ongetwijfeld dezelfde zijn geweest als die van de heer Koejemans. Maar het komt. mij voor, dat, welke mening men ook is toegedaan, welke levensbeginselen men huldigt, de ervaring tot op de 26ste Juni 1947 wel zonneklaar heeft aangetoond, dat die grondslag niet deugt. De laatste oorzaak van het zijn is niet gelegen in de materie, integendeel; het gedrag van alle volkeren en van alle individuen, in alle tijden en in alle landen, is een zonneklaar bewijs, dat Jloratius gelijk had toen hij schreef: quid leges sine moribus? Wat baten ons wetten als wij de zeden niet verbeteren? Ik geloof, dat bet ten eeuwigen dage wel zo zal blijven. Men zal begrijpen, dat ik dus de redenering van de geachte afgevaardigden simplistisch achi en dat ik haar ook niet volgen kan.

X C R Ik kan dat ook niet, wanneer de heer Koejemans meent aan een reeks van feiten te kunnen demonstreren, dat ik bezaten zou zijn van een liberalistische opvatting van de vrijheid van drukpers. Ik geloof, dat de installatie-rede, die ik hield, toen de commissie-Pompe haar werkzaamheden aanving, allerminst grond geeft om de conclusie te trekken, dat ik een liberalistische, ouderwetse opvatting van de drukpersvrijheid ben toegedaan. Maar even vreemd is mij een methode, die voeren zou tot wat blijkbaar de geachte afgevaardigde de heer Koejemans voor ogen zweeft en die naar mijn opvatting in wezen niet anders dan de consequentie kan hebben: de fascistische onvrijheid van drukpers, die wij bestrijden. Ik moet met nadruk opkomen tegen de voorstelling van dezelfde geachte afgevaardigde, als zou de Regering weinig belangstelling hebben voor de pers. Ik geloof, dat de geachte afgevaardigde hier verwart de ontzaglijke moeilijkheden, waarmee w-ij niet alleen op dit, maar op alle terreinen te kampen hebben, en daarnaast hei inderdaad te geringe resultaat, èn . . . de instelling van de Regering ten aanzien van deze materie.

X C R E n /wat de kunde der üegering aangaat, ik wil wel verklaren, dat de Regering zo bescheiden is te menen, dat zij niet alles weet. Daarom beeft zij juist de commissie-Pompe ingesteld, waarin mensen van wetenschap, mensen van de theorie en mensen van de practijk der journalistiek te zamen rustig 'linnen beraadslagen over deze allerbelangrijkste materie, want ik wil de geachte afgevaardigde gaarne toestemmen: met de vrijheid van drukpers is de democratie gemoeid.

X C R Ten aanzien van wat de geachte afgevaardigden de heren Donkersloot, Stufkens en Algra hebben opgemerkt, meen ik, dat ik niet uitvoerig behoef te zijn. Immers, de grondgedachte, rik zij ontwikkeld hebben, en evenzeer de door hen ten dele erkende bezwaren tegen dit ontwerp kan ik delen, zonder dat ik dus nochtans de conclusie zou willen trekken, die door andere geachte afgevaardigden uit deze bezwaren wordt getrokken.

X C R Ik geloof, dat liet duidelijk is, dat de geachte afgevaardigde r '.'. 'in g Hadders liet verst af staal van de opvattingen, die in dil wetsontwerp zijn neergelegd, en dat zijn bezwaren tu i aanzien van het gemis aan disculpatiegronden, naamsverbod, droit de réponse, art. 18 en volgend.', dr bevoegdheden van de Persraad, onoverkomelijk zijn. Ik vrees, dat het mij niet zal gelukken, dit zelfs met een lange uiteenzetting ter ; te Stellen. Maar in één opzicht wil ik ie in gaarne te geiuoet nen en dat is hierin, dat ik de commissie-Pompe gaarne zal oeken, zo snel als deze belangrijke en moeilijke materie Noodvoorziening Pcrswezen.

X C R (Minister Gielen e. a.) het verdraagt, tot concrete voorstellen te komen. E r zijn bepaalde redenen, die er toe geleid hebben, dat deze commissie tot nog toe niet snel heeft gewerkt, maar er zijn evenzeer bepaalde redenen, 'die ons het gerechtvaardigde vermoeden kunnen geven, dat het van nu af sneller zal gaan. Ik durf zelfs vertrouwen, dat, als straks het definitie! ontwerp voor de geachte afgevaardigde ligt, hij zal beseffen, dat hij zich wat sterk uitdrukte, toen hij zeide: het is nu twee jaar na de bevrijding en nu is deze materie „nog niet " geregeld. Mijnheer de Voorzitter! Ik zou ten slotte met nadruk er op willen wijzen welke de toestand zal zijn, die ontstaat, indien dit wetsontwerp geen wet wordt. Een vacuüm ontstaat, dat is onvermijdelijk. Ook bij do snelste werkwijze is dit niet te vermijden en ik geloof, dat dit, hoe kort het ook zou zijn, funest is. Ik geloof, dat redelijkerwijze niet Ie verlangen is, dat vóór Dinsdag het oude besluit, zal zijn verlengd. Ik vrees, dat het onbehagen, waarvan de geachte afgevaardigde de heer Algra sprak, in versterkte mate zou kunnen gaan heersen bij allen, indien dat vacuüm eens ontstond. Ik moge daarom de geachte afgevaardigde de heer Algra verzekeren, dat ik, al moge ik dan niet zijn geweest — om de geachte afgevaardigde ie citeren — ,,een vaardig ruiter op dit legislatieve paard", toch vertrouw, dat de Kamer zal willen inzien, dat ik hier nu eenmaal niet een sierlijk renpaard voor mij had, zoals bij een vaardig ruiter past. Wellicht kan de Kamer zich verenigen op deze communis opinio, dat ik, buiten de schuld van mij zelf en mijn voorganger, een knol te berijden had, die het zelfs een vaardig ruiter moeilijk, zo niet onmogelijk zou hebben gemaakt, zich in do renbaan te bewegen op een wijze, dat het een lust zou zijn geweest voor het oog van de geachte afgevaardigde.

