X C R

X C R
X C R

X C R Algemene politieke en financiële beschouwingen over de rijksbegroting 1967 8ste vergadering - 20 december '66

X C R VERGADERIN G 8 STE VERGADERING VA N DINSDAG 20 DECEMBER 1966 (Bijeenroepingsuur 13.30) Ingekomen stukken. — Mededeling van een besluit van de Centrale Afdeling. —- Algemene politieke en finan ciële beschouwingen over de rijksbegroting voor 1967. —- Behandeling en aanneming van het wets ontwerp Wijziging Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. — Aanneming van een wetsontwerp. — Algemene politieke en financiële beschouwingen over de rijksbegroting voor 1967. — Ingekomen stukken.

X C R

X C R Voorzitter: de heer Mazure

Voorzitter: Mazure

X C R Tegenwoordig zijn 71 leden, te weten: de heren Mazure, Querido, Van der Maden, De Loor, Van Es, Cammelbeeck, Damming, Van Wingerden, Bühr mann, Thurlings, Coenen, Van Hall, Terwindt, Kloos., Vos, Höppener, Van Meeuwen. Coppes, Broeksz, mejuffrouw Vuylsteke, de heren De Jong, Kranenburg, Schuurmans, Teijssen, Van Lieshout, Van Velthoven, Troostwijk, Niers, De Niet, Thomassen, mejuffrouw Tjeenk Willink, de heren Brongersma, Kraaijvanger, Vugts, Van Campen, Steenkamp, De Geer van Oudegein, De Gaay Fortman, Matser, Ensinck, Elfferich, Van de Vliet, Algra, Albeda, Knottnerus, Van Wijk, Mertens, Beerekamp, Berghuis, De Groote, Gooden, De Wilde, Van Eeten, Van Pelt, Van Riel, Vermeer, Van den Bergh, Van der Spek, Umkers, Meester, Delprat, Snoek, mejuffrouw Zeelenberg, de heren Geuze, Siegmann, Van Hulst, Middel huis, Burger, Raedts, De Rijk, Louwes, en de heren Zijlstra, Minister-President, Minister van Alge mene Zaken, Minister van Financiën, De Quay, Vice-Minister President, Minister van Verkeer en Waterstaat, Biesheuvel, Vice-Minister-President, Minister van Landbouw en Visserij, Bot, Minister zonder Portefeuille, Struycken, Minister van Justitie, Verdam, Minister van Binnenlandse Zaken, De Jong. Minister van Defensie, Witte, Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, mejuffrouw Klompé, Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. de heren Peijnen burg. Staatssecretaris van Defensie, Van Es, Staatssecretaris van Defensie, Schaper, Staatssecretaris van Defensie, Van Son, Staatssecretaris van Economische Zaken, Bartels, Staats secretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid, en De Meijer. Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

X C R Mazure (voorzitter)

no member profile picture

X C R Ik deel aan de Kamer mede, dat zijn inge komen berichten van verhindering tot bijwoning der vergade ring van:

X C R de heer Baas, wegens ziekte;

X C R Stokman, wegens lichte ongesteldheid (de heer)

X C R mevrouw Schouwenaar-Franssen, ook morgen, wegens ver blijf buitenslands.

X C R Deze berichten worden voor kennisgeving aangenomen.

X C R Mazure (voorzitter)

no member profile picture

X C R Voorts deel ik aan de Kamer mede, dat de Centrale Afdeling heeft besloten te doen onderzoeken tijdens een pauze van deze openbare vergadering:

X C R door de commissie van rapporteurs voor Financiën de vol gende ontwerpen van wet:

X C R Vaststelling van de Wet op de Middelen der rijksbegroting voor het dienstjaar 1967 (8800) ; 79 Voorzitter e. a.

X C R Verhoging van de accijns op benzine en gasolie (8836) ; Verlenging van de tijdelijke verhoging van de vennootschaps belasting (8837) ; Belastingverlaging voor ongehuwden van 40 tot 65 jaar (8838) ; Uitstel van de verlaging van de inkomstenbelasting en van de loonbelasting (8956) ; door de commissie van rapporteurs voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening het ontwerp van wet Wijziging van de wet van 16 december 1965 (Stb. 564) (8929) ; door de commissie van rapporteurs voor Verkeer en Water staat het ontwerp van wet Wijziging van de Wet op het Rijks wegenfonds (8845) ; door de commissie van rapporteurs voor Sociale Zaken en Volksgezondheid het ontwerp van wet Wijziging van de On gevallenwet 1921 en de Land en Tuinbouwongevallenwet 1922 in verband met het uitstel van de invoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (8919) .

X C R In afwijking van hetgeen op het agenda is vermeld, zal de beslissing van de Centrale Afdeling over de schriftelijke voor bereiding van de openbare behandeling van het wetsontwerp Verhoging van de omzetbelasting (8835) niet vandaag, doch morgen, na het antwoord van de Regering in eerste termijn, vallen.

X C R Verder deel ik aan de Kamer mede, dat enige ministers wegens verplichtingen elders niet in de Kamer aanwezig kun nen zijn en dat enige andere ministers de beraadslagingen niet geheel zullen kunnen bijwonen. Zo moeten om redenen van internationale aard thans of gedurende een deel van deze ver gadering afwezig zijn de Ministers Luns, Bakker, Biesheuvel en Veldkamp en zullen wegens werkzaamheden in de Tweede Kamer de Ministers Diepenhorst, De Jong en Witte deze twee dagen niet voortdurend in onze Kamer aanwezig kunnen zijn.

X C R Overeenkomstig het verleden week door de Kamer dienaan gaande genomen besluit ligt de lijst van de overige ingekomen stukken met vermelding van de voorstellen, die ik daaromtrent doe, op de tafel van de griffier ter inzage voor de leden. Op een nader te bepalen tijdstip zal omtrent de door mij ter zake gedane voorstellen worden besloten.

X C R algemene politieke en financiële be

X C R

X C R Aan de orde zijn de algemene politieke en financiële be schouwingen over de rijksbegroting voor het dienstjaar 1967 (8800) .

X C R Vos (De heer) (PvdA)

no member profile picture

X C R Mijnheer de Voorzitter! Bij de namens de fractie van de P.v.d.A. te geven beschouwingen kan ik in deze Kamer, al was zij niet rechtstreeks bij de kabinets crisis betrokken, niet nalaten toch over die kabinetscrisis en kele beschouwingen te geven.

X C R Wij staan, wat ons werk aan deze zijde van het Binnenhof betreft, door die kabinetscrisis voor een wel zeer ongelukkige, het parlementaire werk niet ten goede komende, situatie. Na dat wij vandaag en morgen de algemene politieke en financieel economische beschouwingen zullen hebben gehouden, zullen wij reeds de volgende weck zonder voldoende schriftelijke voorbereiding een aantal zeer belangrijke wetsontwerpen moe ten behandelen en afdoen, nadat ook reeds in de Tweede Kamer de tijd voor een behoorlijke behandeling van die wets ontwerpen heeft ontbroken. Bovendien zien wij dan nog, dat aan de overzijde de behandeling van de begrotingen zo sum mier en zo snel gaat, dat van een van de allereerste en aller oudste rechten van het parlement: het budgetrecht, niet veel overblijft.

X C R Er wordt hierdoor schade toegebracht aan ons systeem van parlementaire democratie. Ik hoop, mijnheer de Voorzitter, dat, althans daar. waar een sneltreinbehandeling niet nodig is, wij niet tot die geforceerde behandelingswijze zullen overgaan.

X C R

X C R Zitting 1966-1967 EERSTE KAMER

X C R

X C R 80 S.stc vergadering - 20 december '66 Algemene politieke en financiële beschouwingen over de rijksbegroting 1967

X C R Vos Deze schade aan ons democratisch bestel is ontstaan door­ dat de kabinetscrisis is uitgelokt bij de algemene beschouwin­ gen over tic begroting in de Tweede Kamer, èn, mijnheer de Voorzitter, doordat de eerste formateur na de crisis, de op­ steller van de aangenomen motie-Schmelzer, ondanks een op­ dracht tot kabinetsformatie, die ruimer was dan vrijwel alle vroegere formateurs in eerste instantie ontvingen, geen kans zag lot het volvoeren van zijn opdracht en zelfs geen kans zag de mislukking van zijn opdracht snel te registreren. De tijd­ nood, waarin wij nu zijn geraakt, is mede het gevolg van het telkens opnieuw moeten „nadenken" van de heer Schmelzer. Ik zou een meer nadenken in de nacht van het opstellen en indienen der motie op prijs hebben gesteld.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Dit is de tweede kabinetscrisis'bin­ nen een vierjarige parlementaire periode. Ook dat is schade­ lijk voor het aanzien van de democratie en nog meer schade­ lijk acht ik de wijze waarop de crisis tot stand kwam.

X C R Het kabinet-Cals was een parlementair kabinet in de meest strikte zin van het woord. Het was gevormd na afspraken over program en politieke samenstelling, met de fracties der drie deelnemende partijen: K.V.P., P.v.d.A., A.R.P. Het was de bedoeling dat dit kabinet zijn werk zou doen tot de ver­ kiezingen van 1967.

X C R In een vraaggesprek met „Vrij Nederland" herinnert de heer Cals eraan, dat op aandringen van de heer Schmelzer de heer Vondeling Minister van Financiën is geworden, omdat de K.V.P. geen Minister van Financiën beschikbaar kon stellen. De heer Schmelzer heeft in de totstandkoming van het kabi­ net dus wel ruim het hem toekomende aandeel gehad.

X C R Natuurlijk kunnen er in de loop van het bestaan van een kabinet bezwaren ontstaan; dit kan zelfs gebeuren binnen een periode van twee jaar. Ik erken eveneens dat de fractie, welke dit ook is, een eigen verantwoordelijkheid heeft tegenover de regering. Maar een fractie die de regering mee heeft helpen vormen, heeft tegenover die regering en tegenover de andere fracties, die aan de samenstelling hebben meegewerkt, even­ eens plichten. Geen enkele „eigen" verantwoordelijkheid mag die plichten doen vergeten, willen niet de trouw en de be­ trouwbaarheid in het gedrang komen. Het was vóór het in­ dienen van de motie-Schmelzer noodzakelijk geweest, om de gelegenheid te vinden, tot een bespreking tussen de drie frac­ tievoorzitters der regeringspartijen te zamen met de MinisterPresident en de beide vice-presidenten van de Ministerraad. Ik zeg niet, dat dit opheldering of uitkomst zou hebben ge­ bracht, maar ik vind het noodzakelijk, dat dit tevoren was ge­ schied. Zoals het nu gegaan is, kan het niet weer. Men mag niet een schip, waarvan men zelf mee de bemanning heeft uitgezocht en waarvan men zelf de koers mee heeft bepaald, onverwacht gedurende de vaart torpederen. Dat gaat mij te ver, wat „eigen verantwoordelijkheid" betreft. In dit opzicht ben ik het dus geheel eens met hetgeen de heer Cals in het in­ terview in „Vrij Nederland" te kennen geeft.

X C R Wij zullen blijkbaar, mijnheer de Voorzitter, bij het aan­ gaan van een parlementaire samenwerking ook ten aanzien van het beëindigen ervan en de wijze waarop enkele regels moeten overeenkomen, nu blijkbaar voor anderen deze regels niet uit normen van goede trouw of zorgvuldigheid voortvloeien.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Verdere beschouwingen over de kabinetscrisis in engere zin, en wat daarbij is geschied, zal ik in deze eerste instantie mijnerzijds niet geven. Wel heb ik na­ tuurlijk behoefte eraan over het voor ons zittende kabinet iels te zeggen.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Hoewel de Minister-President zich formeel op het standpunt heeft gesteld, dat van hem niet meer gevraagd mocht worden dan een verantwoording van zijn eindbeslissing, heeft hij toch t.a.v. de aan zijn formatie voorafgaande periode een klein tipje van de sluier opgelicht. Daarvoor zijn wij dankbaar en ik hoop nog een enkele aan­ vullende vraag te stellen en daarop antwoord te krijgen.

X C R Allereerst echter moge ik stellen, mijnheer de Voorzitter, dat mij het formele uitgangspunt toch nicl juist voorkomt. Het beoordelen van het werk van een formateur — daarvoor is de Kamer de aangewezen instantie — kan niet enkel ge­ schieden op basis van het resultaat, maar alleen — indien men tenminste het werk op zijn juiste waarde wil schatten — als men de uitgangssituatie, waarin de formateur begon, ook kent. Als de stukken door de heer Beel op het bord reeds zodanig waren geplaatst, dat de heer Zijlstra er alleen maar achter behoefde te gaan zitten, blijft nog wel dat erachtcr-gaan-zitten van betekenis, maar dan dient de werkzaamheid van de formateur anders te worden beoordeeld dan wanneer dat niet het geval was. Het is dus voor ons van betekenis, die uit­ gangssituatie te kennen. Daarover zal ik graag meer informa­ tie ontvangen.

X C R Wat de heer Zijlstra erover meedeelt is b.v (zie blz. 847 Handelingen van de Tweede Kamer), dat het, toen hij de formatie ter hand nam, volkomen duidelijk was, dat een kabinet van V.V.D., K.V.P. en C.H.U. — de fracties, die vóór de motie-Schmelzer hebben gestemd — niet kon wor­ den gevormd. Aangezien ik met de heer Toxopeus ■— op dit punt zijn wij het eens — van mening ben, dat voor goede democratische verhoudingen deze oplossing, deze formatie, noodzakelijk zou zijn geweest, zou ik op dit punt toch door de formateur nader geïnformeerd willen worden. Waaruit trok de heer Zijlstra zijn conclusie van het overduidelijk zijn van het niet mogelijk zijn van zulk een formatie? Uit het in­ formatierapport van de heer Beel? Zo ja, mogen wij, nu wij hebben vernomen van de heer Toxopeus, dat deze die for­ matie wel noodzakelijk had geacht, van of via de MinisterPresident vernemen, welke van de beide andere betrokken partijen die formatie onmogelijk heeft gemaakt? Het lijkt mij politiek zeer wenselijk, dat wij dit van de formateur te horen krijgen.

X C R Ik vind dit, mijnheer de Voorzitter, mede nodig, omdat gebleken is, dat de formateur zeer ernstig geaarzeld heeft, vóór hij de opdracht aanvaardde. Ik heb niet de indruk, dat daarbij het persoonlijke element — hoewel niet zonder be­ tekenis — het zwaarst zal hebben gewogen. Wat ik mij wel kan indenken, is, dat de aarzeling is voortgekomen, of mede is /oortgekomen uit de vraag, of het aanvaarden van de op­ dracht een dienst aan de Nederlandse democratie zou bete­ kenen, of aan deze schade zou toebrengen. Want zelfs de heer Zijlstra, mijnheer de Voorzitter, zal niet pretenderen, dat zijn kabinet een logisch uitvloeisel is van democratische parlemen­ taire spelregels, zoals die na het aannemen van de motie- Schmelzer zouden dienen te zijn gevolgd.

X C R Laat ik het eenvoudiger zeggen: Dat de heer Zijlstra de kar voor de K.V.P. uit de mest trekt, moet hij weten, maar gemeten aan datgene, wat in dit land aan politieke duidelijk­ heid nodig is, acht ik het optreden van dit kabinet niet in 's lands belang.

X C R Dit negatieve oordeel geldt natuurlijk niet enkel de forma­ teur, maar zeker ook het blijvend gedeelte of het gebleven gedeelte van het kabinet-Cals.

X C R Over de karakteristiek van het kabinet is aan de overkant van het Binnenhof nogal wat te doen geweest. Het zou kun­ nen worden genoemd — ik omschrijf het maar wat langer — een extra-parlementair minderheidskabinet, gevormd door ministers, behorende tot de K.V.P. en de A.R.P. Die omschrij­ ving is te lang. De Minister-President sprak zelf een ogenblik van een romp-kabinet. Een romp heeft normaliter kop noch staart. Het kabinet lijkt mij echter dan méér, wanneer wij toch over een rompkabinet spreken, een kabinet met een oude romp, met een nieuwe kop en met een nieuwe staart, beide welwillend door deze Eerste Kamer ter beschikking gesteld. Ten slotte, mijnheer de Voorzitter, heeft dit kabinet zichzelf betiteld als overgangskabinet. Het beste ervan is dan ook, dat het gauw overgaat.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Meer dan op de naam, die het kabinet zichzelf geeft, of die het in de loop van de tijd zal wor­ den gegeven, komt het aan op de taak, die het zichzelf heeft toegemeten. Het kabinet heeft niet veel tijd; het kan dus

X C R

X C R Zitting 1966-1967 EERSTE KAMER

X C R

X C R Algemene politieke en financiële beschouwingen over de rijksbegroting 1967 Sste vergadering - 20 december '66

X C R Vos slechts een beperkte taak volvoeren. Daarover zijn wij het eens. Terecht herinnerde de Minister-President er in de Tweede Kamer aan, dat op 15 februari a.s. de demissionaire periode van dit kabinet — in Nederland weet men overigens nooit hoe lang die periode duurt — ingaat. En vóórdien reeds — met het reces van de Tweede Kamer op 15 januari a.s. — komt er in feite een einde aan de normale verhouding tussen parlement en kabinet.

X C R Zie ik het goed, dan heeft de Minister-President het kabinet een vierdelige taak gesteld.

X C R Ten eerste: het doen aannemen van de begrotingen, door het kabinet-Cals ingediend.

X C R Ten tweede: het doen aannemen van een serie belastingen daarmee verband houdende wetten, eveneens door het kabinet-Cals ingediend.

X C R Ten derde: het doen aannemen van een tweetal wetten — uitstel belastingverlaging en vervroegde invoering verhoging omzetbelasting —, door het kabinet-Zijlstra zelf ingediend.

X C R Ten vierde: het nog eens op de helling zetten van een aantal, in het program-Cals opgenomen, voornemens, die zonder kabinetscrisis het parlement zouden hebben bereikt.

X C R Ik zal in het vervolg van mijn rede deze indeling volgen, en daarbij dan met name de nieuwe financiële wetten van het kabinet plaatsen tegen de achtergrond van de sociaal-economische situatie in ons land.