X C R Ik zou dringend dit willen vragen, in de eerste plaats de voordelen, die dit wetsontwerp toch ook ongetwijfeld biedt, in het oog te willen houden; in do tweede plaats de gevolgen van een niet-aanvaarding levendig te beseffen en in do derde plaats rekening te willen houden met de door mij gedane en ten dele leeds in uitvoering zijnde toezegging betreffende een herdistributie, die ook aan mijn bezwaren bedoelt te gemoet te komen.

X C R In het laatste kan men, indien dit nodig mocht zijn, wellicht nog meer vertrouwen vinden, dat deze zaak door mij met grote ernst wordt behandeld.

X C R Ik vertrouw, dat het betoog, dat ik hield, in zijn bedoeling goed zal worden begrepen. Ik heb niet willen betogen, dat het onmogelijk is deze wet uit te voeren. Ik heb wel willen 'uien horen -— maar dat deed ik reeds in de Tweede Kamer —, dat ik het moeilijk vind. Ik heb bovendien een lijn wiilen trekken, ditmaal een lijn, die zichtbaar is, een lijn, die ons wellicht evenals aan het slot der behandeling in de Tweede Kamer zal kunnen verenigen op de gedachte, dat, welke grote bezwaren hier ook liggen, het niet aanvaarden toch nog grotere moeilijkheden zou opleveren en dat bovendien mijnerzijds zeer ernstige pogingen in het werk worden gesteld om aan de bezwaren te gemoet te komen.

X C R Kropman (De heer)

no member profile picture

X C R Mijnheer de Voorzitter! Ik heb met grote belangstelling het betoog van den Minister gevolgd. De Minister heeft belangrijke mededelingen gedaan, die de overweging meer dan waard zijn. De Minister is begonnen met te verklaren hoe wij toch wel zo in tijdnood zijn gekomen en hij gaf daarvan een plausibele verklaring. Op één punt heb ik wel even een vraagteken gezet, nl. toen de Minister ons mededeelde, dat hij een ontwerp-porswet gestuurd had naar de persraad en dat dit ontwerp geen genade kon vinden in de ogen van dien zelfden persraad en hem heeft opgehouden in zijn werk. Ik schat den persraad zeer hoog, Mijnheer de Voorzitter, maar ik kan mij indenken, dat de Minister, ziende, dat de dagen en weken verstreken en ziende aankomen den fatalen termijn, tegen den persraad gezegd zou hebben: ik dank u voor uw medewerking. maar ik ga door. Het is niet noodzakelijk, dat de Minister het tempo laat afhangen van een adviserend college.

X C R Het is mij opgevallen en ik heb daarvan met waardering kennis genomen, dat de bezwaren, die uit de Eerste Kamer togen dit wetsontwerp zijn ontwikkeld, voor een gedeelte door den Minister worden gedeeld en dat hij tegen het amendementBurger werkelijk zeer ernstige bezwaren heeft gehad. Dat wisten wij en de Minister heeft het in de Tweede Kamer uitvoerig

X C R

X C R Ve! 218 82 3 Eerste Kame r

X C R 49ste VERGADERING . — 26 JUN I 1947s 425.

X C R (Kropman) geargumenteerd. Maar ten slotte heeft de Minister het amendement aanvaard en daarop komt het, wat mij en, naar ik meen, ook vele andere leden van deze Kamer betreft, op neer. Ten slotte is de Minister aansprakelijk voor het ontwerp. Ik blijf er bij — ik ben dat met den geachten afgevaardigde den beer Pollema geheel eens, — dat het een slecht ontwerp is, dat eigenlijk op de door mij ontwikkelde motieven niet in deze Kamer in behandeling had moeten worden genomen.