X C R Ik begin dan met die eerste taak: het doen aannemen van de door het kabinet-Cals ingediende begrotingen. De Minister-President heeft in de Tweede Kamer reeds zeer duidelijk doen uitkomen, dat hij niet van plan is en er ook geen kans voor ziet om die begrotingen nog eens met elk der Ministers door te nemen. Zij zullen waarschijnlijk, door het tempo van behandeling aan de overzijde, minder aan wijziging onderhevig zijn dan bij een normale procedure, al weet ik, dat men begrotingen nooit, zelfs als ze zijn aangenomen, als starre schema's moet zien. De uitgaven wijzigen zich steeds, zowel naar hoogte als naar tijdstip van betaling; de vele aanvullende begrotingen leren het ons. Toch is het politiek belangrijk, dat het door het kabinet-Cals voorgestelde uitgavenschema voor 1967 door de Minister-President is aanvaard en voor zijn verantwoording genomen, ook als Minister van Financiën.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Voor de Eerste Kamer geldt de noodzaak van de excessief snelle behandeling van de begrotingsontwerpen niet. Ik hoop dan ook, dat wij — al missen wij het recht van amendement — voldoende tijd voor die behandeling zullen nemen, en daardoor inlichtingen zullen kunnen verkrijgen van een nieuw kabinet t.z.t., die voor de ontwikkeling van onze inzichten en voor onze besluitvorming van betekenis zullen zijn.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Anders staat het met de tweede groep van wetsontwerpen, waarvan het kabinct-Zijlstra de aanneming hoopt te bevorderen; ik bedoeld dus de financiële wetsontwerpen, door het kabinet-Cals ingediend, en wat daarbij hoort. Wij zullen deze ontwerpen helaas reeds de volgende week hebben te behandelen. Wij staan hier in de Eerste Kamer voor dezelfde noodsituatie als de Tweede Kamer stond, ja nog erger, omdat wij geen enkele schriftelijke voorbereiding zullen hebben. Bijna zonder studie en zonder schriftelijke discussie zullen wij ja of nee moeten zeggen, terwijl het in totaal over enkele honderden miljoenen gaat en om de gevolgen ervan voor de nationale economie en voor verschillende sectoren daarvan, waarbij ik met name aan de verkeerssector denk. Ik zal mij op dit ogenblik van een gedetailleerd oordeel onthouden en alleen uitspreken, dat de omvang van het totale pakket der maatregelen, door de vorige Regering ontworpen, mij voor de budgettaire situatie volkomen voldoende leek en nog lijkt, al had ik mij een ander pakket kunnen voorstellen met eenzelfde effect. Ik zeg dus uitdrukkelijk, dat ik niet automatisch het hele pakket in zijn samenhang zonder reserve zou hebben aanvaard, Mijnheer de Voorzitter! Ik kom nu tot de door het kabinetZijlstra nieuw ingediende voorstellen en daarmee ook tot een bespreking van de algemene economische toestand.

X C R In de memorie van toelichting van de heer Vondeling, waarbij zijn nieuwe maatregelen werden aangekondigd, werd gesteld, dat „in de loop van het jaar, alle — economische — seinen op onveilig moesten worden gesteld." Deze seinen betreffen: situatie betalingsbalans, spanning op de arbeidsmarkt, inflatietendensen, de kapitaalmarksituutie met een snel oplopende rentestand.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Dit zijn tussen haakjes allemaal elementen van een z.g. klassieke hoogconjunctuur — de heer Zijlstra weet wel wat ik bedoel — wanneer die op z'n eind begint te lopen.

X C R Hoe heeft nu in de laatste maanden, met name ook na het schrijven van de miljoenennota, de economie zich ontwikkeld?

X C R Ik neem als eerste element de betalingsbalans. Om daar iets zinnigs over te kunnen zeggen, kijk ik altijd naar de handelsbalans. Daarvan hebben wij de gegevens trouwens ook gauwer binnen. Vóór de oorlog konden wij met een dekkingspercentage van invoer door uitvoer van 70 volstaan voor evenwicht in de betalingsbalans; na de oorlog ligt dit percentage hoger. Mijn berekeningen op basis van de gegevens der laatste jaren leiden tot een percentage van 85 a 86. Ik verwacht, dat de Minister-President — wij hebben hierover wel eens gesproken — dit uitgangspunt aanvaardt.

X C R Nu is enkele dagen geleden het dekkingspercentage over november 1966 bekend geworden, doch ik zou het onjuist achten aan dat ene cijfer al te veel betekenis te hechten. Daarover zijn de heer Zijlstra en ik het weer grondig eens. Wel betekenis — en zeer veel betekenis — hecht ik aan de ontwikkeling in de loop van een geheel jaar. Ik heb daarom de ontwikkeling, zoals deze zich aan ons voordeed, van december 1965 tot december 1966 kwartaalsgcwijze gevolgd. Van december 1965 tot december 1966 nu was de ontwikkeling van het dekkingspercentage kwartaalsgcwijze als volgt: december 1965 t/m februari 1966: 77,4 — dus zeer leeg —; maart t/m mei 1966: herstel tot 81,0; juli t/m augustus 1966: oplopend tot 84,7 en september t/m november 1966: 90,3.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Hieruit spreekt een voortschrijdende constante verbetering, welke voor het halfjaar juni t/m november 1966 een overschot zal laten in de betalingsbalans. Voeg ik hier nu aan toe, dat volgens de kerngegevens, opgenomen in het 9de halfjaarlijkse economische rapport van de S.E.R., van 1966 op 1967 nog een verbetering wordt verwacht in de betalingsbalans van ruim 1 mld. gulden — en een overschot van 800 min. —, dan meen ik dat het tijd kan zijn, het signaal voor de betalingsbalans van onveilig op veilig te stellen. Natuurlijk zullen wij het verdere verloop moeten blijven volgen. Wij dienen echter óók te bedenken, dat een te gunstige betalingsbalans voor ons land ergens anders een ongunstige betalingsbalans betekent — daaraan denken wij veel te weinig —, hetgeen in de huidige wereldverhoudingen — ik denk aan de situatie ten opzichte van de Verenigde Staten en Engeland — met een grote deviezenreserve in West-Europa en in ons land internationaal geen voordeel behoeft te zijn, ook niet voor ons!

X C R Mijnheer de Voorzitter! Ik kom nu tot de toestand op tic arbeidsmarkt. Wij hebben de laatste jaren geleefd met een overspanning op de arbeidsmarkt en wanneer de vorige Minister van Financiën sprak over „alle seinen op onveilig", dan bedoelde hij daarmee voor wat de arbeidsmarkt betreft, dat de spanning daar nog steeds voortduurde. Ook daaraan is in de laatste maanden abrupt een einde gekomen. Het aantal openstaande aanvragen van werkgevers, een wonderlijk gegeven, maar dat toch een bepaalde betekenis heeft, na sci/ocncorrectie — ik breng die telkens aan — schommelde volgens het maandverslag van de arbeidsmarkt over november 1966 over de gehele periode 1963 t/m 1965 zo ongeveer rond 85 000 met daar tegenover een geregistreerde arbeidsreserve, met 10 000 minder geschiklen inbegrepen, van gemiddeld rond

X C R

X C R Zitting 1966-1967 EERSTE KAMER

X C R

X C R 82 8ste vergadering - 20 december '66 Algemene politieke en financiële beschouwingen over de rijksbegroting 1967

X C R Vos 30 000. De verhouding tussen deze beide getallen, aanvragen en aanbiedingen, die men als een maat kan zien voor de spanning op de arbeidsmarkt, was dus bijna 3 op 1 in de achter ons liggende jaren. Vanaf juni van dit jaar — en met een versnelling in de laatste drie maanden — wijzigt zich dit beeld, zoals overigens ook in 1951 en in 1957 plotselinge omslagen voorkwamen. De laatste cijfers, eveneens gecorrigeerd voor seizoenbewegingen, zijn volgens het maandverslag arbeidsmarkt: geregistreerde mannelijke arbeidsreserve en aanvragen van werkgevers beide ongeveer 60 000, zelfde niveau. De verhouding is nu 1 op 1. Het sein ten aanzien van de spanning op de arbeidsmarkt — al liggen de verhoudingen gewestelijk en ook bedrijfstakgewijs verschillend — kan in zekere zin op veilig worden gesteld. Ik zie er niet aan voorbij, dat wij ons nu reeds — en gelukkig ook de Minister-President — naar het vraagstuk van de werkloosheid gaan keren.

X C R Er is immers alle reden ten aanzien van de zich ontwikkelde werkloosheid alle waakzaamheid te betrachten, want ook na november, na de laatste cijfers, hebben we weer een serie aanduidingen gehad van stijgende werkloosheid, van ontslagen aan de lopende band. De beide vorige keren, dat de werkloosheid groeide, lag het maximum ongeveer 15 tot 18 maanden na de omslag, doch ik zou deze periode toch geen staat durven maken en zeggen, dat wij in de loop van het volgende jaar wel automatisch het maximum zullen bereiken.

X C R Want zowel in 1951/52 — toen was er een consumptiebeperking door een prijsverhoging van 10 pet. bij een loonsverhoging van 5 pet. — als in 1957/58 — toen hadden wij een algemene bestedingsbeperking van consumptie en investeringen beide — was de omvang van de maatregelen, grotendeels door de overheid genomen en beheerst, beslissend. Ditmaal is de omslag gekomen zonder een specifiek beperkingsprogram van de overheid, al hebben regeringsbeslissingen en monetaire maatregelen hun invloed gehad. Ook in dit opzicht heeft de huidige omslag meer het kenmerk van een omslag in een klassieke hoogconjunctuur dan de vorige. Verschijnselen in Duitsland en Frankrijk met een toenemende werkloosheid en een toenemende ongerustheid over werkloosheid, een werkloosheid, die nu ook voor ons land belangrijk kan worden, wijzen in dezelfde richting. De maatregelen in Engeland hebben meer weg van de Nederlandse rondom 1957/1958; meer direct overheidsingrijpen.

X C R In verband met ons inzicht in de maatregelen, die genomen moeten worden, en mede omdat hier naar mijn mening een deel van het verschil tevoorschijn komt in het oordeel over die maatregelen tussen ons en de Minister-President, zou ik de oorzaken van de werkloosheid willen catalogiseren, zij het slechts in enkele hoofdgroepen indelend.

X C R Een groep van oorzaken is: het maken van fouten door bedrijfsleidingen, waarbij soms fouten aan wandaden en misdaden grenzen. De geschiedenis Texeira de Matthos en de geschiedenis van de Vasco in Heerlen leren ons hoever dit kan gaan. De fouten en misslagen komen dikwijls in een krappe kapitaalmarkt te voorschijn, omdat het dan moeilijker wordt het ene gat met het andere te stoppen, maar de fouten en de gaten waren er.

X C R Belangrijker echter is de groep van oorzaken, die samengevat kan worden als zijnde van structurele aard; het maandverslag-arbeidsmarkt geeft als schatting: 6000 voor eind november 1966. De verschuivingen van structurele aard — ik denk aan de kolenmijnbouw in Zuid-Limburg en aan een aantal inkrimpingen in de textielindustrie en in de metaalindustrie — staan met de krapte op geld- en kapitaalmarkt niet in direct verband. Structurele werkloosheid blijft echter dikwijls — dat erken ik graag — in een hoogconjunctuur wat verborgen; zij treedt duidelijker op bij een omslag als waarvoor wij nu staan.

X C R Naar mijn indruk is echter in de achter ons liggende periode, in de achter ons liggende maanden, met name de conjuncturele werkloosheid belangrijk aan het worden, al geeft het maandverslag-arbeidsmarkt per eind november 1966 nog slechts een getal van 1000 aan. Zij is toegenomen en neemt ook nog verder toe. De laatste dagen was er het bericht van een korter werken niet alleen in de Volkswagenfabriekcn in Duitsland met een aantal van 100 000 produktic-eenheden, maar ook in een van de Philipsbedrijven in ons eigen land. Er was het bericht van het sluiten van een confectiebedrijf in Groningen en van een textielbedrijf — voor de helft — in Tilburg. In al deze gevallen lijken mij conjuncturele oorzaken — naast gedeeltelijk structurele voor de textiel — de beslissende geweest te zijn.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Ongetwijfeld is er naast de oorzaken die ik reeds noemde, een niet in de maandverslagen-arbeidsmarkt geanalyseerde, verdere oorzaak, die in de hoogconjunctuur werkt, nl. de krapte op de geld- en kapitaalmarkt, waarvan de hoge rentestand mede een indicatie is. Investeringen kunnen daardoor te duur worden en niet doorgaan, of liquiditeitsmoeilijkheden kunnen tot liquidatie dwingen. Een indicatie hiervoor geven misschien de cijfers van de werkloosheid in de bouwvakken: van oktober 1965 op november 1965 een vermeerdering met 3300 werklozen, welke ik als seizoenmatig beschouw — zij is niet overmatig —; van oktober 1966 op november 1966 een vermeerdering met ruim 9000 werklozen, waarvan slechts een deel door seizoenoorzaken. De werkloosheid in de bouwvakken is thans tot 6 pet. opgelopen.

X C R Ik zou echter, mijnheer de Voorzitter, deze laatste oorzaak, die van de geldkrapte, niet als oorzaak voor het geheel van de toenemende werkloosheid de belangrijkste plaats willen en durven geven, hetgeen weer betekent dat wij ook niet de remedie daar alleen willen zoeken.

X C R In dit verband rijst de vraag of de Regering beschikt over een nadere diepcrgaande kwantitatieve analyse van de oorzaken van de gestegen werkloosheid dan in het maandverslag-arbeidsmarkt is gegeven. Zo ja, dan zou ik die graag vernemen.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Samenhangende hiermede nog een opmerking over de geld- en kapitaalmarkt die mij van belang voorkomt voor onze discussie. Bij een teruglopende conjunctuur — die zie ik duidelijk — verruimt meestal, met enige vertraging, de geld- en kapitaalmarkt, omdat de stroom van besparingen, die aan deze markt wordt toegevoerd in eerste instantie minder snel afneemt dan de stroom van betalingen, welke aan die markt wordt onttrokken.

X C R Indien deze algemene stelling ook ditmaal opgaat, zal misschien ook zonder extra middelen van de zijde der overheid, het signaal voor de kapitaalmarkt, dat thans nog op onveilig staat in onze economie, in een andere stand kunnen worden gebracht.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Gedurende de discussies in deze Kamer in de aflopen jaren hebben zowel de heer Zijlstra als ik, en ook vele anderen, telkens de kwestie van de inflatie de volle aandacht gegeven. De cijfers liegen er dan ook niet om: van 1959/60 tot 1963 stegen de kosten van levensonderhoud met 7 pet., een gemiddelde van 2 pet. per jaar, dat, hoewel toch op langere duur bezwaarlijk, economisch nog wel te verteren is in een gemeenschap in ontwikkeling. In de daarop volgende periode echter gaat de sluipende inflatie over in een hollende: 1964 stijging van 107 op 113; 1965 stijging van 113 op 118; 1966 stijging tot 124. Zulk een ontwikkeling zet te veel op z'n kop. Er is slechts één, zij het nog beperkte, aanduiding van een wijziging in de goede richting: voor 1967 wordt een iets kleinere stijging verwacht, nl. van 4 pet.

X C R Ik voeg hieraan toe, dat dit percentage hoger kan worden wanneer bepaalde regcringsmaatregelen, met name die ten aanzien van de omzetbelasting, doorgaan. Ik acht het ook niet onmogelijk, dat de stijging onder invloed van conjuncturele factoren iets geringer zal zijn dan wordt verwacht. Ik wilde aangeven, dat dit cijfer, dat uit de oude opstelling voortvloeit, iets lager is dan het de vorige keer was en dat het begin van de redress onder de Regering Cals-Vondeling is gelegd. De lijn van de inflatie begint een zwakkere helling te vertonen. Dit acht ik van betekenis, omdat een gedeelte van deze helling nog altijd voorkomt uit beslissingen die in vorige jaren zijn genomen.

X C R

X C R Zitting 1966-1967 EERSTE KAMER

X C R

X C R Algemene politieke en financiële beschouwingen over de rijksbegroting 1967 8ste vergadering - 20 december '66

X C R Vos Mijnheer de Voorzitter! Over de loonpolitiek, of liever over de economische aspecten daarvan, wil ik kort zijn, maar ik kan er toch niet aan voorbijgaan. Volgens de macro-economische verkenningen wordt de stijging van de kosten van levensonderhoud voor 1967 ten opzichte van 1966 op ongeveer 4 pet. geraamd en de produktiviteitsstijging op 3,5 pet. Welnu, mijnheer de Voorzitter, bij een stijging van de produktiviteit van 3,5 pet. zou in normale omstandigheden ook het reële levenspeil met 3,5 pet. moeten kunnen stijgen.

X C R Nu heeft de vakbeweging zich, gezien de problemen van de inflatie die ook zij kent en de problemen van onze concurrentiepositie die ook haar niet voorbijgaan, bereid verklaard een directe loonstijging te aanvaarden, die, naar ik heb begrepen, in feite weinig meer bedraagt dan de te verwachten stijging van de kosten van levensonderhoud. Ik meen dat de vakbeweging hiermee zover is gegaan als voor haar mogelijk is. Ik acht een achterblijven van de loonstijging bij de kostenstijging, hetgeen voor zover ik heb kunnen zien uit de opstelling, welke de Regering in de loonpolitiek heeft gekozen ongeveer zal volgen — dat is dus het aanvaarden van de teruggang van het levenspeil bij een verdere toeneming van de produktiviteit — onaanvaardbaar. Ook nu, na het debat in de Tweede Kamer, verzoek ik de Regering, gezien de huidige situatie en de conjuncturele ontwikkeling die zal plaatsvinden, in haar programma de garantie op te nemen, dat zo'n achteruitgang niet zal worden aanvaard en dat zij daarmee bij de loonpolitieke beslissingen rekening zal houden. Zulk een politiek zou nl. een consumptiebepcrking betekenen en die kan, nu de omslag in de conjunctuur aanwezig is, averechtse gevolgen hebben. Wij krijgen ook bij een gelijk opgaan van lonen en kosten van levensonderhoud een teruggang in de totale consumptie, omdat er een gemiddelde grotere werkloosheid wordt verwacht en een werkloze nooit op zijn oude consumptiepeil blijft. Wil men de loonstijging beperkt houden, dan moet men de kostenstijging beperken. De Regering had hieraan kunnen bijdragen door bij voorbeeld een deel van de stijgende lasten van de sociale verzekering voor haar rekening te nemen.

X C R Het kabinet Cals-Vondeling heeft de huurverhoging een half jaar uitgesteld; het daartoe strekkende voorstel gaan wij volgende week in deze Kamer behandelen. Het ware mijns inziens juister geweest, deze minstens het gehele jaar 1966 uit te stellen, ten einde meer inzicht te krijgen in het verdere verloop van de conjunctuur en van het kostenpeil. Deze verhoging zal het kostenpeil weer omhoog brengen en daarmee de vraag van de compensatie aan de orde stellen. Ook op andere punten zou men nog wel iets hebben kunnen doen. Ik voeg daaraan toe dat men naar mijn mening — het is een bekend standpunt — nooit een inkomenspolitiek mag voeren alleen ten aanzien van de werknemers, dus alleen in de vorm van een loonpolitiek, maar dat daar aanmerkelijk meer bij hoort. Ik heb elke eerste aanduiding van een inkomenspolitiek in die richting bij de bespreking in de Tweede Kamer van de zijde van de Regering gemist. Ten aanzien van de hogere inkomens hebben wij reeds meermalen een veel grotere openheid gevraagd bij de naamloze vennootschappen. Wij hebben dus ook gevraagd om mededeling van de salarissen van de directies, mededeling in de jaarverslagen van de tantièmes die worden gegeven en tevens om een regcringspolitiek ten opzichte van deze vragen in het nationale leven. Die missen wij aan alle kanten.