X C R Ik heb met vreugde van den Minister een andere belangrijke verklaring opgetekend. De Minister heeft ons deelgenoot gemaakt van de wetenschap, dat er een ontwerp tot herdistribjtie van de persapparatuur zo goed als gereed is en dat hij dit ontwerp in de eerstvolgende Ministerraad zal doen behandelen. Dat verheugt mij. Dat verheugt mij daarom, omdat mijn politieke vrienden en ik, toen wij overwogen, welke onz© houding ten aanzien van het ontwerp zou zijn, enkele bezwaren hadden dit ontwerp te laten vallen d.w.z. tegen dit ontwerp te stemmen. Een van die bezwaren was, dat er een aanzienlijk vacuüm zou ontstaan. De Minister heeft echter op welsprekende wijze aangetoond, dat dit bezwaar van ons niet meer geldt en dat wij dit licht konden tellen, want, zegt hij, ik ben zo goed als gereed ! Dit geldt ook voor de leden, die op het ogenblik van plan zijn vóór dit wetsontwerp t e stemmen. De Minister maakt het ons allen gemakkelijk te doen, zoals mijn politieke vrienden en ik zullen doen, nl. tegen dit wetsontwerp te stemmen. Practische bezwaren zijn er zo goed als niet. Daarom was ik verheugd, dat de Minister dit argument heeft gebruikt en de Kamer in kennis heeft gesteld van hetgeen in de couloirs van de Ministeries is omgegaan. De Minister heeft nog gezegd: maak u niet bezorgd over de toepassing van artikel 18, d.w.z. de bewuste elf artikelen — waarom het er precies elf moesten zijn. heb ik niet begrepen, maar het zijn er nu eenmaal elf —. want ik zal deze niet. toepassen. De Minister is echter verplicht de wet toe te passen. Nu kan hij zeggen: feitelijk kom ik er niet toe, ik moet al die commissies instellen. (Ik weet ze niet precies meer, maar de Minister heeft ze genoemd.) Hij heeft niet gezegd, maar hij had kunnen zecrcen : laat bet maar aan mij over. wanneer ik die commissies zal instellen. Hij heeft uitdrukkelijk gezegd: maak u niet bezorgd.

X C R Ik meen, dat dit niet mogelijk is. Tk meen, dat de Minister, wanneer hij een wet voor zich heeft, deze moet toepassen.

X C R De Minister heeft een enkel woord gewijd aan artikel 2. Tk heb hem daarover niet met zoveel vreugde gehoord als ik hem heb beluisterd over de andere zaak, die ik zoeven besproken heb. De Minister heeft blijkbaar enige afkeer, om niet te zeggen afschuw, van juridische formules. Hij zegt:

X C R die juridische formules vormen vaak een belemmering voor de zuivering, zij zijn lastig. I n deze geest heb ik de opmerking van de Minister verstaan, doch ik moet. mij zeker vergissen, want de Minister K-an het niet zo bedoeld hebben. Nu komt bij mij de vrees boven, die, ik hedenmorgen geuit heb: zijn wij niet vaak op de verkeerde weg door ons alleen tevreden te stellen met doelmatigheidsnormen en rechtvaardigheidsnormen achteruit te stellen, ook al is de hantering van juridische formules voor zuiveringscommissies moeilijk. Dan vraag ik, in verband met hetgeen ik vanmiddag opmerkte over ver strekkende wetten en wetsbesluiten: varen wij wél in de richting van de rechtsstaat? Ik vrees, dat de. Minister er niet voldoende van overtuigd is — al heeft hij het woord „rechtsstaat" genoemd —, dat men er met doelmatigheidsnormen alleen niet kan komen.

X C R Ik moge nu een enkel woord zeggen in verband met hetgeen hedenmiddag door de geachte afgevaardigden de heren Koejemans en Donkersloot is opgemerkt. Ik stel daarbij voorop, dat ik — laat, ik het eerlijk zeggen — met voldoening niet gehoord heb van enige bestrijding van de betogen, die door den geachten afgevaardigde den heer Pollema en mij zijn gehouden, waaruit ik dus mag concluderen, dat de Kamer het met onze betogen eens is, althans wat den juridischen kant betreft.

X C R Nu zegt de geachte afgevaardigde de heer Koejemans: Dit ontwerp bevat een juist principe: de doelmatigheid van de zuivering. Een gevaarlijke weg, want de zuivering moet niet alleen doelmatig, maar ook rechtvaardig zijn. Ik ontken echter met de meeste kracht, dat deze zuivering doelmatig is. Deze zuivering, zoals zij in dit onwerp is neergelegd, is zo ondoelmatig Handelingen der Staten-Generaal. r—r 1946—1947. — L Noodvoorziening Perswezea.

X C R (Kropman e. a.) mogelijk, omdat de dagvaarding nietig verklaard zal worden, en zo niet, dan toch de vordering pas na enkele jaren kan worden toegekend en de millioenen terecht komen in de zakken van de perscollaborateurs.

X C R Dit ontwerp is dus geen doelmatige zuivering. Met dit ontwerp worden de collaborateurs financieel beloond en de illegale pers veroordeeld nog jarenlang te wachten, om dan waarschijnlijk nog niet te worden geholpen. De geachte, afgevaardigde de heer Donkersloot heeft een welsprekend betoog — als ik journalist was, zou ik zeggen: een hartstochtelijk betoog — gehouden over het nationale belang. Daarvóór heeft hij enkele opmerkingen gemaakt over hetgeen ik zeide in zake artikel 2. De geachte afgevaardigde betoogde, dat de term „ingang zou hebben kunnen vinden" niet onjuist is, omdat het gaat over den aard, den inhoud en de betekenis van het geschrevene, dus over de daad, het feit. Inderdaad, zo hoort het. De geachte afgevaardigde heeft dat zeer welsprekend gezegd en zeer juist aangevoeld, maar dat staat nu eenmaal niet in artikel 2. Daarin is wel degelijk te vinden de term „ingang zou hebben kunnen vinden". Daaruit blijkt, dat het beheersende moment ligt niet in de daad, tot teleurstelling van den geachten afgevaardigde, die volkomen juist heeft gezegd, dat het gaat om den dader. He t beheersende moment is komen te liggen bij den derde. Of men dat nu noemt den lezer of de gemeenschap, doet er niet toe.

X C R Met alles, wat de geachte afgevaardigde de heer Donkersloot zo welsprekend heeft opgemerkt over strijdbare verdraagzaamheid en strijdbare drukpersvrijheid, ga ik akkoord. Dat is volkomen juist en wordt door mijn politieke vrienden en mij volkomen onderschreven, maar het heeft met de betrokken redactie van artikel 2 niets te maken. Daarna heeft de geachte afgevaardigde de heer Donkersloot als een soort apotheose van zijn betoog het woord „nationaal belang" gebruikt. Dat is een groot, een zeer belangrijk woord. Dat nationale belang moeten wij dienen. De geachte afgevaardigde de heer Donkersloot en zijn politieke vrienden en mijn politieke vrienden en ik en allen, zoals wij hier zijn, dienen en moeten het nationaal belag dienen, ook in deze zaak, ook in deze zuivering. He t is een nationaal belang, dat de pers extra gezuiverd wordt, zij kan niet gelijkgesteld worden met het bedrijfsleven, zelfs niet met de kunst. Wij zijn begonnen met voorop te stellen: de perscollaborateurs moeten streng gestraft worden. Wij zijn het daarmede volkomen eens. Als nu de geachte afgevaardigde, de heer Donkersloot betoogt: gij moet dit ontwerp in het nationaal belang aannemen, dan ontken ik dit ten stelligste. Ik ontken, dat het een nationaal belang is om tot de illegale pers te zeggen: wij zullen u wel helpen: hier hebt gij een wetsontwerp, dat millioenen in de zakken van de perscollaborateurs brengt. Wij ontkennen volstrekt, dat het een nationaal belang is om tot de illegale pers te zeggen: wij zijn dankbaar voor wat gij gedaan hebt, hier is een wet en over vier of vijf jaren wellicht zult gij er een rotatiepers bij krijgen. Wij hebben met nadruk aan de Regering gevraagd: kom met concrete gevallen. He t verheugt mij, dat de Minister daarop is ingegaan, hoewel ik betwijfel, dat de illegale pers met de door den Minister gedane toezeggingen is gediend. Wanneer men zo vrij is het nationale belang in het geding te brengen, dan geloof ik, dat men dit ontwerp moet ter zijde schuiven en dat men moet zeggen : het is in het nationale belang om dit ontwerp, dat precies het tegenovergestelde zal brengen van hetgeen men beoogt, te verwerpen. Het is een nationaal belang om te doen wat der Eerste Kamer is, nl. een slechte wet, die niet eens de naam van wet verdient, niet de revisie te laten passeren! He t is een nationaal belang, dal wij onze ondankbare, maar desniettemin noodzakelijke taak vervullen en dit ontwerp niet aanvaarden.

X C R Koejemans (De heer)

no member profile picture

X C R Mijnheer de Voorzitter! De Minister w zo vriendelijk- geweest een uitspraak van Horatius voor ons te vertalen, welke luidt: wat baten onze wetten, wanneer dr zeden niet veranderen of verbeteren. Ik geloof, dat in het kader van dit debat deze uitspraak aan het verkeerde adres is gericht. De Minister mag deze voor zich zelf overwegen en haar voortdurend voor ogen houden, wanneer hij de perszeden behandelt.

X C R

X C R 824

X C R 49ste VERGADERING. — 26 JUN I 1947, 425.

X C R (Koejemans) De zaak is ril. deze (de Minister is daarop niet ingegaan), dat ik hem heb voorgehouden, dat de perszuivering, zoals zij tot dusver heeft plaats gehad, ons wel een aantal wetten heeft gebracht, doch dat deze in vergelijking met den toestand van voor den oorlog zeer weinig verbetering in de zeden van de pers hebben gebracht. Ik heb aangetoond, dat ondanks de zuivering in onze pers nog steeds semi-fascistische en anti-semitische uitlatingen worden aangetroffen. Ik heb aangetoond, dat onze pers er een is, die uit is op winstbejag, dat daardoor in onze pers nog steeds in belangrijke mate voorkomt, dat journalisten hun meningen krijgen voorgeschreven door hun uitgevers of anders hebben te verdwijnen en dat daarmede deze perszuivering niet tot een zuivering van de pers heeft geleid, doch dat men integendeel do gevaren heeft doen voortbestaan, die tot het falen van de Nederlandse pers als een nationaal orgaan in de bezettingsjaren heeft geleid. He t heeft ons dus inderdaad niet gebaat wetten te hebben, want do zeden zijn er niet door veranderd. Moge de Minister dus altijd deze spreuk van Horatius voor ogen houden.