X C R Ik kom hiermee bij het voorstel van de Regering, de verlaging van de loon- en inkomstenbelasting een half jaar uit te stellen. Over de verhoging van de omzetbelasting zal ik daarna spreken. Mede in verband met het uitstel van de verlaging van de loon- en inkomstenbelasting heeft de Regering ook voorgesteld — dit voorstel is helaas door de Tweede Kamer aanvaard —, de verlaging van de ongehuwdenbelasting met een half jaar uit te stellen. Het verheugt mij, dat het ondanks alle moeilijkheden van begroting-technische aard toch de heer Vondeling was die dit wetsontwerp heeft ingediend en dat langzamerhand algemeen het besef heeft postgevat dat deze extra-belasting de ongehuwden een te groot deel doet bijdragen in de algemene middelen. Wij betreuren dat dit uitstel, ook al is dat meer om technische dan om financiële redenen geschied, is aanvaard. Vooral over het vraagstuk van de ongehuwdenbelasting hebben wij in een volgende periode nog wel iets extra's te zeggen.

X C R De door de heer Vondeling ingeleide verbetering is iets. maar het is naar onze mening toch nog niet, waar wij naar toe moeten.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Het is bekend, dat het overgrote deel van mijn fractie in deze Kamer destijds heeft gestemd tegen de wet met betrekking tot de verlaging van de inkomstenbelasting. Het zou voor mijn fractie in de lijn kunnen liggen om zelfs het tijdig uitstel ervan gretig te accepteren.

X C R De heer Zijlstra, Minister-President. Minister van Algemene Zaken, Minister van Financiën: Ja.

X C R Vos (De heer) (PvdA)

no member profile picture

X C R Ik dacht wel, dat dit antwoord van de Minister-President op dit punt zou komen.

X C R Ik verzeker de Minister-President gaarne, dat wij dit ook zouden hebben gedaan, indien de belastingopbrengsten, die hierdoor extra binnenvloeien boven hetgeen het kabinct-CalsVondeling nodig achtte, zouden zijn gebruikt om andere voorgestelde belastingverzwaringen niet te doen doorgaan, zoals de verhoging van de druk van de sociale lasten, verhoging van de olie-accijns of een gedeelte van de verhoging van de benzine-accijns en de verhoging van de motorrijtuigenbelasting; een ander voorbeeld zou zijn geweest het aanvaarden van het amendement om in elk geval het openbare vervoer van de lastenverzwaring vrij te stellen. Zulk een wijziging zou een beperking hebben betekend van de stijging van de kosten van levensonderhoud door wijziging in de verdeling der belastingdruk. Wij kunnen in deze Kamer geen tegenvoorstellen van deze aard meer doen en ik heb ook niet de indruk, dat zij bij de Minister-President, tevens Minister van Financiën, in goede aarde zouden vallen. Zou dit wel het geval zijn, dan hoor ik het ook graag, maar het ,,ja" van de heer Zijlstra blijft nu uit. De heer Zijlstra eist de gelden, extra binnenkomend door het uitstel der belastingverlaging op boven de middelen, volgens de bcgroting-Cals-Vondeling verschaft.

X C R Nu wil ik nog eens duidelijk stellen, dat ik begrepen heb, dat de heer Zijlstra deze extra-middelen niet als middelen voor uitgavenvcrgroting of inkomstcndekking wil gebruiken: zo heb ik het tenminste uit de stukken begrepen. Hij acht de opzet der begroting-Cals-Vondeling op zich zelf naar uitgavenen inkomstenkant acceptabel voor de huidige situatie. De heer Zijlstra wil echter over de extra-middelen beschikken om het liquiditeitsreservoir, dat op een laag peil is gekomen, wat bij te vullen en daardoor de doorstroming van middelen in het maatschappelijk proces te bevorderen. Ik wil graag ook van dat gezichtspunt uit de maatregelen beoordelen en dan tegen de achtergrond van hetgeen ik heb betoogd ten aanzien van de conjuncturele situatie.

X C R Allereerst zou ik de Minister willen vragen om nog eens precies te kwantificeren waarom het ongeveer voor het volgende halfjaar gaat. Ik neem een halljaar, zowel vanwege het karakter van dit kabinet, als vanwege tic snelle wijziging, welke in hel conjunctuurbeeld optreedt. Hoeveel brengt het uitstel in totaal op. en hoeveel komt hiervan naar de schatting van Financiën het eerste halfjaar werkelijk binnen? Ik las in het antwoord van de Minister in de Tweede Kamer ergens, dat het gaat om 300 min., maar ik kon niet uilvinden — misschien heb ik in twee dagen tijd niet alles tot op de grond kunnen bestuderen — of daarmee alleen de inkomsten door het uitstel der belastingverlaging, waarover ik nu spreek, waren bedoeld.

X C R De hierbij aansluitende vraag is — op een vraag van de heer Scholten in de Tweede Kamer heeft de Minister getracht hierop te antwoorden — welk bedrag door de Minister wordt verondersteld, dat van deze 300 min. — ik neem dat gehil nu maar totdat ik een beter heb — anders naar de kapitaalmarkt

X C R

X C R Zitting 1966-1967 EERSTE KAMER

X C R

X C R 8 4 8ste vergadering - 20 december '66 Algemene politieke en financiële beschouwingen over de rijksbegroting 1967

X C R Vos zou vloeien. Wij horen zo uitentreure, dat de hoge directe belastingen de besparingen bedreigen dat er iets van aan moet zijn, maar welk percentage van deze door de burgers af te dragen belastingen gaat anders naar de kapitaalmarkt en welk deel naar de consumptie? Wij weten dit niet precies. De Minister heeft een bedrag genoemd van ongeveer 15—20 pet.; dit geldt voor degene, die dit uitstel betreft en die dus iets langer zal moeten betalen. De Minister heeft, meen ik, dit percentage genoemd bij de bespreking van het amendement-Schollen. Bij de hogere inkomens zal dit percentage waarschijnlijk iets hoger liggen. Ik meen, dat het effect toch niet onbelangrijk is, omdat in elk geval het deel, dat anders wordt gespaard — en dat nu niet wordt gespaard — vermindert. Hef effect, dat de Minister beoogt ten aanzien van zijn operatie op de kapitaalmarkt en met betrekking tot de liquiditeitenpositie wordt daardoor geringer. Mijn indruk is, dat wij voor het eerste halfjaar spreken over een overheveling van ruim 200 min. van de consumptie- naar de liquiditeitenrcserve. In die buurt zal het ongeveer liggen. Het kan 50 min. meer zijn, maar toch niet zoveel meer.

X C R Ik heb mijnerzijds reeds aan de Minister toegegeven, dat een vermeerdering van de liquiditeitenreserve tot een doorgaan van investeringen kan leiden, die anders niet tot stand komen; ik verwacht dat de Minister zijnerzijds zal toegeven, dat een deflatoire ingreep — immers, dat is het dan — van de orde van grootte van 200 min. op een ogenblik, dat de spanning op de arbeidsmarkt verdwenen is of aan het verdwijnen is, eveneens, maar dan negatieve werkgelegenheidsconsequenties meebrengt. Theoretisch moet zelfs het laatste effect groter zijn dan het eerste positieve, dat de Minister beoogt. Immers, als werkelijk door de toevloed van 200 min. aan liquiditeiten ook 200 min. geactiveerd zou worden, zou het door hem beoogde effect van verruiming der liquiditeitspositie niet worden bereikt of snel weer teniet worden gedaan. Ik acht het onjuist per saldo een deflatiepolitiek in te leiden of te versterken op het ogenblik van een omslag in de conjunctuur. Het wachtwoord luidt thans naar ons oordeel: voorzichtig met het bevorderen van deflatie.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Ik kom nu tot de omzetbelasting. Ik zou met zeer veel klem de Regering willen vragen het aannemen van dit wetsontwerp en het doen ingaan van de wet op 1 juli a.s. ervan, niet van de Kamer op dit ogenblik te vragen. Er is tijd genoeg voor een meer gedegen, reële behandeling en bovendien zal het toch nodig zijn voor een volgende regering, zich een oordeel te vormen over de situatie per 1 juli a.s. Dan krijgen wij nl. gelijktijdig, zoals het zich nu laat aanzien en wanneer het wetsontwerp betreffende de omzetbelasting zal worden aangenomen, de huurverhoging, de omzetbelasting en de invoering van nieuwe sociale wetten met haar premielast, allemaal te verwerken, hetgeen een verhoging van de kosten van levensonderhoud meebrengt en de daarbij behorende compensatie van lonen en van een deel der pensioenen. Het is niet ondienstig dit complex rustig te kunnen bestuderen. Ik voeg er nog aan toe. dat het ons niet onbekend is, dat ook de omzetbelasting in discussie is binnen de E.E.G. — ik noem het probleem der harmonisatie — en dat het toch ook niet van betekenis ontbloot zou zijn de verhoging van onze omzetbelasting en het effect op verschillende bedrijfstakken, dat ervan kan uitgaan, te bezien in verband met deze harmonisatie en wat er op den duur voor nodig is.

X C R Ik had er al bezwaar tegen, mijnheer de Voorzitter — ik heb dat destijds in „Vrij Nederland" bij een beschouwing over de miljoenennota geschreven —. dat de Regering-Cals-Vondeling de verhoging der omzetbelasting per 1 januari 1968 ging voor-i stellen. Men hoeft het bed voor zijn opvolgers niet van te voren helemaal op te schudden. En bovendien zou kunnen blijken, dat die opvolgers andere mogelijkheden zien voor evenwicht tussen inkomsten en noodzakelijke uitgaven. Ik zie geen noodzaak het wetsontwerp inzake de omzetbelasting in sneltreintempo in deze Kamer te behandelen. Wij gaan. anders dan de Tweede Kamer, niet op reces vóór de verkiezingen. Wij kunnen het dus, als de Minister het op prijs stelt, in elk geval hier vóór 15 februari behandelen. Gaarne hoor ik het antwoord van de Minister over de mogelijkheid, die hij ziet om de behandeling van het wetsontwerp betreffende de omzetbelasting hier uit te stellen, al weet ik, dat de Kamer ook ten dezen haar eigen agenda mag maken en behoort te maken.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Ik kom tot het einde van mijn betoog. Ik heb niets gezegd over de buitenlandse politiek, de E.E.G. en de aansluiting van Groot-Brittannië daarbij, niets over sociale zaken, over woningbouw en verkeersproblematiek, niets over de research of de cultuurpolitiek. Deze onderwerpen en nog tal van andere kunnen bij de afzonderlijke begrotingsbehandelingen aan de orde komen. Ik heb ook niets gezegd over de spcculatiewinstbelasting, over het omroepwetsontwerp, noch over de in het programCals opgenomen en voorbereide ontwerpen, die ons ter harte gaan, b.v. die ten aanzien van de grondeigendom en de grondaankopen door de gemeenten. Ik heb deze zaken niet besproken, omdat ik niet verwacht, dat wij als Eerste Kamer, zelfs niet wanneer deze wetsontwerpen geheel of gedeeltelijk de Tweede Kamer zullen passeren, met deze Regering daarover nog van gedachten zullen kunnen wisselen voor hun demissionaire periode. Wij hebben slechts zes weken na Nieuwjaar tot aan de verkiezingen.

X C R Maar één onderwerp is er, waarover ik niet wil zwijgen: het continentale plat; het gas en de olie uit de Noordzee.

X C R Ik heb destijds op verzoek van Minister De Pous samen met de heren Van der Grinten en Tromp een rapport mogen samenstellen over de aardgas-exploitatie en distributie van de concessie Slochteren. Ik heb daarna, als lid van de Mijnraad, adviezen mee mogen samenstellen voor de Minister van Economische Zaken over eventuele concessie-uitgiften in Friesland en Noord-Holland. Ik heb óók deelgenomen aan het samenstellen van het volgens de wet door de Mijnraad te geven advies inzake de concessievoorwaarden op het continentale plat.

X C R In al deze gevallen zijn de oliemaatschappijen gehoord. Ik heb dus meermalen met de vertegenwoordigers van die maatschappijen aan één tafel gezeten. Ik heb bij deze besprekingen de indruk bevestigd gevonden van zeer grote bekwaamheid en zeer grote deskundigheid van de betrokkenen, en ik heb met bijzonder plezier de conversatie gevoerd, zowel daar, waar wij het eens waren, als daar waar de meningen bleken te verschillen.

X C R De grote bekwaamheid en deskundigheid strekt zich echter ook uit tot het verdedigen van de eigen belangen van die maatschappijen tegenover de Staat. Ik zal de laatste zijn. die deze verdediging aan de betrokkenen kwalijk neemt.

X C R Wanneer het echter om concessievoorwaarden gaat voor de exploitatie van gas en olie, welke volgens de wet aan de Nederlandse gemeenschap in eigendom toebehoren, is het voor het belang van die Staat geboden om even deskundig en even bekwaam ook een hard gevecht te voeren. Het gaat hierbij naar alle waarschijnlijkheid om honderdtallen, zo niet duizendtallen miljoenen guldens. Om zulk een hard gevecht te kunnen voeren moet men ook tijd hebben; men moet dan ook tegen de oliemaatschappijen kunnen zeggen, dat, indien zij het niet doen, wij het zelf zullen doen. Deze tijd heeft de overgangsregering niet. Ik zou het, bij alle bekwaamheid en deskundigheid, welke ik de heer Zijlstra op dit punt gaarne toegeef en welke ook minister en departement kunnen opbrengen, toch zeer sinister vinden indien, juist door dat gebrek aan tijd, de 500 min gulden, welke deze Regering nu vraagt van het Nederlandse volk, met de andere hand zouden worden doorgegeven aan de oliemaatschappijen. Hiervoor is maar een kleine wijziging in de concessievoorwaarden noodzakelijk.

X C R Daarom, de stand van zaken kennende, wens ik juist aan deze Minister van Financiën, die de oliemaatschappijen ook kent, en aan de Minister van Economische Zaken de kracht en de wijsheid toe om of van het nemen van be

X C R

X C R zitting 1966-1967 EERSTE KAMER

X C R

X C R Algemene politieke en financiële beschouwingen over de rijksbegroting 1967 8ste vergadering - 20 december '66 85

X C R Vos e. a.

X C R sluiten af te zien, of besluiten te nemen welke niet essentieel verschillen van die, welke door Minister Den Uyl waren voorbereid. Hiermede wil ik mijn betoog dan eindigen.

X C R IJmkers (De heer) (CPN)

no member profile picture

X C R Mijnheer de Voorzitter! Ook de nu achter ons liggende kabinetscrisis (de tweede in één regeringsperiode), is in een waas van geheimzinnigheid gehuld, ondanks alle geroep om openheid in de politiek. Argumenten om deze crisis te verklaren zij.i er vele: de begroting zou onvoldoende dekking hebben, er zou teveel uitgegeven worden, de export daalt, de import stijgt, betalingsbalans en werkgelegenheid zijn niet in evenwicht en meer van dat soort.

X C R Waarom het kabinct-Cals moest verdwijnen is echter nog niet duidelijk geworden. De parlementaire aanleiding tot de crisis, de motie-Schmclzer, was het dekkingsplan. Het overgangskabinet wil zich echter niet inlaten met de oorzaken van de kabinetscrisis. Zacht gezegd blijft het een merkwaardige crisis, die echter dit gemeen heeft met voorgaande kabinetscrises, dat opnieuw een aanslag op de beurs van de gewone man wordt gedaan. Aangenomen kan worden dat de loonpolitiek één van de hoofdoorzaken van de val van het kabinet-Cals is geweest. Het program van de heer Zijlstra is er één van bestedingsbeperking en wel in de eerste plaats op kosten van de loon- en salaristrekkenden. Dat blijkt o.m. uit het uitstel van de verlaging van de inkomsten- en loonbelasting, het vervroegen van de verhoging van de omzetbelasting, alsmede enige andere accijns- en belastingverhogingen en de stijging van de premielasten voor sociale verzekeringen per 1 januari 1967.

X C R Stel daarnaast de geschatte prijsstijgingen van 4 pet. (of meer) voor 1967 en de toegestane loonkostenstijging van maximaal 4 pet. per 1 januari, dan is het duidelijk dat vooral de lagere inkomens getroffen worden. Dit betekent voor een gemiddeld arbeidersgezin ca. f 10,— per week minder inkomsten.

X C R Het N.V.V. wil geen mede-verantwoording voor het loonbeleid dragen omdat zij de toegestane 4 pet. te weinig acht, een mening die ik kan delen ofschoon het N.V.V. hoger loon denkt te realiseren via het z.g. „spaarloon", waar ik geen voorstander van ben. Als uitgangspunt t.o.v. loonsverhoging zou ik de langlopende c.a.o.'s, welke een verhoging van 7 pet. inhouden, willen nemen. Dit percentage benadert meer de werkelijkheid dan de 4 pet. van de Regering. Zij zal er ernstig rekening mee moeten houden, dat de arbeiders met die 4 pet. geen genoegen zullen nemen en, zo nodig, actie zullen voeren voor hogere lonen. De winstcijfers van de grote ondernemingen laten flinke loonsverhogingen beslist toe.

X C R De arbeiders behoeven zich niet bang te laten maken als zou er dreiging van grote werkloosheid bestaan. Er hebben zich een aantal ontslagen voorgedaan. In de drie noordelijke provincies (vooral in Drenthe) en in Limburg is de toestand minder gunstig dan in het westen van ons land. Ook in de woningbouw ligt het aantal werklozen boven het landelijke gemiddelde, wat bij de nog steeds voortdurende grote woningnood een schandaal is. Er zijn enkele oorzaken voor de ontslagen aan te geven. In de eerste plaats is daar de financiële positie waarin de gemeenten verkeren. Nagenoeg alle gemeenten kampen met grote tekorten op hun begroting omdat de uitkering uit het Gemeentefonds onvoldoende is. Bovendien heeft de maatregel van de centrale financiering, die door dit overgangskabinet met een jaar is verlengd, er toe geleid dat nagenoeg geen nieuwe werken in uitvoering zijn genomen. Dit heeft een aantal bedrijven in moeilijkheden gebracht. Een tweede factor die bijgedragen heeft tot ontslagen is die van de concentratie en de mechanisatie, welke in een aantal bedrijven plaatsvinden met als opzet met minder mensen meer te produceren. Een politiek van beperking van bestedingen en van koopkracht leidt echter tot een vergroting van de werkloosheid. Dat was ook tijdens de bestedingsbeperking van 1958 het geval. Een methode om de werkloosheid te bestrijden en conjunctuurdaling tegen te gaan is de vergroting van de koopkracht, een grotere loonsverhoging dus. IJmkcrs In de Troonrede verklaarde de Minister-President, ernstig bezorgd Ie zijn over de werkgelegenheid. Intussen is het kabinet druk bezig een werkloosheid te kweken. Door de inflatie zouden de ondernemers onvoldoende kunnen investeren, maar een belangrijk deel van de geldmiddelen wordt door de ondernemers benut voor diepte-investeringen, voor de mechanisering en automatisering van hun bedrijven. Daarmee worden geen nieuwe arbeidsplaatsen geschapen. Integendeel, dit leidt tot het overbodig worden van een deel van de arbeiders. Ondernemers aan goedkoop geld te helpen, uiteraard op kosten van de gewone man; voor investeringen is dus geen automatische garantie voor meer werkgelegenheid, maar wel een garantie voor hogere winsten.