X C R Ee n tweede opmerking, die ik zou willen maken, is de volgende. De Minister heeft ons medegedeeld, dat de nieuwe bepalingen van art. 18 en volgende kennelijk niet zijn bedoeld voor gevallen, waarvoor de ontzettingstermijn is geëindigd. Als enig argument heeft de Minister naar voren gebracht, dat, het feit, dat deze bladen thans weer verschijnen, op zich zelf aantoont, dat het geen zware gevallen zijn. Ik kan deze mening in het geheel niet delen. Bij verschillende van die bladen heeft het onderzoek zeer kort na de bevrijding plaats gehad, op grond van bepalingen, die nog slechter waren dan die, welke thans in het Tijdelijk Persbesluit staan. E r is in hot bijzonder naar de gestes van de aandeelhouders en directeuren dezer bladen slechts een zeer summier onderzoek ingesteld. Ik geloof, dat er alle aanleiding is om in deze gevallen, ook dus wanneer dio bladen thans weer verschijnen, eens te onderzoeken of er alsnog op grond van de bepalingen, die in dit wetsontwerp zijn neergelegd, moet worden ingegrepen.

X C R Ik moge ten slotte nog een enkel woord zeggen naar aanleiding van hetgeen de geachte afgevaardigde do heer Kropman in tweeden termijn heeft gezegd. Hij heeft mijn fractie uitgenodigd om op grond van de bezwaren, die wij tegen art. 18 en volgende hebben, bezwaren, die gedeeltelijk van denzelfden inhoud zijn als de bezwaren, die de heer Kropman zelf tegen die artikelen heeft, nu maar onze stem tegen dit wetsontwerp uit te brengen en er dus aan mede te werken, dat dit wetsontwerp zal worden verworpen, ook al omdat hij uit de redevoering van den Minister meende te moeten opmaken, dat er aan een verwerping van dit wetsontwerp geen practische bezwaren zijn verbonden. De heer Kropman heeft zicli speciaal tot mij gewend en heeft mij in den mond gelegd, dat ik zou hebben gezegd, dat men op grond van de ondoelmatigheid van de zuivering, zoals die in dit wetsontwerp is neergelegd, feitelijk tegen dit wetsontwerp zou moeten stemmen. He t gaat hier echter niet in hoofdzaak om de doelmatigheid van de zuivering. Ik heb uitvoerig uiteengezet, dat ik mij een veel doelmatiger wijze van zuivering kan voorstellen dan thans met <!i! wetsontwerp wordt beoogd. Nu wij echter dicht bij het Ogenblik van de stemming over dit wetsontwerp staan, gaat het om deze vraag: wilt u een zuivering en handhaving van de zuivering, eventueel ook ten aanzien van de ondernemingen. Al- li l "in deze vraag gaat, kan men bezwaren hebben tegen de uitwerking van de bepalingen, zoals die in dit wetsontwerp zijn neergelegd, en ik herhaal, dat ik een belangrijk deel van de bezwaren, die de heer Kropman heeft, kan onderschrijven. Welke situatie zouden wij bij een eventuele verwerping van dit wetsontwerp immers krijgen? E r zou dan een vacuüm ontstaan ten opzichte van de wetgeving in de perszuivering. Ik zou den heer Kropman willen voorhouden, dat verwerping van dit wetsontwerp zou betekenen, dat wij op 1 Juli a.s. — men kan wel allerlei dingen daarover fantaseren, maar dit is de feitelijke toestand, die dan zal ontstaan — in Nederland zonder perswetgeving zouden zijn. Dat zou betekenen, dat op Ifde ogenblik', omdat er geen enkele wettelijke bepaling zovi bestaan, b.v.

X C R ook „He t Nationale Dagblad" weer in Nederland zou kunnen terugk-eren. De Persraad zou dan eiken wettelijken grondslag missen en het gehele tot dusver uitgeNoodvoorziening Perswezen.

X C R (Koejemans e. a.) voerde werk, al is het dan naar mijn mening ook zeer bescheiden en onvolkomen, zou op losse schroeven worden gesteld. Ik meen, dat de heer Kropman deze dingen eerst nog wel eens ernstig zal dienen te overdenken, voordat hij er aan medewerkt om dit wetsontwerp inderdaad niet te doen aannemen. De geachte afgevaardigde zou daarmede naar mijn mening het kind met het badwater weggooien en hij zou daarmede, en dat is wel het ergste, ten einde zijn bezwaren tegen artikel 18 en volgende tot uitdruk-king te brengen, objectief een dienst bewijzen aan de collaboratiepers..

X C R Algra (De heer)

no member profile picture

X C R Mijnheer de President! Het is altijd gevaarlijk een beeldspraak, nadat zij eenmaal is gebruikt, in het debat over en weer te vervolgen en te variëren. Dit geldt zelfs van een beeldspraak, ontleend aan de hippische sport. Daarom is het wel met enige aarzeling, dat ik verklaar, dat mij bij de rede van den geachten bewindsman toch een nieuw beeld voor ogen is gekomen, dat iets met die hippische sport te maken heeft.

X C R De verdediging van het wetsontwerp door de heer Minister was allerminst geestdriftig. He t was een verdediging, waarbij zozeer aan de critiek werd toegegeven en op zodanige wijze degenen, dio bezwaren hadden, werden gerustgesteld, voor zover dit in het vermogen van de Minister lag, o.a. met de mededeling, dat het heel binnenkort toeh wel beter kan, dat het eigenlijk hierop neerkomt, dat de Minister zegt: laat mij nog maar een klein poosje dit ezeltje berijden — het is wel niet een elegant geheel —, maar er is een behoorlijk renpaard besteld en binnenkort zult u mij daarop zien verschijnen.

X C R Ik geloof, Mijnheer de Voorzitter, dat deze verdediging het tegengestelde van krachtig is geweest. I n het bijzonder heb ik tot mijn spijt in deze verdediging gemist de zeer positieve, nadrukkelijke verklaring van den Minister, dat het ook zijn overtuiging is, dat de zuivering op persgebied onvruchtbaar is, zolang men zich beperkt to t de zuivering van personen, zoals die tot nog toe heeft plaats gehad. Wanneer niet nadrukkelijk komt vast te staan, dat de Minister van die overtuiging uitgaat en naar die .overtuiging wenst te handelen en daarvoor ook wenst t-e vechten, is dit debat voor mij zeer onbevredigend.

X C R Ten slotte is mij uit de woorden van de geachte bewindsman niet voldoende duidelijk geworden welke gevolgen verwerping van dit wetsontwerp zal hebben in verband me t den fatalen datum van de eerste Juli. De geachte afgevaardigde de heer Koejemans heeft in dat opzicht enige suggesties "gegeven, maar met alle respect voor zijn scherpzinnigheid zou ik het toch van groter belan" achten voor een grondige en zuivere overweging van do beslissing van de Kamer, dat door de Minister zelf alsnog werd uit-eengezet welke gevolgen verwerping van dit wetsontwerp zal hebben in verband met de door mij genoemde termijn, waarop de huidige regeling expireert, lie t is mijn overtuiging, Mijnheer de Voorzitter, dat het inzicht in de betekenis van die gevolgen van aln-omeen belanf kan zijn voor de beslissing, welke de Kamer neemt, terwijl het door mij en mijn fractiegenoten bijzonder op prijs wordt gesteld, ik hei-haal het nog eens, te weten wat het standpunt van don Minister is ten opzichte van het vraagstuk, dat ik zojuist aan de orde heb gestold, nl. de quaestie van het onvoldoende effect van de perszuivering, zolang deze tot de zuivering van personen beperkt blijft.

X C R Gielen (minister)

no member profile picture

X C R , Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen: Mijnheer de Voorzitter! Ik moet öf wel zeer verwarde gedachten hebben gehad óf wel IK Klere gedachten zeer verward hebben uitgesproken, indien de geachte afgevaardigde de lieer Kropman mededeelt, dat hij in mijn woorden een plausibele verklaring vond voor de tijdnood, waarin de Kamer bij do benandeung van het wetsontwerp is geraakt, en dat het hem op één punt niet duidelijk was, aangezien ik een ontwerp-Perswet had gezonden aan de Persraad en dat ik niet do legislatieve "f ll ;1(l 1:l( » volgen Ik heb geen ontwerp-Perswet',»,. mijn Departemenl gehad. Ik lu-b gezegd, dat een der leden van de i-ereraad een voorontwerp voor een Perewet had gereedeemaakt en dat mij dat door de voorzitter van de Persraad teeen November was beloofd. Op grond daarvan meende ik een andere weg te kunnen volgen dan ik n u heb "-evoKl Toen

X C R

X C R 825

X C R 49ste VEKGADEKING. — 26 JUN I 1947, 425.

X C R (Minister Gielen) evenwel bleek, dat de Persraad zich met het ontwerp van een zijner leden in het geheel niet kon verenigen. Derhalve kon reeds daarom deze weg niet opnieuw worden gevolgd. Verder heeft de geachte afgevaardigde mijn mening aldus geformuleerd: Maak u niet bezorgd voor de toepassing, ik zal ze niet toepassen. Ik heb dat naar mijn mening niet gezegd. Integendeel! Ik heb verzekerd, dat ik deze wpt loyaal zal uitvoeren. Ik heb alleen onder de aandacht van de Kamer willen brengen : als ik deze wet straks ga uitvoeren, bronst de uitvoering noodzakelijkerwijze mede, dat er vrij lange tijd verloopt. Ten eerste moet de Baad van Beroep worden ingesteld. Ik kan daiar uiteraard niet mee beginnen, vóórdat dit ontwerp wet is geworden. Ten tweede moet de Perszuiveringscommissie voor zich zelf uitmaken, welke gevallen voor onteigening in aanmerking komen. Ten derde moet dat nog worden behandeld voor de Kaad van Beroep, een college, dat uit personen bestaat, die deze materie niet in bijzonderheden kennen en die zich stellig eerst ernstig hierin willen verdiepen.