X C R De bestrijding van de inflatie zal daarom op een andere wijze plaats dienen te vinden. De uitgaven van de rijksoverheid zelf werken in belangrijke mate de inflatie in de hand. Een verwijt van de zijde der gemeentebesturen aan de rijksoverheid is, dat zij de gemeenten niet toestaan in dezelfde mate de investeringen te verhogen als het Rijk het doet. Wil dit kabinet de gemeenten meer financiën geven, dan zal het op zijn eigen uitgaven moeten bezuinigen. Met name op het gebied van de defensie-uitgaven ten bedrage van 3 mld. gulden voor 1967 kan m.i. zeer zeker één miljard worden bezuinigd. Een bedrag, dat dan aan de gemeenten en voor woningbouw beschikbaar kan worden gesteld.

X C R Het raadsel van de kabinetscrisis is nog steeds niet opgelost. Wij zitten nu met een overgangskabinet, ofschoon de naam ondernemcrskabinet mij beter lijkt te passen, zowel wat het aantal ex-commissariaten van een aantal leden, als wat het programma aangaat. De belangen van de grote ondernemers zijn in ieder geval bij dit kabinet in veilige handen. In dat kader lijkt mij de veronderstelling, dat de kabinetscrisis mede is ontstaan onder invloed van buitenlandse gebeurtenissen, wel steek te houden. Er is een scherpe tegenstelling in de Euratom over splijtbaar materiaal, hetgeen verband houdt met het probleem van de aanmaak van kernwapens.

X C R Dit conflict moet mede worden bezien in het licht van het Westduitse streven naar het bezit van eigen kernwapens. Inmiddels is dit land opgenomen in de vaste commissie voor nucleaire zaken van de N.A.V.O., waardoor de Wehrmacht weer een stapje dichter bij de atoomtrekker is gekomen. Het rompkabinet heeft zich echter niet uitgesproken over de te voeren buitenlandse politiek. Dat houdt het gevaar in, dat buiten het parlement om dit kabinet maatregelen kan nemen of steunen, die ernstige gevolgen voor de toekomst kunnen inhouden. West-Duitsland trekt op om zijn positie in de Euromarkt verder te versterken en tegelijkertijd pogen de Westduitse generaals de N.A.V.O. tot een instrument in hun dienst te maken. Niet alleen hebben zij thans het opperbevel in handen door generaal Von Kielmansegg — met zijn besmet verleden —; het gaat hun ook om de toegang tot de kernwapens. Ook het optreden van de troepen van de Verenigde Staten in Vietnam is in een nieuw stadium gekomen. Op het moment, waarop overeenstemming over een Kerstbestand was bereikt, heeft de Amerikaanse luchtmacht de terrein-bombardementen verscherpt en uitgebreid tot de hoofdstad Hanoi. Dat toont wel aan, dat aan het woord van de Regering van de Verenigde Staten niet veel waarde kan worden gehecht. Met de bombardementen op Noord-Vietnam schenden de Amerikanen de elementairste beginselen van hel internationale recht. Zij zegt voorstandster te zijn van een non-escalatic-politiek: in de praktijk breidt zij echter de oorlog steeds verder uit. Zij heeft gezegd, Hanoi niet te zullen bombarderen; inmiddels is zij ertoe overgegaan. Daarmee wordt het gevaar van uitbreiding van dit conflict ernstig vergroot. Mag de Regering zwijgen bij een dergelijke gevaarlijke toestand, ook al is het een extraparlementair overgangsrompkabinet?

X C R De toestand in eigen land — ook de financiële — is niet los te zien van de ontwikkeling op het internationale strijdtoneel. Er is nog een zaak genoemd, die een rol in de kabinetscrisis zou hebben gespeeld, nl. de olie. Het beleid van oud

X C R

X C R Zitting 1966-1967 EERSTE KAMER

X C R

X C R 86 8ste vergadering - 20 december '66 Algemene politieke en financiële beschouwingen over de rijksbegroting 1967

X C R IJmkers minister Den Uyl. die ook de concessie aan Mobil Oil gaf, was erop gericht, de oliemaatschappijen tot de bedelstaf te brengen vanwege de voorwaarden van de exploitatie van het continentale plat. De oliemaatschappijen hebben inmiddels hun zin; er is nu een kabinet met als Minister-President de oud-voorzitter van de Stichting Noordzee Mijnbouw.

X C R Het is natuurlijk zuiver toeval, dat juist dit kabinet haast wil maken met de uitvoering van de Mijnwet-Continentaal Plat.

X C R Na de val van het kabinct-Cals wordt — vooral van de zijde van de P.v.d.A. — gezegd, dat die regering zo buitengewoon progressief zou zijn. Inmiddels is bijna die gehele regeringsploeg — op de leden van de P.v.d.A. en twee K.V.P.-ers na — rustig overgestapt naar het rompkabinet-Zijlstra en nu blijkt, dat men bereid is, mee te werken aan een rechts program van bestedingsbeperking.

X C R Was het beleid van het kabinet-Cals zo vooruitstrevend? Dit kabinet heeft een reeks impopulaire maatregelen genomen, die niet de instemming van de kiezers hadden.

X C R Ik denk hierbij, dat met medewerking van een aantal P.v.d.A.-ministers werd doorgevoerd de sluiting van de Limburgse kolenmijnen, de vrijlating van de oorlogsmisdadiger Lages, de vestiging van het N.A.V.O.-opperbevel in ons land met generaal Von Kielmansegg, een steeds verder opvoeren van bewapeningsuitgaven tot 3 mld. gulden met handhaving van de dienstplicht op 18 maanden, een plan tot het invoeren van een huurbelasting voor bewoners van vvoningwetwonigen, onvoldoende uitkeringen aan de gemeenten, een loon- en prijspolitiek die niet in het belang van de werkers was.

X C R Achterwege bleef de invoering van extra belasting van de grote inkomens en de speculatiewinst, een van de weinige wetsontwerpen, waarop de heer Zijlstra zich nog beraden moet, alsmede de nationalisatie van het aardgas.

X C R Dat is zeker geen vooruitstrevend beleid te noemen. Het kabinet-Cals heeft de weg voor dit overgangskabinet gebaand. Welke regering na de huidige zal komen is nog een vraag. Ik heb een vermoeden dat de verkiezingsuitslag daar weinig invloed op zal uitoefenen en dat een uiterst rechts kabinet op een overgangskabinet volgt.

X C R In dit licht bezien heb ik er geen enkele behoefte aan de belastingmaatregelen, zoals die volgende week in deze Kamer aan de orde zullen komen, te steunen. Ik zal mij daarover echter de volgende week nader uitspreken.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Tijdens het dcbet-Adams in deze Kamer heb ik opgemerkt dat ik bij de algemene beschouwingen nader terug zou komen op mijn zienswijze over de Boerenpartij. Ik geloof niet, dat er in ons land nog een partij te vinden is die er in zou slagen op een zo korte termijn in opspraak te komen als deze.

X C R In de afgelopen maanden is duidelijk aan het licht gekomen dat een aantal leden van de Boerenpartij zich in de tweede wereldoorlog aan de zijde van de bezetter heeft geschaard. Sommigen van die leden vervullen nog een rol in die partij. Het bleek niet alleen dat enkele gemeenteraadsleden en afdelingsbestuurders met de Duitse bezetter hadden samengewerkt; de leiding ging zelfs zo ver ook een kandidaat voor de Eerste Kamer voor te dragen, die zich heeft schuldig gemaakt aan antisemitisme in het fascistische schendblad „De Misthoorn" en het belasteren van hen die zich verzetten tegen de Duitse overheersing.

X C R Terecht is grote verontwaardiging ontstaan dat dergelijke figuren in het politieke leven een rol willen gaan spelen en door de Boerenpartij in vertegenwoordigende lichamen zijn gebracht. Aanvankelijk werd nog hier en daar de veronderstelling geuit, dat het bestuur van de Boerenpartij na het publiekelijk bekend worden van het bezettingsverleden van meneer Adams, opdracht zou geven de zetel ter beschikking te stellen. Dat is niet gebeurd, hetgeen geen toeval maar opzet te noemen is.

X C R De leiding van de Boerenpartij was volledig op de hoogte van de rol die meneer Adams in de bezettingstijd heeft vervuld. Zij heeft tot nu toe dan ook stelselmatig geweigerd deze rol IJmkers e. a.

X C R af te keuren. Ten overvloede zien wij ook nog dat de Boerenpartij in de gunst staat bij de Westduitse neo-nazistische N.D.P. en dat door de „Deutsche National und Soldatenzeitung", een berucht blad van oud-nazi's in Duitsland, een „deutsch freundlichc" houding aan de Boerenpartij wordt toegeschreven.

X C R Als antwoord op de beschuldigingen komt deze partij met insinuaties aan het adres van anderen, een methode die sterk doet denken aan die van het fascisme uit de jaren 1933 tot 1945. Als gevolg van de affaire-Adams is de Boerenpartij uiteengevallen, een deel heeft een Noodraad opgericht die ook weer uiteen is gevallen, een ander deel is voor eigen rekening begonnen. De stemmenwinst die deze partij bij de provinciale staten en gemeenteraadsverkiezing wist te boeken is voor een belangrijk deel toe te schrijven aan de onbekendheid van haar program en de vlag die deze lading dekte. Bij een groot deel van haar kiezers zullen nu wel de ogen geopend zijn. Adams is onder druk van deze Kamer en de openbare mening uit de Eerste Kamer verdwenen, niet op verlangen van de leiding van de Boerenpartij.

X C R Integendeel, hij is gehandhaafd in zijn partij. Daarmee staat ieder lid van deze partij, dat zich achter Koekoek plaatst, tevens achter Adams. Of hij wil of niet, hij stemt in met de gedachte en opzet, dat landverraders uit de bezettingstijd weer een leidende rol in het politieke leven van ons land moeten spelen. Een dergelijke ondemocratische partij hoort niet thuis in ons land. De kiezers zouden er goed aan doen te zorgen dat deze partij uit de openbare lichamen verdwijnt.

X C R Bührmann (De heer) (CHU)

no member profile picture

X C R Mijnheer de Voorzitter! Bij de algemene politieke beschouwingen over de Rijksbegroting voor 1966, gehouden op 30 november en i december 1965, hebben leden van deze Kamer, onder wie de geachte afgevaardigde de heer Berghuis, erop gewezen, dat de kennismaking van de Eerste Kamer met het kabinet-Cals eerst een half jaar na zijn optreden, bepaald onbevredigend was.

X C R Minister-President Cals erkende dit, voelde dit ook zo aan, maar voegde er aan toe „dat het kabinet 't ietwat moeilijk zou vinden om — met zo'n hele geschiedenis achter de rug en na een eerste confrontatie met de Tweede Kamer te hebben doorstaan — met de Eerste Kamer in den brede te gaan discussiëren". De huidige Minister-President, professor Zijlstra, — zich de discussie in 1965 herinnerend of wellicht nog niet geheel los van de invloed van de voorzitter van zijn fractie in de Senaat, met bepaald ook een hele geschiedenis juist achter de rug aan de overzijde van het Binnenhof — wil blijkbaar het verwijt, dat zijn voorganger kreeg, ontgaan en spoedt zich naar de hem zo vertrouwde omgeving om zijn kabinet te presenteren.

X C R Ik sprak over de Regering, die een hele geschiedenis achter de rug had in de Tweede Kamer. De „Nieuwe Rotterdamse Courant" schreef over dit gebeuren, dat de discussies een verbijsterende onmacht toonden. De Tweede Kamer leek op een Poolse landdag uit de zeventiende eeuw, tot onmacht gedoemd door het libcrum veto.

X C R In de wandelgangen, bij onze overburen, kon men beluisteren, dat de beraadslagingen waren uitgemond in een Babylonische spraakverwarring. Gelukkig — en ik zucht diep, mijnheer de Voorzitter — was er geen life-uitzending. Dergelijke discussies doen de parlementaire democratie bepaald geen goed. Laat het in deze Kamer niet zo ver komen.

X C R De huidige Minister-President, professor Zijlstra, heeft bij de fractie van de C.H.U. in deze Kamer groot gezag. Wij weten, dat hij het premierschap niet heeft gezocht. Dat hij het heelt aanvaard in het belang van land en volk, waarderen wij in hoge mate. Hij kan op onze loyale medewerking rekenen: waar het maar even mogelijk is, zullen wij hem steunen.

X C R Het tweede lid van deze Kamer, dat ons verliet om Minister te worden, de geachte afgevaardigde de heer De Quay, staat bij mijn fractie hoog genoteerd door zijn gaven van hoofd en hart.

X C R

X C R Zitting 1966-1967 EERSTE KAMIR

X C R

X C R ASgcmvnc poiitickc on financiële beschouwingen over de rijksbegroting 1967 8ste vergadering - 20 december '66 87

X C R Biihrniann Hij is in politicis typisch een voorbeeld van iemand, die zich zelf niet zoekt. ..Achter het Nieuws" van de V.A.R.A. is nog niet voldoende volwassen om dat te kunnen onderkennen.

X C R Mijn fractie, mijnheer de Voorzitter, wil bij het uiten van woorden van lof aan het adres van vertrokken leden van deze Kamer het evenwicht van de balans niet uit het oog verliezen.

X C R Mijn fractie hoopt gaarne, dat de vroegere geachte afgevaardigde, de heer Samkalden — in onze ogen een hoogstaand man —, nu hij is afgetreden als Minister van Justitie, weer deel zal uitmaken van deze Kamer.

X C R Ik veroorloof mij ten slotte nog hommage te brengen aan onze vrouwelijke Minister, mejuffrouw Klompé. Wij zijn ervan overtuigd, dat haar respect afdwingende werkkracht en doorzettingsvermogen de oplossing van het omroepvraagstuk naderbij zullen brengen. Vanmorgen mochten wij vernemen, dat zij de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer heeft gezonden.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Ik moet een enkele opmerking maken over de verhouding tussen de politieke groeperingen in ons land. Het ligt voor de hand, dat iedere partij een goede uitslag wil op 15 februari a.s. Kritiek op andere partijen is begrijpelijk en aanvaardbaar, maar er is ergens een grens. Die grens wordt niet alleen ten aanzien van de K.V.P., maar ook ten aanzien van de C.H.U. door de P.v.d.A. bepaald overschreden.

X C R Als de heer Nederhorst in de Tweede Kamer zegt: „De C.H.U. heeft de ongerechtvaardigde kritiek, die zij op het kabinet-Cals had, nu in een overdreven lof voor de heer Zijlstra omgezet", en even verder: „Mag ik het doek over de heer Bccrnink en de zijnen laten vallen, mijnheer de Voorzitter?" En hij doet het in Baarn nog eens dunnetjes over door te zeggen: „Ik word er misselijk van als ik sommige politici (Beernink) zie omzwaaien", dan vergeet de heer Nederhorst naar Beerninks antwoord te luisteren, dat hij overigens in dezelfde Handelingen kan terugvinden.

X C R Beernink (De heer)

no member profile picture

X C R zegt:

X C R „Bij de beperking van de uitgaven had ik in het kabinet-Cals niet het minste vertrouwen en het kabinet-Zijlstra geeft mij dat vertrouwen wèl. Nog sterker: met het kabinet-Cals viel ter zake niet te praten en daarom acht ik het goed, dat dit kabinet nu is vervangen.".

X C R Bij de C.H.U., mijnheer de Voorzitter, bestaat dus geen vertrouwen in het beleid-Cals, wel in het beleid-Zijlstra. Het is duidelijk, dat daar, waar vertrouwen ontbreekt, wantrouwen in de plaats is getreden. Ik zie mij gedwongen de P.v.d.A. te waarschuwen. Het gaat niet alleen om het gewin voor de eigen partij. Ons land moet bestuurd worden.

X C R Als de P.v.d.A. hoopt de K.V.P. nog eens in de oppositie te brengen, als de P.v.d.A. hoopt nog eens de premier te leveren — wat mijn fractie zeer wel aanvaardbaar acht, wanneer zij denkt aan dr. Drees —. dan bedenke deze partij, dat er om te regeren in ons land altijd een coalitie nodig is. Laar het dan niet zo zijn, dat wij op onze beurt „misselijk" zijn geworden. Ik zeg dit, onverlet het respect van mijn fractie voor de leden van de fractie van de P.v.d.A. in de Eerste Kamer, die in het verleden blijk hebben gegeven van een verheugende mate van onafhankelijkheid binnen de eigen partij.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Indien mijn fractie op dit ogenblik de degen had moeten kruisen met het knbinct-Cals, zou zij dit kabinet de les hebben gelezen over — om met drs. Nederhorst te spreken — het totale gebrek aan psychologisch inzicht. Het leek van tijd tot tijd, waar het om tact ging, wel een patates-frites-kraam-beleid in plaats van een beleid van de hoge overheid. Ik kan bij de huidige premier niet met mijn klachtcnboek terecht — het audi et alteram partem is niet meer mogelijk —, maar ik heb enige onderwerpen, niet voorkomende in de regeringsverklaring van 29 november, die mijn fractie niettemin met het nieuwe kabinet wenst te behandelen.

X C R Als in een gemeenteraad algemene beschouwingen zijn gehouden, krijgen burgemeester en wethouders automatisch van de ambtenaren herinneringsbriefjes, die de toezeggingen vermelden door leden van het college gedaan. Een normale werkwijze, dacht ik.

X C R Hooggespannen maakte ik het vorige jaar voor het eerst de algemene beschouwingen in deze Kamer mede. Voortreffelijke Handelingen kreeg ik van onze onvolprezen Stenografische Dienst. De briefjesmakers zitten boven mijn hoofd, dacht ik vol vertrouwen.

X C R Tot mijn verbazing heb ik moeten constateren, dat de Regering blijkbaar het systeem van herinneringsbriefjes niet kent. Hoe moet ik anders verklaren, dat de Eerste Kamer op toezeggingen van een Minister-President taal noch teken krijgt?

X C R Ik noem enige toezeggingen uit de vergadering van deze Kamer van 1 december 1965 als voorbeeld.

X C R Blz. 122, linkerkolom: Coördinatie binnen het kabinet. De ervaringen van de Belgische Minister-President zullen worden medegedeeld.

X C R Blz. 124. linkerkolom: Overleg met de Eerste Kamer over de Binnenlandse Veiligheidsdienst.

X C R Blz. 132. rechterkolom: Nadere discussie met de Kamer over de outillage van het parlement.

X C R Blz. 145, linkerkolom: De goede oplossing, die de Minister van Onderwijs had gevonden voor de knipselkrant van zijn departement.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Het is niets bijzonders, maar gewoon een eis van de burgerlijke beleefdheid, dat men toezeggingen nakomt.

X C R Dit geldt des te sterker, wanneer het gaat om het contact tussen Regering en parlement.

X C R Het tweede onderwerp, dat mijn fractie wenst te behandelen, is een ernstige zaak.

X C R Het is een blik in het verleden, vandaag voortdurend in discussie, en morgen opnieuw in het centrum van de publieke belangstelling.

X C R Mijnheer de Voorzitter! „Ieder ervaart in zijn leven de afstand makende invloed van de tijd". Dit geldt zowel voor de leden ener Regering als de leden der Staten-Generaal. Zowel voor oud-Minister Smallenbroek als oud-hoofdcommissaris Van der Molen.

X C R Wat heeft de rebellie in de afgelopen maanden, met name in de hoofdstad — wij zijn in afwachting van het rapport van de commissie-Enschede — Regering "en Volksvertegenwoordiging thans reeds te zeggen? Dit, dat Overheid, parlement, televisie, radio en pers, kortom wij allen die geroepen zijn leiding en voorlichting te geven, te kort zijn geschoten om onze nationale en geestelijke goederen, waartoe orde en rust behoren, op de juiste wijze te beschermen. Ik treed nu niet in de oorzaken van de symptomen van een nihilisme die in ons land merkbaar zijn. Ik bepaal mij hier tot het falen van ons als democratische gezagsdragers.

X C R Professor dr. B. Delfgaauw uit Groningen stelde in een vergadering van de studentenvereniging „Sanctus Thomas Aquinas" te Amsterdam:

X C R „Velen in Regering en Parlement geven er blijk van niet te weten, wat er in het Nederlandse volk omgaat, of juister: ze leggen foutieve criteria aan bij de beoordeling daarvan.".

X C R De afgetreden Minister van Justitie, prof. Samkalden, benadert het probleem als volgt:

X C R „Welke ook de achtergronden mogen zijn van de uitingen van onrust in Amsterdam, het is de taak van alle democraten, met eerbied voor de vrije meningsuiting, de normale rust en orde, die de garantie vormt van onze vrijheid, in ere te houden en te besehermen.".

X C R Wat is er. van overheidswege nodig om de normale rust en orde, deze garantie voor onze vrijheid te handhaven? 1. Juiste, krachtige en voortvarende beslissingen van de betrokken Ministers en burgemeesters.

X C R 2. Een goed functionerende politie. 3. Een wijze en rechtvaardige rechterlijke macht.

X C R

X C R Zitting 1966-1967 EERSTE KAMER

X C R

X C R 88 8ste vergadering - 20 december '66 Algemene politieke en financiële beschouwingen over de rijksbegroting 1967

X C R Bührmann Wanneer ik de brief van 20 juni 1966 van de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal voor mij neem, en ik zie dan de wijze, waarop de bijstandsverlening is behandeld, dan heb ik daar geen goed woord voor.

X C R Als een burgemeester bijstand vraagt aan de Minister van Binnenlandse Zaken — ik heb het nu bepaald niet over een motor-race in Zandvoort of de T.T. in Assen — dan behoort de Minister dit met de burgemeester aan weerszijde van de tafel uit te maken, en wel onmiddellijk. Gesprekken, nota bene soms telefonisch, tussen een afdelingschef van een secretarie en de directeur-generaal voor openbare orde en veiligheid zij ten scherpste te veroordelen. Deze ambtenaren kunnen als adviseur hun chefs vergezellen, maar de Minister en de burgemeester maken de dienst uit.

X C R Het Brabants Dagblad van 9 augustus 1966 zegt:

X C R ,.Het is dan ook in dagen van dreiging de eerste taak van de burgemeester, op zijn post te zijn, en het openen van slachthuizen of dergelijke nuttige bezigheden, aan zijn plaatsvervangers over te laten.".

X C R Ten aanzien van de Minister van Binnenlandse Zaken voeg ik hieraan toe: Hij late desnoods sollicitanten voor een burgcmeestersvacature alleen bekijken door zijn secretaris-generaal en zette zijn handtekening onder zo'n benoemingsbesluit in goed vertrouwen. Met andere woorden, gebrek aan tijd om aan tafel te gaan zitten wanneer het om bijstandsverlening gaat, is voor mijn fractie geen aanvaardbaar motief.

X C R Een goed functionerend, betrouwbaar politie-appraat is een der hoekstenen van onze democratische rechtsstaat.

X C R Een N.I.P.O.-onderzoek en ingezonden stukken in de pers wijzen uit, dat de ordentelijke Nederlander het zo ziet. Ik ben daar dankbaar voor. Ik had overigens niet anders verwacht. Mijn fractie is niet blind voor de fouten, die ook de politie heeft gemaakt, maar hoe kan in vredesnaam een politie-apparaat goed functioneren, als de regering op vragen van de geachte afgevaardigde de heer Thomassen moet antwoorden, dat op 27 juni 1966 Amsterdam 466, Rotterdam 145, 's-Gravenhage 217 en Utrecht 36 man tekort komt? Het is noodzakelijk, dat de politie, met name die in Amsterdam, weer vertrouwen en geloof krijgt in eigen zaak.

X C R van Wingerden (De heer) (PvdA)

no member profile picture

X C R U bent voortdurend aan het discussiëren met een afgetreden regering.

X C R Bührmann (De heer) (CHU)

no member profile picture

X C R De geachte afgevaardigde de heer Van Wingerden is abuis. Ik zal zo dadelijk mijn aandacht op de toekomst richten. De geachte afgevaardigde kan dus gerust zijn.

X C R De Regering kan dit bevorderen door een daad te stellen. In de provincie Noord-Holland komt een opleidingsschool voor het personeel van de korpsen van gemeentepolitie. De plannen zijn in een gevorderd stadium. De terreinen zijn in Amsterdam beschikbaar. De Regering verlene hier de hoogste prioriteit.

X C R De commissie van voorbereiding heeft bewust juist Amsterdam gekozen als vestigingsplaats. De Regering honorere de juiste visie van de commissie spoedig en houde zich nu eens niet bezig met te zien of het voorlopig met een stelletje „oude" barakken of een hotel kan. Dat moet nu net niet.

X C R Psychologisch kan hier een daad gesteld worden die de politie van node heeft en die zo de rechtsstaat ten goede komt. De Regering vergete niet, dat de politie van overheidswege in de frontlinie van de rechtsstaat is geplaatst.

X C R Ik acht mij, als lid van het parlement, gerechtigd om ook te spreken over de rechterlijke macht, omdat deze bij wet, door Koning en Staten-Generaal, is ingesteld.

X C R De officier van justitie in Amsterdam heeft in de affaireKoppejan niet begrepen, dat zwijgen soms beter is dan spreken. Eerst had op hoog niveau moeten worden uitgemaakt of de methode-Koppejan geoorloofd was.

X C R Het standpunt van de hoogleraren in het strafrecht, zoals Van Bemmelen en Pompe, is bekend. De hoogleraren zijn geneigd de methoden onder te brengen bij het preventief en niet bij het repressief optreden en zij stellen de officier van justitie in het ongelijk. De heer Koppejan repliceerde, dat hij graag een uitspraak zou zien van de Hoge Raad; zo was de stand tot voor enige dagen. Ik kom nu tot de interruptie van de geachte afgevaardigde de heer Van Wingerden.

X C R van Wingerden (De heer) (PvdA)

no member profile picture

X C R Het heeft wel lang geduurd.

X C R Bührmann (De heer) (CHU)

no member profile picture

X C R Nu komt de Minister van Binnenlandse Zaken in zijn memorie van antwoord plotseling vertellen, dat de vorige Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken in juli — een half jaar geleden — hebben bepaald, dat de bewuste methoden huns inziens geoorloofd waren. Aan wie hebben deze ministers dit nu medegedeeld? Aan elkaar zeker? In ieder geval niet aan degenen, die het moesten.weten, namelijk politiecommissarissen en andere Korpschefs Er moet ergens een ambtenaar hebben zitten slapen; ik begrijp er niets van.

X C R A.V.R.O.'s Televizier behandelde 4 gevallen, waarbij burgers met de politie slaags waren geraakt. Commentaar bij de uitzending: De openbare orde werd eerder door de politie verstoord. De volgende dag gaat genoemde officier van justitie een persconferentie beleggen en zegt, dat van de 74 klachten in 9 gevallen afkeurenswaardig is opgetreden. Had deze officier niet kunnen bedenken, dat het dood normaal is van tijd tot tijd mededelingen te doen? Nu zegt eenieder: hij heeft gesproken onder druk van de publieke opinie.

X C R Neen, zegt een enkel blad, de invitatie was al 5 dagen voor de televisie-uitzending gedaan, 't Mag allemaal waar zijn, maar vast staat, dat aan de openbare orde geen dienst is bewezen. Het spijt mij en ik ben er bepaald bedroefd over, dat ik geen lijn kan ontdekken in de straffen, die de lagere rechter oplegt aan provo's. Het lijkt wel of de lagere rechter nog zoekende is naar de juiste maatstaven in provozaken.

X C R Als de Amsterdamse commissaris van politie, mr. L. van Haren, schrijft, dat hij weinig resultaat van strafrechtelijke vervolgingen van provo's verwacht, omdat de ongeregeldheden, die zij veroorzaken, soms nauwelijks voortkomen uit strafbare feiten, spreekt deze visie mij aan. Hij doelt hier bij voorbeeld op het uitdelen van krenten. Straf, waar het beslist nodig is, met krachtige hand, laat de prutszaken rusten en maak de mogelijkheden voor een preventief optreden van de politie groter.

X C R Duidelijke afspraken met de publiciteitsorganen zijn noodzakelijk. Ik torn geen seconde aan de vrijheid van de pers. Wie bij de pers de afspraak overschrijdt, heeft zich gedragen als een „lieverdje" en wordt dienovereenkomstig behandeld. Een lichtpunt is, dat de belangstelling van de lezer voor provo-verhalen duidelijk tanende is. Het interesseert mij niet of er wat spektakel is rondom, of gesjouw met een beeld, genaamd het Lieverdje.

X C R Maar met mr. Ch. C. Aalders, voorzitter van de Vereniging van ex-politieke gevangenen, vind ik het onkies en onwaarachtig, dat nozems, provo's en alles wat behoefte heeft aan provoceren en protesteren, misbruik maken van het Nationale Monument, de Dokwerker en dergelijke — zoals ik ze laatst hoorde noemen — „heilige" monumenten Een besmeuring van deze beelden is het werpen van een smet op, en een belediging van de nagedachtenis van onze gevallenen. Het gezag make daar een einde aan.

X C R Wanneer getracht wordt de orde wederom op de juiste wijze te handhaven, zal het in „onze gezellige moerasdelta", zoals Van het Reve ons land noemt, weer goed toeven zijn.

X C R Mijnheer de Voorzitter! De neiging is uiteraard groot zich bij dit debat geheel tot de binnenlandse crisis te bepalen, ter

X C R

X C R ütting 1966-1967 EERSTE KAMER

X C R

X C R Algemene politieke en financiële beschouwingen over de rijksbegroting 1967 8ste vergadering - 20 december '66

X C R Bührmann wijl anderzijds de vraag rijst of het voldoende zin heeft dit kabinet, dat tot de verkiezingen geen twee maanden meer voor de boeg heeft, met vraagstukken van buitenlandse politiek te confronteren. Toch meen ik dit op twee punten niet te mogen nalaten. In de eerste plaats zou ik dringende aandacht willen vragen voor de politieke verschuivingen, die zich momenteel in de Bondsrepubliek manifesteren, en die voor het politieke gezicht, vormgeving en evenwicht in Europa — uiteindelijk zelfs voor de wereldpolitiek — van doorslaggevende betekenis kunnen zijn.

X C R Ik wijs alleen maar op het bezoek van de Minister van Buitenlandse Zaken, de heer Brandt, aan generaal de Gaulle. Daarvan uitgaande, mijnheer de Voorzitter, past een tweede opmerking — veeleer een vraag — namelijk over de stcllingname van deze Regering, niet alleen bij de E.E.G.-onderhandelingen. welke rond de jaarwisseling altijd een geforceerd karakter plegen te vertonen, maar in het bijzonder ook vanwege de eventuele N.A.T.O.-afspraken, welke zich zouden kunnen voordoen. Welke houding zal dit kabinet in het korte voorliggende tijdperk innemen, gelet in het bijzonder op de politieke verschuivingen, welke zich de laatste maand in de Europese verhoudingen hebben voorgedaan.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Wat de regeringsverklaring zelve betreft, het volgende.

X C R Om te beginnen heeft mijn fractie daarin gemist een aanduiding van het principiële uitgangspunt van dit kabinet.

X C R De wens, waarmede de verklaring eindigt, dat Gods onmisbare Zegen op het werk zal rusten, heeft de oprechte instemming van mijn fractie. Van een kabinet, met een samenstelling als het thans gevormde, had mijn fractie een nadrukkelijker uitspraak verwacht omtrent zijn geestelijke grondslag.

X C R In de regeringsverklaring sprak de Minister-President uit, dat hij van mening is, dat zijn verantwoordelijkheid is aangevangen op het moment, waarop hij de opdracht tot formatie van een kabinet in beraad nam. Ik acht die mening juist. Ik wil er echter wel op wijzen, dat de consequentie ervan is, dat ons de mogelijkheid wordt ontnomen verantwoording te vragen van hetgeen is geschied tussen het moment, waarop het kabinet-Cals de portefeuilles ter beschikking stelde en dat, waarop de huidige Minister-President zijn formatiepoging begon. In concrete betekent dit, dat geen verantwoording kan worden gevraagd van het werk van de heren Schmelzer en Beel. De geachte afgevaardigde de heer Vos sprak hierover ook. Ik meen deze opmerking te moeten maken, al ben ik mij ervan bewust, dat de Minister-President, wanneer hij zijn standpunt doorvoert, daar niet op zal reageren.

X C R In de regeringsverklaring wordt opgemerkt, dat het kabinet een extra-parlementair karakter heeft, in die zin, dat het geen binding heeft met fracties in de Tweede Kamer. Aan het begrip „binding" wordt even verder nog wat meer inhoud gegeven, waar medegedeeld wordt, dat met vijf fractievoorzitters uit de Tweede Kamer wel gesprekken zijn gevoerd om informaties te verkrijgen, maar dat geen afspraken zijn gemaakt. Ik moet daarbij dan ook nog betrekken de passage, dat de formateur mede op grond van de verkregen informaties is gekomen tot de huidige samenstelling. Ik moet daar wel uit opmaken, dat de formateur uit de met de fractievoorzitters gevoerde gesprekken voldoende vertrouwen heeft kunnen putten omtrent de mogelijkheid van het doorvoeren van het kabinetsprogram. Maar dan is er naar mijn mening geen sprake meer van een kabinet met een extra-parlementair karakter. Het feit, dat het is samengesteld uit personen, voortkomend uit partijen, die samen geen meerderheid in de Kamer hebben, wijst in die richting. Bepalend is voor mij het feit, dat er besprekingen met fractievoorzitters zijn gevoerd en dat deze de formateur de overtuiging hebben geschonken, dat hij op de steun van de meerderheid van de Kamer mocht rekenen. Of is het soms zo, dat die meerderheid, waarop de Minister-President vertrouwt te mogen rekenen, een meerderheid van wisselende samenstelling zal zijn? Wanneer dat zo is, zal ik het graag vernemen. In dat geval ben ik geneigd, zijn kabinet met hem een extra-parlementair karakter toe te kennen, maar dan niet op de door hem genoemde grond, dat er geen bindingen bestaan in de zin van afspraken, maar op grond van de omstandigheid dat hij verwacht zijn program te kunnen doorvoeren dank zij een meerderheid in het parlement, welke verschilt in politieke samenstelling bij verschillende onderdelen van dit program. Duidelijk moet zijn, dat mijn fractie het al dan niet parlementair zijn van een kabinet niet afhankelijk acht van de vraag of er al dan niet afspraken zijn gemaakt.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Bij de behandeling van de begroting voor 1966 heeft mijn fractie gewezen op de noodzaak om ter voorkoming van een verstoring van het economische evenwicht de ook door mijn fractie wenselijk geachte verbeteringen van de maatschappelijke en economische structuur te temporiseren. Inmiddels is de economische situatie in ons land aanmerkelijk verslechterd. De betalingsbalans vertoont over de eerste negen maanden een tekort op transactiebasis van 865 min. De schaarste op de kapitaalmarkt resulteert in een zeer hoge rentevoet en bedreigt langzamerhand de werkgelegenheid. De voorwaarden, waarop de Regering een lening van 250 min. moet plaatsen, tonen deze spanning nog eens duidelijk aan. De netto vlottende schuld van de gemeenten heeft een onrustbarend peil bereikt en eist consolidatie. Verschillende ondernemingen hebben de produktie moeten verminderen of moeten staken. De arbeidsmarkt toont een beeld, dat tot grote waakzaamheden dwingt. Duidelijk is, dat aan deze ontwikkeling een halt moet worden toegeroepen, een halt om het speculatieve beleid van de vorige Regering te keren. Ik maak deze opmerking zonder te stellen, dat deze voor onze samenleving zo ongunstige ontwikkeling uitsluitend te wijten is aan het in het verleden gevoerde overheidsbeleid.

X C R Hoewel naar de overtuiging van mijn fractie de inflatoire ontwikkeling sterk werd gestimuleerd door de toename van de overheidsbestedingen en door de stijging van de lonen in een tempo, dat ver uitging boven de stijging van de produktiviteit, zijn er ook andere oorzaken voor de huidige verslechtering van de economische situatie aan te wijzen. Als eerste van deze oorzaken wil ik de invloed noemen, die ons land ondervindt van de ontwikkeling in het buitenland. Nederland vormt nu eenmaal geen geïsoleerd economisch gebied. Vooral in het kader van de Europese markt zijn wij een deel van een geheel, waarvan wij de economische ups en downs sterk ondervinden. De conjuncturele ontwikkeling accentueert de tweede, tot voor kort meer latente oorzaak. Deze oorzaak is de door de Minister van Economische Zaken uit het kabinet-Cals zo scherp en deskundig geanalyseerde verouderde structuur van een deel van ons bedrijfsleven. Verschillende produktieïnkrimpingen en bedrijfssluitingen, die in ons land hebben plaatsgevonden, zijn een gevolg van de wijzigingen in de produktiestructuur en worden zeker niet veroorzaakt door de conjuncturele ontwikkeling op zichzelf. Voor zover de verslechtering van de Nederlandse economie te wijten is aan de ontwikkeling in het buitenland en aan de structurele oorzaken, zal het beleid van de overheid op het opvangen van de gevolgen en op het stimuleren van activiteiten, die componerend werken, moeten zijn gericht. Wanneer wij de invloed van ongunstige ontwikkelingen in het buitenland voor ons land zoveel mogelijk willen beperken, dan moet ons kostenpeil op dit ogenblik onze eerste zorg zijn. Het bestrijden van de inflatoire ontwikkeling, die voortvloeit uit een overmatige groei van de bestedingen door de overheid en door particulieren, wordt thans terecht als de primaire taak van de rijksoverheid gezien. De Regering stelt daartoe in de eerste plaats een aantal fiscale maatregelen voor. Bovendien heeft zij toegezegd de in de door het kabinet-Cals ingediende begroting geraamde uitgaven aan een kritische beschouwing te onderwerpen, terwijl ook het loon- en prijsbeleid op het beteugelen van de inflatie zal worden gericht. Door het naar een later tijdstip verschuiven van de tweede tranche van de voorgenomen aan

X C R

X C R Zttting 1966-1967 EERSTE KAMER

X C R

X C R 9 0 8ste vergadering - 20 december '66 Algemene politieke en financiële beschouwingen over de rijksbegroting 1967

X C R Bührmann passing van de loon- en inkomstenbelasting en door het vervroegen van de datum, waarop de omzetbelasting zal worden verhoogd, zullen aan de Staat in 1967 ruim 500 min. gulden meer toevloeien dan was voorzien in de miljoenennota. Door de aldus vergrote ruimte in de rijksfinanciën kan de financiering van de gemeenten worden verbeterd en komt er wellicht op de kapitaalmarkt iets meer ruimte voor het particuliere bedrijfsleven. Dit is een zaak, die zeker van grote betekenis is. De toeneming van de vlottende schuld van de gemeenten, die sedert 1963 onrustbarend is gestegen door het financieren van kapitaalwcrken met kort geld, eist dringend maatregelen. Dit kan op verschillende manieren gebeuren. Mijn fractie zal daarom gaarne door de MinisterPresident nader worden ingelicht over de plannen, die hij heeft, om deze verbetering tot stand te brengen. Ik zou willen vragen, of met de verkregen ruimte een deel van de vlottende schuld van de gemeenten wordt geconsolideerd, of dat deze ruimte wordt benut om de voor 1967 geraamde kapitaalsuitgaven beter, hetgeen wil zeggen: meer met lang krediet, te financieren.