X C R Verder heb ik nog opgemerkt, dart er financiële gevolgen kunnen zijn, waarvoor ik overleg moet plegen met mijn ambtgenoot van Financiën. Ik wil nog eens, voor het geval, dat het misverstand bij meerdere leden van de Kamer mocht bestaan, met nadruk verklaren, dat het mijn bedoeling is te komen tot een loyale uitvoering van deze wet. Ik heb, evenals ik in de Tweede Kamer heb gedaan, alleen op de moeilijkheden gewezen. De Minister is verantwoordelijk en ik neem die verantwoordelijkheid op mij.

X C R Dat ik een afkeer zou hebben van juridische formules is een conclusie, die de geachte afgevaardigde ten onrechte heeft getrokken. Ik meen zelfs te hebben gezgd, dat ik uiteraard eerbied koester voor het recht en de formules, waarin het is opgevangen. Ut heb er alleen op willen wijzen, dat ten aanzien van een materie gelijk de zuivering, die na de bevrijding ons — ik zeg niet in de schoot viel — ter oplossing werd aangeboden, de situatie zó gecompliceerd is, dat men hier, enkel met juridische formuleringen werkende, er niet uit zou komen. Ik heb een beroep gedaan op diegenen, die de practijk van de zuivering hebben meegemaakt, waartoe ik zelf behoor, om dit eventueel te beamen. Da t het belang van de ex-illegale bladen verwerping van het wetsontwerp zou eisen, kan ik niet alleen niet inzien, maar ik geloof, dat zeer stellig het tegendeel het geval is en hiermede kan ik tegelijk de vraag beantwoorden van de geachte aifgevaardigde de heer Algra, welke gevolgen de verwerping van dit wetsontwerp heeft.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Wanneer het wetsontwerp zou worden verworpen, ontvalt de grond aan de besluiten, die genomen zijn en nog genomen moeten worden. De zuivering is niet afgelopen; er is nog een aantal gevallen te behandelen, en zelfs wanneer hier de zuiveringscommissie zou komen tot vrijspraak, dan nog meer zou de verwerping van dit Wetsontwerp ernstig nadeel betekenen. He t zou m.i. inhouden, dat degenen, die zuivering verlangen, omdat zij menen zuiver te zijn, hun recht niet zouden kunnen krijgen. Ik wil hier wijzen op een parallel geval in de kunstenaarszuivering. Door ontslag van de verschillende commissies is ook hier een stilstand ingetreden ; het gevolg is, dat enige kunstenaars, die als het ware smeken om gezuiverd te worden, omdat zij in zulke uitermate bijzondere omstandigheden hebben verkeerd, d/at hun handelwijze verklaarbaar wordt, nu op zuivering moeten wachten. Ik wil er met nadruk op wijzen, dat ook deze zijde van het geval zich zou voordoen, wanneer dit wetsontwerp zou worden verworpen. Ook het omgekeerde, Mijnheer de Voorzitter: degenen, die nog gestraft behoren te worden, zouden hierdoor aan zuivering, gedurende langer tijd althans, ontsnappen.

X C R Kropman (De heer)

no member profile picture

X C R Weet Zijne Excellentie misschien ook, hoeveel binden smeken om nog gezuiverd t e worden?

X C R Gielen (minister)

no member profile picture

X C R , Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen: liet aantal is inderdaad niet groot; de zware gevallen zijn behandeld, maar ook de kleine gevallen betreffen mensen, die evengoed op hun recht staan als de grote.

X C R In de tweede plaats zou een vacuüm ten gevolge hebben, dat correcties op de gevallen, die reeds behandeld zijn, niet mogelijk zijn. Noodvoorzier ing Perswezen.

X C R Kropman (De heer)

no member profile picture

X C R Voorlopig niet mogelijk!

X C R Gielen (minister)

no member profile picture

X C R , Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen: Als men dit wetsontwerp in deze vorm verwerpt, geloof ik, dat het toch al t e optimistisch is om te menen, dat. liet door de Kamer zou worden aangenomen in een vorm, die wel aan de verlangens van de een en niet aan die van de ander zou te gemoet komen. I n elk geval betekent het zelfs in de gedachtengang van de geachte afgevaardigde, dat deze dingen weer langer tijd worden uitgesteld. Juist bij de berocpsgovallen doet zich in veel sterker mate voor, dat hier dringend gevraagd wordt orn behandeling van een bepaalde zaak.