X C R Behalve deze positieve elementen, die van de belastingmaatregelen zijn te verwachten, is er beslist ook een negatief element. Deze belastingmaatregelen zullen namelijk de particuliere bestedingen ongunstig beïnvloeden. Het uitstel van de aanpassing van de loon- en inkomstenbelasting brengt met zich mede. dat er minder geld voor de consumptie beschikbaar komt dan werd verwacht. De verhoging van de omzetbelasting zal via prijsverhogingen tot een teruglopen van het volume van de particuliere consumptie leiden. Hiertegenover staat echter, dat, zonder deze belastingmaatregelen, de plannen van de gemeenten voor 1967 in gevaar zouden komen. Het effect van de belastingmaatregelen is daarom dan ook zeker niet louter deflatoir. In de regeringsverklaring wordt gewag gemaakt van het feit, dat wij voor alles de situatie moeten vermijden, waarin wij een keuze tussen het betalingsbalansevenwicht en de werkgelegenheid moeten doen. Niettemin worden wij reeds thans voor de keus gesteld, zij het dan ook in bescheiden mate. Een terugdringen van de particuliere bestedingen op het moment, dat de werkgelegenheid zorgen baart, houdt het gevaar in van een verdere inkrimping van die werkgelegenheid.

X C R Toch is mijn fractie ervan overtuigd, dat bij de huidige, humaan gezien wel aanwezige maar in wezen nog niet omvangrijke werkloosheid het risico van een iets grotere werkloosheid als gevolg van een beperken van de bestedingen minder groot is dan het risico, dat wij lopen bij een voortgaan op de weg van de inflatie. Het ongunstiger worden van de betalingsbalans eist maatregelen tot een afremmen van de import en een bevorderen van de export. Het terugdringen van de bestedingen werkt importbeperkend. De bevordering van de export vereist een structuurverbetering en het creëren van een toestand, waarin de loonsverhogingen een wat nauwer verband met de produktiviteitsontwikkeling krijgen. Aan de voor de structuurverbetering noodzakelijke investeringen der particuliere bedrijven wordt in de regeringsverklaring slechts weinig aandacht besteed. Het uitstel van de belastingverlaging zal zeker niet bevorderend op de investeringen werken. Hier staat tegenover, dat hopelijk wat meer ruimte op de kapitaalmarkt ontstaat. Mijn fractie zou het dan ook op prijs stellen, van de Minister-President te vernemen, of hij in dit opzicht op langere termijn gevaar voor de werkgelegenheid ducht.

X C R Hoewel het verheugend is. dat de werkgevers en de werknemers principieel overeenstemming hebben bereikt over de noodzaak om de loonstijging in het komende jaar zo dicht mogelijk bij de groei van de produktiviteit te doen blijven, moet het besluit van een der vakcentrales om niet aan het loonoverleg met de Regering deel te nemen toch wel als een niet ten volle willen erkennen van de economische moeilijkheden worden gezien. Een terzijdestclling van deze voor de export van essentieel belang zijnde binding van de loonstijging aan de produktiviteitstoename zou de werkgelegenheid op den duur veel ernstiger aantasten dan de thans voorgenomen beperking van de bestedingen. Niettemin is er een aantal omstandigheden, die het moeilijk zullen maken, de druk op de lonen te weerstaan. Ik denk hierbij aan de stijging van de prijzen van geïmporteerde goederen, aan de invloed van de belastingmaatregelen en zelfs aan de stijging van de premies voor de sociale voorzieningen. Mijn fractie dringt er dan ook bij hen, die in de toekomst aan loononderhandelingen moeten deelnemen, op aan zich bewust te zijn van de betekenis, die de export voor ons land heeft.

X C R Er wordt thans verkondigd, dat deze Regering voor het werkgevcrsstandpunt inzake de lonen gekozen heeft. De suggestie, die met deze formulering wordt gewekt, is niet houdbaar wanneer wij ze toetsen aan het beleid, dat b.v. de Labour-regering in Engeland moet voeren.

X C R Ten aanzien van het rijksbudget wil ik het volgende opmerken. De voorgestelde belastingmaatregelen zullen voor 1967 extra baten opleveren van f510 min. Hoewel hierop in de regeringsverklaring niet wordt ingegaan, is men, gezien het feit dat deze Regering de door het kabinet-Cals ingediende begroting overneemt, geneigd dat bedrag te relateren aan het op de begroting-Cals geraamde tekort. De vraag leeft echter bij mijn fractie, of deze begroting nog een juiste basis heeft. Te verwachten is nl., dat het noodzakelijk terugdringen van de bestedingen tot een afnemen van de opbrengsten van de directe en indirecte belastingen zal leiden en dat anderzijds van de overheid offers zullen worden gevraagd om de gevolgen van de ontspanning op de arbeidsmarkt op te vangen. Mijn fractie zal dan ook gaarne vernemen, welke de budgettaire gevolgen van de ingetreden verslechtering van de economische toestand tezamen met de regeringsvoorstellen zullen zijn.

X C R De toezegging van de Regering, dat de begroting wat betreft de uitgaven nog nader zal worden bekeken, stemt niet tot volle tevredenheid. In de C.H.U. hebben wij reeds met betrekking tot de begroting-1966 het standpunt ingenomen, dat de uitgaven in een te snel tempo omhoog gingen. Ofschoon de sprekers van twee der drie regeringspartijen aan beide zijden van het Binnenhof die mening bleken te delen, werd het kabinet-Cals toen geen halt toegeroepen. Het is nu wel geschied en wij hebben ons daarover verheugd, omdat wij menen, dat het landsbelang daarmee gediend is. .Wij hadden verwacht, dat het nu opgetreden kabinet-Zijlstra de weg zou hebben weten te vinden om de rijksuitgaven duidelijk te beperken. Dat is niet voldoende het geval. Wij betreuren dat. Wel is door de Minister-President uitgesproken, dat de uitgaven, welke zijn voorzien in de begroting-1967, nogmaals nauwkeurig en kritisch zullen worden bezien om na te gaan, of vermindering mogelijk zal zijn. Hoe valt dit te rijmen met de woorden van de tweede vice-Minister-Presidcnt bij de Arjos te Utrecht. De moeilijke vraag, waarvoor eerst de C.H.U.-fractie van de Tweede Kamer stond en waarvoor wij nu staan, is of deze sobere toezegging ons voldoende is. In de regeringsverklaring wordt in de passage over het te voeren uitgavenbeleid uitgegaan van de feitelijke omstandigheid, dat dit kabinet slechts een korte tijd ter beschikking staat. Dit geldt in bijzondere mate ten aanzien van het nader in overweging nemen van het in de ingediende begroting voor 1967 uitgedrukte beleid. Zou het kabinet dit opnieuw op de helling hebben gezet, wat ons op zich zélf welkom zou zijn geweest, dan zou er voorlopig van een parlementaire begrotingsbehandeling geen sprake kunnen zijn. De daaraan verbonden bezwaren zijn groot. Het uitgavenbeleid van het Rijk heeft op vele terreinen van het openbare en het maatschappelijke leven repercussies. Een lang voortdurende onzekerheid omtrent de concretisering van dat beleid, zou schade kunnen toebrengen aan tal van vitale belangen. Mijn fractie vertrouwt erop. dat het kabinet zich niet zal beperken tot een opnieuw globaal oordelen over de noodzaak van de taken, waarvoor gelden zijn uitgetrokken, doch dat ook aandacht zal worden be

X C R

X C R zitting 1966-1967 EERSTE KAMER

X C R

X C R Wijzig'ng Wet aunsprakelij.;he'dsverzekering motorrijtuigen 8ste vergadering - 20 december '66 91

X C R BUhrmann steed aan de wijze, waarop die taken worden vervuld. Daarbij wordt gedacht aan een efficiënt gebruik door samenwerking in verband met de hoge investeringen voor onze universiteiten. In een tijd, waarin offers van de gehele bevolking worden gevraagd, is het doelmatig besteden van de overheidsgelden nog meer dan ardcrs van betekenis.

X C R In dit verband dringt mijn fractie bij de Regering aan op een scherpe kredietbewaking. Het is gewenst, dat, wanneer overschrijdingen van ramingen noodzakelijk zijn, de regeling ben suppietoire begroting zo spoedig mogelijk plaats heeft en dat de Kamers over de redenen, die tot overschrijding leiden of hebben geleid, volledig worden ingelicht. Voor het prijsbeleid vraagt mijn fractie de bijzondere aandacht van de Regering. De noodzaak om de loonontwikkeling binnen enge grenzen te houden, brengt met zich, dat iedere niet noodzakelijke prijsverhoging wordt voorkomen. Vooral de overheid dient in dit opzicht het voorbeeld te geven, daar de bedrijven diensten van het Rijk, gemeenten en semi-overheidsinstellingen veelal een monopolie bezitten. De door mij gemaakte opmerkingen en gestelde vragen zijn niet bedoeld om afbreuk te doen aan de waardering, die de Regering verdient voor de wijze, waarop zij de economische moeilijkheden tegemoettreedt.

X C R De afgetreden Minister van Economische Zaken, drs. Den Uyl, was een bekwaam en ijverig bewindsman, die mede met onze steun vele wetsontwerpen in het Staatsblad bracht. Hij had echter één gebrek: Als doctrinair socialist ging hij weinig met zijn tijd mee; hij las bij voorbeeld het orgaan van het N.V.V. te weinig. In dat orgaan had hij kunnen lezen: Staatsdeelname is geen zaak van principe meer, maar van doelmatigheid. Mijn fractie heeft helaas Minister Den Uyl éénmaal medewerking moeten weigeren, namelijk bij de Mijnwet Continentaal Flat. Het is geen haalbare zaak een percentage van de bruto-winst voor de Staat te willen reserveren, dat aanmerkelijk hoger is dan in de omringende landen. Waarom wilde hij toch roomser zijn dan de Paus, socialistische!-, nota bene in een coalitie-regering, dan de volledig socialistische regeringen in Noorwegen en Denemarken? Al met al is het resultaat ervan, dat vanaf 9 juli 1964 de Nederlandse wetgever zit te kienen en alleen heeft bereikt, dat er op de Noordzee, voor zover het ons territoir aangaat, nog niets te zien is. De heren Den Uyl en Zijlstra behoeven nu niet op het strand te gaan kijken, zoals zij in het verleden hebben gedaan op verzoek van de televisie. Er is namelijk niets te zien. Als de heer Den Uyl het ontwerp-Andriessen had uitgevoerd, waren wij al aan de gang geweest. Nu zegt het kabinet in de op één na laatste alinea van de regeringsverklaring, dat 's lands belang vordert, dat de exploratie zo spoedig mogelijk ter hand wordt genomen. Gaarne akkoord, zegt mijn fractie. Mij ontgaat de stelling van drs. Nederhorst, dat deze Regering de algemene maatregel van bestuur van oud-minisrer Den Uyl moet afkondigen. Dit had d eze bewindsman zelf moeten doen. Het overleg met de commissies van Economische Zaken uit de Kamers dateert van vóór de grote vakantie. De heer Den Uyl kon op zijn vingers natellen, dat hij krachtens het amendemcnt-Blaisse voor de Kamer zou moeten verschijnen met zijn algemene maatregel van bestuur. Nu gaan wij iets leuks beleven, mijnheer de Voorzitter. Het amendement-Blaissc, door Den Uyl verguisd tot en met, staat nu een lofzang van socialistische zijde te waiiten . Hoe aangenaam zou nu klinken een compliment van Vondeling aan Blaissc? Want, mijnheer de Voorzitter, de algemene maatregel van bestuur van deze Regering zal natuurlijk het parlement passeren; daarvoor behoeft men geen profeet te zijn: 30 handtekeningen in de Tweede Kamer of 15 handtekeningen in deze Kamer zijn zo verzameld. Ik geef onze socialisten bij voorbaat gelijk, als zij dit eisen.

X C R Maar — en hiermede besluit ik de algemene beschouwing van mijn fractie — het is triest, heel erg triest bij opkomende werkloosheid te moeten ervaren, dat wij in Nederland in 2 i Bührmann e. a.

X C R jaar niet in staat zijn, de bodemschatten juridisch uit de grond te krijgen. Is ons parlement dan toch bezig, zich te vervreemden van ons volk?

X C R De algemene politieke en financiële beschouwingen v/orden geschorst.

X C R Mazure (voorzitter)

no member profile picture

X C R Ik zal nu de vergadering schorsen voor het houden van een theepauze. Daarna zal ik aan de orde stellen de behandeling van de wetsontwerpen r.os. 8819 en 8895. welke behandeling waarschijnlijk niet veel tijd zal vragen.

X C R De vergadering wordt te 15.27 uur geschorst en te 15.54 uw hervat.

X C R behandeling van het wetsontwerp Wijziging Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (8S19) . en

X C R

X C R Aan de orde is de behandeling van het wetsontwerp Wijziging Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (8S19) . en De beraadslaging wordt geopend.

X C R Geuze (De heer) (CHU)

no member profile picture

X C R Mijnheer de Voorzitter! Gaarne zou ik de Minister een vraag willen stellen over een punt, waarop mijn aandacht werd gevestigd. Volgens de Handelingen van de Tweede Kamer van 15 november 1966 (blz. 284, linkerkolom) heeft Minister Samkalden bij de behandeling van dit wetsontwerp verklaard, dat voor degenen die thans reeds van een groene kaart gebruik maken de wijziging derhalve geen lastenverzwaring brengt, terwijl degenen die niet voornemens zijn te met hun motorrijtuig naar het buitenland te gaan aan een zodanige lastenverzwaring kunnen ontkomen door het afleggen van een verklaring. Dank zij uw toestemming en de bereidheid van de Minister mag ik dit punt, dat niet in de stukken was opgenomen, hier thans aan de orde stellen in de vorm van een vraag. Wanneer ik de passage van de vorige bewindsman tracht te interpreteren — ik meen, dat het een ieder die hem beluisterde zo zou gaan — lijkt het erop alsof er niets aan de hand is; er zijn geen moeilijkheden. Als ik echter goed ben ingelicht, is er toch nog een categorie die door de nieuwe regeling wel door moeilijkheden wordt bedreigd. Dat is de categorie, die voor het intra-Beneluxverkeer kon volstaan met een grensverzekeringsbewijs, dat uitsluitend dekking gaf voor België en Luxemburg en dat a raison van slechts 200 Belgische francs per tien dagen. Door nu deze mogelijkheid op te heffen — ik zou dus gaarne van de Minister willen weten of inderdaad deze mogelijkheid niet meer bestaat en waarom niet — lijkt het erop, dat het beroepsgoederenvervocr, dat zich niet bezighield met grensoverschrijdend verkeer buiten de Benelux, wel voor een aanmerkelijke lastenverzwaring komt te staan, omdat er in het vervolg voor dit speciale vervoer geen vaste premies zullen zijn, welke de verzekeringsmaatschappijen plegen te heffen. Zij stellen deze namelijk per geval en individueel vast. Het schijnt, dat de tarieven in de duizenden guldens kunnen lopen. Ik neem gaarne aan, dat de suggestie uit de passage, die ik zoeven noemde, niet opzettelijk is geweest. Wanneer wij dezer dagen echter beslissingen moeten nemen over andere belastingverzwaringen voor het beroepsgoedercnvervoer, is het wenselijk dat aan deze zijde een goede beoordelingsmogelijkheid bestaat voor de werkelijke [astenpositie van dit vervoer. Mijn vraag luidt dan ook: Is het juist dat deze mogelijkheid van het gebruik maken van een apart grensverzekeringsbewijs eigenlijk nu. bij de nieuwe regeling, tussen wal en schip is geraakt? Waarom heeft men deze lastenverzwaring zonder bezwaar in de officiële regeling gemeend te kunnen invoeren?

X C R De verzekeringsmaatschappijen hebben zich tot op heden gebaseerd op de z.g. buitenland-dekking, die in dezelfde alinea even tevoren wordt genoemd, dus de groene kaart, maar tot nog toe is ook van die zijde nog geen duidelijk antwoord gegeven op de vraag, welke verzekeringsvorm zij zich in de toekomst voorstellen ter vervanging van het grensverzekeringsbewijs. Kan dit grensverzekeringsbewijs niet gehandhaafd blijven?

X C R

X C R Zitting 1966-1967 EERSTE KAMER

X C R

X C R 92 8ste vergadering - 20 december '66 Algemene politieke en financiële beschouwingen over de rijksbegroting 1967

X C R Minister Struycken e. a.

X C R Struycken, Minister van Justitie (De heer)

X C R Mijnheer de Voorzitter! De opheldering die ik kan geven, zal de heer Geuze tot mijn spijt waarschijnlijk niet geheel bevredigen.

X C R Wat in de vroegere stukken staat, is inderdaad niet geheel juist. Het internationaal heroepsgoederenvervoer heeft een wettelijke aansprakelijkheidsrisico, dat moeilijk verzekerbaar is. Het wordt door de gewone maatschappijen niet zo gemakkelijk verzekerd en is daarom in een bepaalde combinatie opgenomen. Er wordt dan ook een vrij behoorlijke premie voor berekend. Sommige beroepsgoederenvervoerders hebben er wel iets op gevonden. Zij namen de gewone verzekering slechts voor dekking van het risico in het binnenland en wanneer zij de Belgische grens overgingen gebruikten zij een 14-dagenkaart, een verzekering geldig voor België, tegen een premie, die ver beneden het werkelijk door hen gelopen risico lag. Deze kan zoveel lager zijn, omdat zij is afgestemd op het gemiddelde verkeer, dat in hoofdzaak uit personenwagens bestaat. Per 1 januari wordt de zuivere binnenlanddekking afgeschaft en de Beneluxdekking verplicht gesteld. Inderdaad zie ik op het ogenblik niet in, hoe men nog van de vroegere voordeelregeling kan profiteren. Het was een slimmigheidje, dat bij mijn voorganger niet bekend was en dat men misschien niet heeft kunnen of willen redden.

X C R Geuze (De heer) (CHU)

no member profile picture

X C R Mijnheer de Voorzitter! Ik wil alleen nog zeggen, dat zo'n antwoord van de Minister inderdaad niet bevredigend kan zijn.

X C R De beraadslaging wordt gesloten.

X C R Het wetsontwerp wordt zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

X C R behandeling van het wetsontwerp Goedkeuring van de op 24 mei 1966 te Luxemburg ondertekende Benelux-Overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen met Gemeenschappelijke Bepalingen en Protocol van Ondertekening ( 8895 ).

X C R

X C R Aan de orde is de behandeling van het wetsontwerp Goedkeuring van de op 24 mei 1966 te Luxemburg ondertekende Benelux-Overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen met Gemeenschappelijke Bepalingen en Protocol van Ondertekening (8895). Dit wetsontwerp wordt zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

X C R voortzetting van de algemene politieke en financiële beschouwingen over de rijksbegroting voor het dienstjaar 1967 ( 8800 ).

X C R

X C R Aan de orde is de voortzetting van de algemene politieke en financiële beschouwingen over de rijksbegroting voor het dienstjaar 1967 (8800).

X C R van Lieshout (De heer) (KVP)

no member profile picture

X C R Mijnheer de Voorzitter! Het heeft mij enige moeite gekost om met mijzelf eens te worden over de vraag, hoe de algemene politieke en financiële beschouwingen over de rijksbegroting voor 1967 in het vat dienden te worden gegoten. De reden hiervan is gelegen in het feit, dat deze ditmaal moeten worden gehouden teeen een zeer gevarieerde achtergrond die aanmerkelijk verschilt van die, welke wij als normaal kunnen aanmerken. Normaal is het immers zo. dat wij bij deze beschouwingen kunnen uitgaan van de Troonrede, die bij de opening van het zittingsjaar is uitgesproken en van de begrotingshoofdstukken, die vrijwel gelijktijdig aan de beoordeling van de StatenGeneraal worden toegezonden. Ditmaal is het heel anders. Het kabinet dat voor die Troonrede verantwoordelijk was en dat de begrotingshoofdstukken ontwierp is bereids afgetreden en opgevolgd door een nieuw kabinet, dat zich met een eigen regeringsverklaring aan de volksvertegenwoordiging heeft gepresenteerd. Tussen het aftreden van het vorige kabinet en het optreden van het nieuwe ligt een periode waarin de politieke gemoederen sterk zijn beroerd. Er is alle aanleiding om daarbij ter gelegenheid van de algemene politieke beschouwingen in deze Kamer uitvoerig stil te staan. Mijn conclusie was, dat het wellicht het beste zou zijn, indien ik trachtte mij terzake zoveel mogelijk beperkingen op Van Lieshout te leggen, temeer omdat een van mijn fractiegenoten in aansluiting aan mijn betoog algemene financiële beschouwingen zal houden, die in feite de knelpunten van de meningsverschillen, rond welke zich de politieke strubbelingen van de laatste maanden hebben afgespeeld, zullen raken. Ik heb daarbij tevens overwogen, of het zinvol is om met dit kabinet te spreken over een beleid op langere termijn. Het staat immers nu reeds vast, dat dit kabinet slechts enkele maanden 's lands zaken zal behartigen. Het leek mij juister, dit niet te doen en de door dit kabinet afgelegde regeringsverklaring als uitgangspunt te nemen.

X C R De regeringsverklaring is afgestemd — wij mochten ook niet anders verwachten — op datgene wat het kabinet zich voorstelt te doen in de overgangsperiode waarvoor het zich beschikbaar heeft gesteld. Het is duidelijk dat ik daarbij niet geheel kan voorbijgaan aan hetgeen tot de val van het kabinet-Cals heeft geleid, vooral omdat deze algemene beschouwingen worden gehouden op een tijdstip, waarop almaar wordt gevraagd om openheid en duidelijkheid, niet in de laatste plaats op het punt van de politiek. Ik kan hieraan ook niet voorbijgaan, omdat mij, ook buiten deze Kamer, is gevraagd of het waar is dat de fractie van de K.V.P. in de Eerste Kamer over de kwestie waarover de heer Schmelzer in de Tweede Kamer een motie heeft ingediend een geheel andere opvatting heeft dan de fractie van de K.V.P. aan de overzijde van het Binnenhof. Aangezien mijn fractie niets te verbergen heeft, zal het mij niet moeilijk vallen, daarover te spreken.

X C R Toen ik de Handelingen las van hetgeen is gezegd bij de algemene politieke beschouwingen over de rijksbegroting voor 1967, met name vóór de zogenaamde nacht van Schmelzer, heb ik mij afgevraagd of de heer Cals in de Tweede Kamer nog wel echte vrienden had. Naar mijn mening zal het hem in ieder geval verduiveld moeilijk zijn gevallen om op een gegeven ogenblik vriend van vijand te onderscheiden. Ik lees bij voorbeeld op blz. 251 van de Handelingen van de Tweede Kamer dat bij de algemene politieke en financiële beschouwingen niet minder dan zeven moties zijn ingediend, waarvan er twee afkomstig waren van aan het kabinet-Cals geestverwante fracties.

X C R Daarbij is later nog de motie-Schmelzer gekomen, waardoor het trio uit de regeringspartijen compleet was. Al deze moties waren gericht tegen het beleid, dat door het kabinet-Cals werd gevoerd. Ik kan mij voorstellen, dat de heer Cals met zijn medeleden van zijn kabinet zich allerminst met deze gang van zaken zal hebben geamuseerd en dat het hem ook korzelig zal hebben gestemd. Wellicht -is een en ander van invloed geweest op het verdere verloop van de beraadslagingen, die uiteindelijk tot de val van dit kabinet hebben geleid; hierop zal ik straks nog even terugkomen.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Het ware wellicht te verteren geweest, indien het alleen déze moties waren geweest, die op bepaalde punten van het gevoerde en het te voeren beleid kritiek uitoefenden. Er was echter meer. Weliswaar is het kabinet aan een motie van de grootste regeringspartij uiteindelijk ten gronde gegaan, maar ook de woordvoerders van beide andere regeringspartijen deden uitspraken, die nu niet bepaald van een grote waardering getuigden ten opzichte van het beleid, dat door het kabinet-Cals werd gevoerd. Zo lees ik op blz. 141, linkerkolom, van de betreffende Handelingen, een uitspraak van de heer Nederhorst, die als volgt luidt:

X C R „Dit kabinet bezit de vreemde eigenschap om plompverloren te komen aanzetten met beslissingen die verkeerd vallen, terwijl het naderhand, als een storm van kritiek zijn werk al heeft gedaan — te laat —, tot de erkenning komt, dat een andere oplossing de voorkeur verdient.".

X C R En als de heer Nederhorst vervolgens deze uitspraak met twee voorbeelden heeft geadstrueerd, te weten: 1. de verhoging van het inkomen van de Kroon; 2. de nieuwe regeling

X C R

X C R Zitting 1966-1967 EERSTE KAMER

X C R

X C R Algemene politieke en financiële beschouwingen over de rijksbegroting 1967 8ste vergadering - 20 december '66 93

X C R Van Lieshout van de rijksstudictoelagen, besluit hij dit deel van zijn betoog met de volgende zinsnede. Ik citeer nu opnieuw:

X C R „Mijnheer de Voorzitter! De wijze, waarop het Neder­ landse volk met de verhoging van het inkomen van de Kroon is overvallen en de passiviteit van de zijde van het kabinet, betoond toen de kritiek losbrandde en de meest fantastische verhalen over het vermogen en het daaruit voortspruitende inkomen van de Koningin de ronde gin­ gen doen, tarten elke beschrijving.".

X C R Mijnheer de Voorzitter! Toen ik dit las, heb ik mij in ernst afgevraagd, of er tijdens deze gedachtenwisseling wel iemand is geweest, die een dodelijker kritiek op het kabinet-Cals heeft uitgeoefend dan de heer Nederhorst met deze uitspraak for­ muleerde. Een dergelijke uitspraak is in deze stukken — ik heb er mijn best voor gedaan — niet meer te vinden.

X C R Ook de heer Roolvink, fractievoorzitter van een andere rege­ ringspartij, uitte zich in bijzonder kritische geest. Van hem heb ik genoteerd een uitspraak, die is terug te vinden op blz. 149 varTde Handelingen (linkerkolom) en die er ook echt niet om liegt. Ik citeer opnieuw:

X C R „Op blz. 13 van de miljoenennota wordt ons een overzicht gegeven van de toeneming van de rijksuitgaven van 1960 tot 1966. Wij zien daar, dat over de jaren 1960, 1961, 1962 en 1963 een gemiddelde toeneming van de rijksuitgaven van 8,5 pet. is te constateren. Dan komen de jaren 1964 en 1965 — met begrotingen, waarvoor dit kabinet niet verantwoordelijk kan worden gesteld —, waarin de gemiddelde toeneming niet minder dan 18 pet. bedraagt. Ik geloof, dat het voor een evenwichtig oordeel toch goed is, ook deze naar mijn opvatting keihar­ de feiten duidelijk in rekening te brengen.".

X C R Dan komt de passage, waarop ik in dezen doel. Ik laat nu weer de heer Roolvink spreken:

X C R „Desondanks maken deze feiten de eigen verantwoor­ delijkheid van het kabinet niet ongedaan. Het kabinet had moeten en kunnen beseffen, dat men niet tegelijker­ tijd de openbare en de particuliere bestedingen zo snel kon laten toenemen.".

X C R Mijnheer de Voorzitter! Hierin ligt toch heel duidelijk op­ gesloten, dat ook de heer Roolvink van mening was, dat het kabinet-Cals in zijn beleid in ernstige mate was te kort ge­ schoten. Zo lagen de papieren, dus zeven moties en een tweetal duidelijke uitspraken van fractieleiders van regerings­ partijen, toen als een klap op de vuurpijl, althans voor de heer Cals, naar ik aanneem, de motie-Schmelzer op de re­ geringstafel werd gedeponeerd, een motie, die na door de Kamer te zijn aangenomen, uiteindelijk de doorslag heeft gegeven en tot de ontslagaanvrage van het kabinet-Cals heeft geleid. Eerlijkheidshalve mag ik daaraan ook niet voorbij­ gaan en ik heb ook niet de minste behoefte om dat te doen. Indien ik tracht en nu mede aan de hand van de vragen, die mij zijn geworden, na te gaan mijn standpunt en dat van mijn fractie ten aanzien van die motie, kan ik niet voor­ bijgaan aan de ernstige waarschuwingen, die verleden bij de algemene politieke en financiële beschouwingen in deze Kamer aan de toenmalige Minister van Financiën zijn ge­ geven. Wij hebben toen duidelijk van onze bezorgdheid doen blijken, dat de gehele begrotingsopzet voor 1966 veel te op­ timistisch zou blijken te zijn. Onzerzijds is toen gewezen op gevaarlijke onderstromen, die bezig waren het door de Minister van Financiën geraamde betalingsbalansovcrschot te ondermijnen. Wij hebben toen niet onder stoelen of ban­ ken gestoken, dat de dekking van de begroting-1966 voor ongeveer een bedrag van 430 min. te kort schoot. Uitdruk­ kelijk hebben wij de Minister gevraagd met fiscale maatregelen bij te sturen, indien de realisatie van de begroting zou af­ wijken en het financieringstekort en daarmede het noodzakelijke beroep op de toch al krappe kapitaalmarkt nog groter zou worden. Wij zijn erg teleurgesteld, dat ondanks het ernstige vermaan van deze Kamer dit bijsturen in 1966 evenzeer als in 1965 achterwege is gebleven. Opmerkelijk is, dat de Minister van Financiën tijdens die begrotingsbehan­ deling toegaf, dat eigenlijk in 1965 had moeten worden bij­ gestuurd door het tijdig treffen van fiscale maatregelen. Toen, mijnheer de Voorzitter — ik erken dat gaarne —, kon nog gedeeltelijk het excuus gelden, dat het daarvoor inmiddels voor het in het jaar 1965 opgetreden kabinet te laat was. Voor 1966 gaat dit excuus echter niet op. In alle opzichten — ook de heer Bührmunn heeft daar zojuist op gewezen -—■ is de situatie verslechterd. Dit geldt zowel voor de betalingsbalans — het geraamde overschot is in een ernstig tekort omgeslagen —, de verdere inflatoire ontwik­ keling en de budgettaire positie, alsmede voor de positie van de kapitaalmarkt. Het gevaar, waarvoor toen ernstig werd gewaarschuwd, namelijk dat er zich in het bedrijfsleven liquiditcitsmoeilijkheden zouden gaan voordoen, dat de be­ drijfsinvesteringen zouden gaan stagneren en dat de infra­ structurele voorzieningen, waarvoor de gemeenten de ver­ antwoordelijkheid dragen, bij gebrek aan financieringsmid­ delen zouden moeten worden stopgezet, is manifest gewor­ den. De Nederlandsche Bank is wel tot bijsturen overgegaan: zij heeft de krcdietbepcrkende regelingen verscherpt. Dit optreden is echter onvoldoende gesteund door maatregelen in het budgettaire en het fiscale vlak. Wij kunnen het dan ook niet anders zien, dan dat een geheel andere ontwikke­ ling in 1966, dan waarvan bij de begrotingsbehandeling werd uitgegaan, heeft geleid tot de motie-Schmelzer, toen de be­ groting voor 1967 aan de orde kwam, waarvan moest worden aangenomen, dat ook deze onvoldoende tegendruk zou bie­ den aan de al te ver doorgeschoten inflatoire ontwikkeling.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Ik haast mij hieraan toe te voegen, dat wij het echt wel liever anders hadden gezien. Wij hadden liever gezien, dat het kabinet-Cals zelf ervoor had gezorgd, dat in de begroting voor 1967 een bijsturingsmechanisme was ingebouwd, bij voorbeeld in de vorm van een mach­ tiging tot vervroegde invoering van de verhoging van de omzetbelasting. Op zichzelf was het uitgangspunt voor de begroting-1967 niet onjuist. Dit uitgangspunt was, dat door het financieringstekort zodanig beperkt te houden, geen beroep op de open kapitaalmarkt behoefde te worden ge­ daan. Dit zou tenminste het resultaat moeten zijn van de realisatie van de begroting voor 1967: hiervoor was echter een onvoldoende garantie aanwezig, gelet op de uitkomsten van de begrotingen voor 1965 en 1966. Gesteld voor de ver­ slechtering van de situatie, die sedert de aanbieding van de begroting voor 1967 was opgetreden, zou het kabinet-Cals zelf nog hebben kunnen grijpen naar het middel van het verdere tijdelijke uitstel van de verlaging van de loon- en inkomstenbelasting, zoals thans door "het kabinet-Zijlstra is gedaan. Het heeft ons werkelijk erg gespeten, dat noch van de zijde van de Regering-Cals. noch van de zijde van de des­ betreffende fracties de staatsmanswijsheid is opgebracht om tot een dergelijke fiscale manoeuvre te komen. Daarvoor lagen de politieke posities, na de besprekingen tussen de jaar Regering en de fracties in de zomer, blijkbaar te vast.

X C R Het is naar onze overtuiging dit immobilisme, dat het ka­ binet-Cals ten slotte noodlottig is geworden.

X C R Dat dit geen achteraf praten is, moge ik demonstreren met een enkele aanhaling uit de rede van onze woordvoerder bij de algemene financiële beschouwingen, die op 21 december 1965 — dus nu precies een jaar geleden — vaststelde:

X C R „Wij zijn dan ook van mening, dat mede gelet op de verdere uitgavenstijging, die nog voor 1966 moet wor­ den verwacht, een nieuwe belastingverlaging althans in 1966 niet verantwoord zou zijn.".

X C R Mijnheer de Voorzitter! Dit sloeg op de voorgestelde ver­ laging van het tarief inkomstenbelasting aan de voet, welke

X C R

X C R Zitting 1966-1967 EERSTE KAMER

X C R

X C R 94 8ste vergadering - 20 december '66 Algemene politieke en financiële beschouwingen over de rijksbegroting 1967

X C R Van Lieshout verlaging met de opbrengst van spaarbrieven had moeten worden gefinancierd. Even verder zei hij:

X C R „Integendeel, wij honden het ervoor, dat nieuwe uitgaven een verdergaande dekking noodzakelijk maken, tenzij door uitgavenverlaging in andere sectoren compensatie kan worden geboden.".

X C R De Kamer kan deze uitspraken vinden op blz. 213, linkerkolom onderaan en rechterkolom bovenaan, van de desbetreffende Handelingen.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Ik meen, dat ik hiermee duidelijk heb uitgesproken, welk standpunt onze fractie ter zake van de motie-Schmelzcr huldigt. Dit houdt tevens in, dat de regeringZijlstra van onze fractie veel begrip zal ondervinden bij haar poging om wederom te geraken tot een gezond evenwicht in de ondervvcrpeüjke sectoren. Daarmee neem ik dan afscheid van het vorige kabinet. Le roi est mort; vive Ie roi.

X C R Wij hebben nu, na al de beslommeringen die de laatste weken het politieke veld in spanning hebben gebracht, dan weer een nieuw kabinet. De Minister-President heeft het in de regeringsverklaring, afgelegd in de Tweede Kamer, aangeduid als een overgangskabinet met een extra parlementair karakter. Het heeft geen binding met de fracties van de Kamer en als directe opdracht heeft het meegekregen het voorbereiden van vervroegde verkiezingen en mitsdien ontbinding van de Tweede Kamer.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Bij dat punt zijn wij hier slechts zijdelings betrokken, wat niet wil zeggen dat wij er ook slechts zijdelings bij zijn geïnteresseerd of er slechts geringe belangstelling voor zouden hebben. Integendeel, wij zijn met de MinisterPresident van mening, dat een besluit tot ontbinding van de Tweede Kamer en het uitschrijven van vervroegde verkiezingen een gewichtige zaak is, die ons aller belangstelling overwaard is. Uit dien hoofde zien wij dan ook het resultaat van deze verkiezingen met bijzondere interesse tegemoet en spreken wij graag de verwachting uit, dat deze het mogelijk zullen maken om een sterke regeringsformatie tot stand te brengen, die met kracht en voortvarendheid de moeilijkheden, waarin wij zijn geraakt, het hoofd zal kunnen bieden.