X C R Vervolgens zouden ook buiten werking treden de artikelen, die betrekking hebben op de onderbeheerstelling en de terbeschikkingstelling; de onderbeheerstelling van bepaalde bladen, die noodzakelijk is geworden, omdat men de uitspraken van de zuivcringscommissie frustreert, zou dan haar grond voor de toekomst verliezen.

X C R Wat de ex-illcgale bladen betreft, die thans, dank zij een beslissing mijnerzijds en op voorwaarden, door de Persraad vastgesteld, gebruik kunnen maken van een andere apparatuur, deze zouden hierdoor juridisch in een positie komen, die het mogelijk maakt, dat zij elke dag van het gebruik van die apparatuur worden beroofd.

X C R Ik geloof daarom zeer stellig, dat een verwerping van dit wetsontwerp voor de ex-illegale pers met name, maar ook*voor het overige gedeelte, voor znver bij deze zuivering betrekken, zeer onaangename, ten dele wellicht onoverkomelijke gevolgen zou hebben. De heer Algra heeft tegelijkertijd gezegd, aansluitend op ' • beeldspraak, die hij in eerste instantie heeft gebruikt, dat het hem voorkwam alsoL' ik tot de Kamer zeide: ik berijd nu wel een ezeltje, maar ik ben bezig mij een rijpaard te verschaffen en u zult eens zien, hoe ik mij daarop beweeg. Als ik nu even op. die beeldspraak terugkom, betekent het indienen van de wet alleen, dat ik geen rijpaard bezit, maar een ezeltje heb. Nu is een ezeltje wel niet zo'n edel dier als een rijpaard, maar het is in de gegeven omstandigheden toch een onmisbaar wezen.

X C R De heer Algra meende ook, dat mijn verdediging weinig geestdriftig was. Hij heeft dit afgeleid uit het feit, dat ik" een aantal bezwaren van sommige geachte afgevaardigden volmondig heb toegegeven. In de allereerste plaats is het mijn gewoonte om, als ik een bepaalde mening heb, die ruiterlijk ook te zeegen; dat is ook voor de Kamer het aangenaamste. Maar de roden, dat ik daarop meer de nadruk heb gelegd dan de heer Algra wellicht in deze situatie gewenst of nuttig voorkwam, is eenvoudig hierin gelegen, dat ik in do Tweede Kamer met afgevaardigden uit alle fracties verschillende van deze bezwaren heb moeten aanwijzen en erkennen; in do tweede plaats, omdat ook voorstanders van dit wetsontwerp volmondig deze bezwaren, voor een deel althans, hebben toegegeven; in de derde plaats, omdat tegenover degenen, die zo welwillend waren dit wetsontwerp te steunen, een geestdriftige verdediging, naar mij voorkomt, niet nodig is. Maar ik heb wel gemeend — het spijt mij, dat die woorden blijkbaar niet de gewenste indruk hebben gemaakt met grote ernst te hebben gewezen op het belang van deze zaak.

X C R Wanneer dit wetsontwerp niet zou worden aangenomen, dan geeft men ten minste voor enige tijd vrij baan aan de collaboratie, dan zou men ten minste voor enige tijd de ex-illegale pers en ook de goed-vaderlandse pers in moeilijkheden bn i en dan zou men mij ten minste voor enige tijd beroven vau middelen om in deze zaak regelend op te treden, een situnti i, ze Ie gebleken is, op verschillende plaatsen noodzakelijk is!

X C R De beraadslaging wordt gesloten.

X C R He t wetsontwerp wordt met 19 tegen 14 stemmen aangenomen.

X C R Vóór hebben gestemd de heren Woltjer, Brongersma .T .T Kramer, in 't Veld, Hoogland, Anema, Biewenga, Oost'erhuisi Stufkens, Hommes, Koejemans, Algra, Brandenburg, Hermans, J . Cramer, Donkersloot, de Dreu, Wibaut en de Voorzitter.

X C R

X C R 826

X C R 49ste VERGADERING. — 26 JUN I 1947,.

X C R 425.

X C R (Voorzitter) Tegen hebben gestemd de heren Barge, van Lieshout, Zegering Hadders, van den Brink, Kraayvanger, Kerstens, Pollema, van Voorst tot Voorst, Kropman, Vixseboxse, Reijers, van Velthoven, de Bruijn en Kolf f.

X C R Kranenburg (voorzitter)

no member profile picture

X C R Het is mijn voornemen, de Kamer weder bijeen te roepen tegen a.s. Woensdag, 2 Juli, te 12 uren, ter openbare behandeling van enige wetsontwerpen van eenvoudigen aard. Noodvoorziening Perswezen.

X C R Voorts zal ik aan de Centrale Afdeling voorstellen, dien dag, na afloop der openbare vergadering, in de afdelingen te doen onderzoeken het wetsontwerp Voorziening met betrekking tot de berechting van personen, die in dienst bij of van den vijand zich hebben schuldig gemaakt aan oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menschelijkheid (429), op spoedige behandeling van welk wetsontwerp de Minister van Justitie bij mij heeft aangedrongen.

X C R De vergadering wordt te 9.21 uur namiddag gesloten.