X C R Het is echter evident, dat het nieuwe kabinet niet kan — en blijkens de regeringsverklaring ook niet wil — volstaan met te bevorderen dat nieuwe verkiezingen kunnen worden gehouden. Er valt voor dit kabinet met een korte levensduur meer, heel veel meer te doen. Vanzelfsprekend kunnen en mogen wij van dit kabinet niet verlangen, dat het alle problemen tot een oplossing zal brengen, maar wij rekenen er wel op, dat een aantal vraagstukken, waarbij het landsbelang zeer nauw is betrokken, met grote voortvarendheid zal worden aangepakt en, zo dit enigszins mogelijk is, tot een goed einde zal worden gebracht. Het uiteraard beperkte program, dat de Minister-President heeft ontvouwd, geeft gerede aanleiding, te mogen verwachten, dat het nieuwe kabinet dat ook echt wel wil doen. De regeringsverklaring van 29 november jl, heeft een door de omstandigheden veroorzaakt ietwat eenzijdig karakter. Die eenzijdigheid wordt veroorzaakt door de noodzaak, zo mogelijk op korte termijn het financieel-economisch evenwicht te herstellen en de inflatie te bestrijden. Dit is mijns inziens de kern, waarom het gaat en aangezien mijn fractiegenoot de heer Van Campen, die namens ons aigemene financiële beschouwingen zal houden, daarop zal ingaan, lijkt het mij juist, indien ik mij er niet mee bezighoud, opdat ik hem niet te veel voor de voeten zal lopen. De verstoring van hei financiële evenwicht geeft ook een aantal nevenverschijnselen te zien. die tot grote bezorgdheid aanleiding geven. Een daarvan heeft bij het beraad in mijn fractie met betrekking tot de voorstellen, die het kabinet heeft gedaan lot herstel van het verstoordc-financieel-economische evenwicht, een zeer belangrijke rol gespeeld bij het bepalen van ons standpunt ter zake. namelijk het vraagstuk van de werkgelegenheid, een vraagstuk, dat op het ogenblik ons volk in brede lagen zeer verontrust. Terecht is daaraan in de regeringsverklaring bijzondere aandacht besteed. Terecht ook wordt daarin met nadruk naar voren gebracht, dat de bevordering van de werkgelegenheid een van de centrale doeleinden van deze Regering vormt. Wanneer wij de recente ontwikkelingen met betrekking tot de werkgelegenheid bezien, valt het ons op, dat in bepaalde delen des lands, met name in het westen, althans cijfermatig gezien, de overspanning van de arbeidsmarkt plaats heeft gemaakt voor meer normale verhoudingen. Hoewel dit op zich zelf zou kunnen worden toegejuicht, rijst toch wel de vraag, of het ten naastenbij verkregen evenwicht daar ook zal kunnen worden gehandhaafd en of wij, gezien vooral het tempo, waarin de wijzigingen optreden, landelijk gezien niet op weg zijn naar omvangrijke tekorten aan werkgelegenheid, welke — en ik citeer thans de regeringsverklaring — een harde en bijkans ondraaglijke zaak zijn voor de individuele mens en zijn gezin.

X C R In het algemeen kunnen wij ons verenigen met het in de regeringsverklaring geschetste verband tussen betalingsbalansevenwicht en werkgelegenheid, zoals wij ook akkoord kunnen gaan met het uitgestippelde beleid, om te dien aanzien tot het noodzakelijk evenwichtsherstel te geraken. Intussen menen wij met nadruk te moeten stellen, dat het werkgelegenheidsbeleid alleen kans van slagen heeft, indien een in dit opzicht adequaat ondernemersklimaat aanwezig is. In dit opzicht zijn wij niet gerust op de ontwikkeling op langere termijn. Wij constateren een voortdurende groei van de beroepsbevolking. Ook voor de komende jaren zal daarop moeten worden gerekend.

X C R Zal nu wel gerekend kunnen worden op een hiermede corresponderende bereidheid van de ondernemers om nieuwe bedrijven te vestigen dan wel bestaande bedrijven uit te breiden? Wij zien het in dit opzicht als een teken aan de wand, dat vooral als gevolg van grotere tegemoetkomendheid en van grotere financiële faciliteiten, die in ons omringende landen worden geboden om de vestigings- en investeringsbereidheid te stimuleren, bepaalde voorgenomen vestigingen hier te lande ten slotte toch geen doorgang hebben gevonden, ja, dat verschillende Nederlandse bedrijven hun activiteiten zelfs ten dele naar nabuurlanden hebben overgebracht.

X C R Dergelijke ontwikkelingen zijn vooral kwalijk voor die gebieden, waar thans reeds een omvangrijke structurele werkloosheid aanwezig is. Ik denk hier nu met name aan Limburg en aan het noorden des lands. Voor wat het eerste gebied, Limburg, aangaat, moet worden vastgesteld, dat de werkloosheid hier wel zeer snel toeneemt. Tn één jaar tijd is die er bijkans verviervoudigd. In Zuid-Limburg was eind november voor de afhankelijke mannelijke beroepsbevolking de 3 pet. reeds overschreden. Helaas inoet worden vastgesteld, dat de omstandigheden in dit gebied sedert het verschijnen van de regeringsnota inzake de mijnindustrie en de industriële herstructurering van Zuid-Limburg algemeen minder gunstig zijn geworden.

X C R Het beeld wordt overigens nog verontrustender, indien de algemene verwachting, dat de sluiting der mijnen in een sneller tempo zal geschieden dan in de bedoelde regeringsnota in 1955 was voorzien, zou worden bewaarheid.

X C R Een en ander doet natuurlijk niets af aan de waardering, welke wij eerder voor deze regeringsnota hebben uitgesproken. Ik meen daarbij thans wel te moeten opmerken, dat de in de nota voorziene faciliteiten kennelijk niet toereikend zijn. Dit zal onder meer wel een verklaring vinden in de aanmerkelijk gunstiger regelingen, welke in de loop van dit jaar voor de aangrenzende Belgische reconversiegebicden zijn getroffen.

X C R Voor het noorden des lands is het beeld zeker niet gunstiger. De werkloosheidspercentages belopen daar sedert vele jaren een veelvoud van het nationale percentage. Zij zijn inmiddels voor Groningen en Friesland tot rond 3.5 pet. gestegen, terwijl voor Drenthe zelfs de 6 pet. ruim is voorbijgegaan. In enkele noordelijke rayons benadert de werkloosheid thans de 10 pet., terwijl algemeen in het noorden een snelle verdere stijging van de werkloosheid wordt verwacht.

X C R

X C R Zitting 1966-1967 EERSTE KAMER

X C R

X C R Al; emene politieke en financiële beschouwingen over de rijksbegroting 1967 8ste vergadering - 20 december '66

X C R Van Lieshout Het industrialisatieproces, dat enkele jaren geleden mede als gevolg van de getroffen overheidsmaatregelen goed op gang leek te komen, is er dan ook praktisch volkomen tot stilstand geraakt. Er schijnt zelfs op gerekend te moeten worden, dat het aantal arbeidsplaatsen in de loop van 1966 met rond 1000 is teruggelopen. Een zaak, die bijzonder verontrustend is, indien men rekening houdt met de taak, die blijkens de tweede nota over de ruimtelijke ordening aan dit gebied in de toekomstige nationale ontwikkeling is toebedeeld. Het is duidelijk, dat de door de voorgaande regering voor dit gebied aangekondigde heroriëntatie van het industrialisatiegebied op korte termijn haar beslag zal moeten krijgen.

X C R Met grote belangstelling zien wij ook uit naar de aangekondigde regeringsno'a over hel noorden. Maar ook ten aanzien van de vooruitzichten in andere gebieden zijn wij in dezen niet zonder beduchtheid. Bepaalde delen van Noord-Brabani en Overijssel — in het laatste geval denk ik vooral aan Twente — vertonen met betrekking tot de werkgelegenheid eveneens ongunstige ontwikkelingen. Ook aan deze gebieden zal in het kader van het werkgelegenheids- en industrialisatiebeleid bijzondere aandacht moeten worden geschonken.

X C R Het wil mij voorkomen, dat voor het zoeken naar oplossingen voor het werkgelegenheidsvraagstuk de woningbouw een heel belangrijke rol kan en moet spelen. Daardoor kan immers het mes van twee kanten snijden. Enerzijds kan daardoor de werkgelegenheid worden verruimd, anderzijds kan daardoor een bijdrage worden geleverd aan het inhalen van het woningtekort, waaraan — ik memoreer dit met grote dankbaarheid — Minister Bogaers zo veel heeft gedaan. Wij hopen van harte, dat de door de Regering voorgestelde maatregelen op korte termijn zullen leiden tot opheffing van de liquiditeitskrapte, die evident een remmende invloed op de bouwbedrijvigheid in het algemeen maar ook op de woningbouw uitoefent.

X C R Nu nog een enkele kanttekening bij een paar andere punten, die in de regeringsverklaring zijn genoemd. Het stemt ons tot grote voldoening, dat dit kabinet ondanks de korte tijdruimte, die het ter beschikking zal hebben, ook het omroepbestel wil trachten af te ronden. Wij verheugen ons daarover, omdat deze kwestie eigenlijk reeds veel te lang slepende is en op grond daarvan alleen reeds een prioriteit mag claimen, maar ook omdat wij het politiek gezien weinig aantrekkelijk vinden, indien deze aangelegenheid opnieuw een knelpunt zou kunnen worden bij het vormen van een kabinet na de vervroegde verkiezingen.

X C R Ten aanzien van de Mijnwet continentaal plat wordt in de regeringsverklaring gesteld, dat het landsbelang vordert dat zo spoedig mogelijk in zo groot mogelijke omvang de opsporing en daarna de winning van delfstoffen op het Nederlandse gedeelte van het contitentale plat ter hand wordt genomen. Deze mening wordt door onze fractie ten volle onderschreven. Wij hebben destijds reeds gesteld, dat het erom gaat langs welke weg een maximale bate te verwerven is ten behoeve van de Nederlandse volkshuishouding. Het gaat — althans bij mijn fractie — niet om een bepaalde leer. Het gaat erom langs de meest doelmatige weg dit doel te bereiken. Een voorstelling van zaken, alsof er maar één doelmatige weg is en alsof degene die een andere weg wil bewandelen verraad pleegt aan het Nederlandse volk, wijzen wij ten enenmale af. Standpunten van de regeringen in andere landen laten zien, dat diverse regelingen mogelijk zijn. Het belangrijkste is evenwel, dat spoedig in deze zaak een beslissing valt. Het is namelijk volgens ons zeer wel mogelijk, dat door het lange uitstel dat heeft plaats gehad, ons land reeds nu belangrijke schade heeft geleden. Het is de vraag of, nu op de continentale platten van de andere landen de booractiviteiten in volle omvang tot ontplooiing komen, de belangstelling voor het Nederlandse deel nog zo groot zal zijn, te meer omdat het aardgas van het Nederlandse deel van het continentale plat toch praktisch buiten ons eigen land zijn afzet zal moeten vinden.

X C R Verkenning en exploratie hadden reeds geruime tijd op gang kunnen en moeten zijn. Dii klemt (e meer. omdat in feite de gas9 5 vondstcn in ons eigen land de stoot hebben gegeven tot onderzoek naar de mogelijkheden van het voorkomen van koolwaterstoffen onder het continentale plat van de Noordzee. Een spoedige beslissing is daarom naar onze mening noodzakelijk, te meer omdat ook in de ogenblikkelijke ontwikkeling van onze economie zo mogelijk sommige toeleveringsbedrijven hierbij nog gebaat zouden kunnen zijn.

X C R Dit is een weliswaar bijkomstig, maar zeker onder de huidige omstandigheden toch zeer welkom voordeel, dat hieruit zou kunnen resulteren.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Het is op grond van deze overwegingen, dat wij dit kabinet en het door hem gepresenteerde program graag zo veel mogelijk willen steunen, ook dan indien hiervoor offers worden gevraagd, die in brede lagen van ons volk teleurstelling zullen teweegbrengen. Wij zien deze offers dan, met name onder de huidige omstandigheden, als de kost die aan de baat vooraf zal moeten gaan. Wel maken wij hierbij de restrictie dat deze offers in niet grotere omvang en voor niet langere tijd dan strikt noodzakelijk is zullen worden gevraagd. Wij zullen het bijzonder op prijs stellen indien bij het bepalen van die omvang en van die levensduur niet alleen zal worden gelet op de inkomstenkant, maar ook en in niet mindere mate op het uitgavenvolume. In mijn fractie leeft de overtuiging — bij de behandeling van de onderscheidene begrotingshoofdstukken zal daarop waarschijnlijk worden teruggekomen — . dat aan het uitgavenpatroon echt wel iets kan worden gedaan zonder dat als gevolg daarvan essentiële voorzieningen in wezen behoeven te worden geschaad. Gelet op het voornemen, waarover ik sprak, ga ik hierop nu niet nader in.

X C R Waarop het nu aankomt, is of het kabinet-Zijlstra in staat zal zijn, zijn voornemens, die veelbelovend zijn, ook te realiseren. Uiteraard zal dit voor een belangrijk deel afhankelijk zijn van de medewerking, die het ter zake van de Staten-Generaal zal verkrijgen. Voor een ander deel — en met het oog op alle omstandigheden wellicht hel belangrijkste deel — zal het welslagen van het door de Regering ontvouwen program afhangen van de kunde, de werklust en de overtuigingskracht van het kabinet in zijn geheel en van de leden van dit kabinet afzonderlijk.

X C R Het is nu reeds gebleken, mijnheer de Voorzitter, dat niet alle leden van de volksvertegenwoordiging hiervan grote verwachtingen koesteren. Zo sas ik in de Handelingen van de Tweede Kamer van woensdag 30 november j!. . blz. 307, rechterkolom, dat de heer Nederhorst van mening is, dat dit kabinet ondanks alle grote namen geen echt kabinet is. De heer Nederhorst, die blijkbaar — dit is mij ook nadien gebleken — graag in voetbaltermen spreekt, vergelijkt het kabinet-Zijlstra met een voetbalelftal van oud-Oranje op nieuwjaarsdag. Het is aardig, zo merkte hij op, er even naar te kijken, waarbij het oude en dikwijls ook prettige herinneringen oproept, maar dit duurt dan toch maar heel kort omdat het eigenlijk niet tot echt spel kan komen. Mijnheer de Voorzitter! Ik ben van gevoelen, dat deze beeldspraak als minder gelukkig dient te worden aangemerkt en dat zij in het algemeen niet opgaat. Zij doet aan de betreffende teamgenoten geen recht wedervaren. In één opzicht gaat de vergelijking van de heer Nederhorst naar mijn mening wel op, althans in bijna alle gevallen, namelijk gelet op het tijdst'p waarop het oud-Oranje-leam in het veld komt. Beider spel moet worden gespeeld onder zeer ongunstige terreinomstandigheden. Hierop doelde de heer Nederhorst echter kennelijk niet. Zijn bezwaar tegen het team van oud-Oranje is mijns inziens gelegen in het feit. dat het wordt samengesteld uit spelers die weliswaar in hel verleden hun sporen hebben verdiend maar die nu toch te oud zijn in jaren en te weinig aan geregelde training deelnemen om nog tot attractief spel te kunnen geraken. Ik ben er vanzelfsprekend van uitgegaan dat de bezwaren van de heer Nederhorst zich niet richten tegen het feit dat de spelers vroeger de oranjetrui hebben gedragen.

X C R Ik acht deze vergelijking onjuist, omdat van dit regeringsteam in het algemeen zeker niet kan worden gezegd dat het te

X C R

X C R Zitting 1966-196 7 EERST E KAME R

X C R

X C R 96 8ste vergadering - 20 december '66 Algemene polilicke en financ'ëlc beschouwingen over de rijksbegroting 1967

X C R Van Lieshout e. a.

X C R oud i, voor het spel dat moet worden gespeeld en ook niet dat het de spelers aan training heelt ontbroken. Het merendeel van hen is sinds jaren regelmatig in training geweest, terwijl zij die de laatste jaren niet het direct parlementaire trainingssysteem hebben gevolg bij eert andere club en op een ander terrein in training zijn gebleven, zodat wij alle reden hebben om aan te nemen dat hun conditie eveneens in orde is. Wij zien dit kabinet derhalve als een volwaardig team, naar welks verrichtingen wij met grote belangstelling uitzien. Wij zijn het met de heer Nederhorst in dit opzicht bepaaldelijk niet eens. Wij zouden voor zijn bezwaren tegen dit team nog begrip kunnen opbrengen als hij had gezegd dat dit team uitsluitend is samengesteld uit spelers die alleen maar met het rechterbeen kunnen voetballen en dat op grond daarvan de linkervleugel onderbezet is. Hij heeft dit bezwaar echter niet genoemd, waarschijnlijk omdat door hem en zijn partijgenoten bij herhaling is geponeerd dat de club waaruit het merendeel der leden van dit team werd gerccruteerd zowel over linkse als over rechtse spelers de beschikking heeft. Ik herhaal dat wij de opvattint-; van. de heer Nederhorsi over de kwaliteiten van de spelers van dit team niet delen; wij hebben in hen het volste vertrouwen. Wij zullen dit team gaarne in een sportieve strijd een verdienstelijk resultaat zien behalen, niet alleen voor of na nieuwjaarsdag, maar ook in het verdere verloop van de parlementaire competitie die voor hem sinds kort is begonnen.

X C R van Pelt (De heer) (PSP)

no member profile picture

X C R Zoudt u niet voeien voor een elftal van rode duivels?

X C R van Campen (De heer) (KVP)

no member profile picture

X C R Mijnheer de Voorzitter! Gaarne wil ik namens de fractie van de K.V.P. in deze Kamer mijn erkentelijkheid betuigen voor het feit dat prof. Zijlstra. gegeven de kabinetscrisis, zich ook heeft willen belasten met de portefeuille van Financiën, waarvan de belangrijkste bijdrage zal moeten komen ter bereiking van een evenwichtshcrstel na jaren van chronische inflatie.

X C R De ontspanning die thans eindelijk optreedt, schept niet geringe moeilijkheden. Deze moeilijkheden vloeien voort uit het feit dat de conjunctuurpolitiek al te eenzijdig is gevoerd met welhaast uitsluitend het instrumentarium van de monetaire politiek. Dit wil zeggen dat men de krcdietkraan heeft dichtgehouden. Dit is in het begin van de zestiger jaren bij voorbeeld ook in Italië het geval geweest. Het gevolg was daar dat door een al te krachtige kredietrestrictiepolitick in de jaren 19.'>0—1965 de bedrijfsinvesteringen hebben gelegen beneden het niveau van de vijf jaren daaraan voorafgaand. Dat zou ook ons zo zijn vergaan, indien en, naar wij hopen, juist op tijd de beleidsinstrumenten van de budgettaire politiek en van de inkomenspolitiek krachtiger zullen worden ingeschakeld dan aanvankelijk in de bedoeling lag. Reeds verleden jaar hebben wij ervoor gepleit om een sterkere financiële onderbouw te geven aan het overigens door en ; gesteund programma van het kabinet-Cals, da: voo; zag in de uitbreiding van de noodzakelijke collectieve voorzieningen, met name op hel stuk van het onderwijs, wetenschappelijk onderzoek, wegen en gezondheidszorg.

X C R Indien wij een der;'1, ijk, op versterking van de infra-structuur van ons land gericht beleid — ook voor de toekomst — als juist erkennen, dan vragen wij ons echter wel af, of bij alle nadruk, die een meer gevarieerde conjunctuur-politiek thans moet krijgen, deze geheel los kan worden gezien van een inpassing van een op langere termijn gerichte structuurpolitiek. Aan de overzijde heeft de Minister moeten stellen — ik heb dat gelezen in de Handelingen (b!z. 444, rechterkolom); onze Tractie is daarin met de Minister zeer teleurgesteld — dat wij thans hel voordeel van een structureel volgehouden beleid kwijt zijn; dat wij nu van de hand in de land moeten leven. Daarom ook — aldus de Minister — dat in sterke male rekening moet worden gehouden met de tegenvallers in de belastingontvangsten. Helemaal begrijpen doe ik dat standpunt eigenlijk niet. Ook al is in feite de structurele norm in het verleden sterk verwaarloosd, desa'niettemin zou voor 1957 kunnen blijven Van Campcn gelden, dat bij een calculatie op basis van de verhouding sparen-investeren in de particuliere sector de uitval van belastingontvangsten als gevolg van een verslechterde conjunctuur als zodanig, niet behoeft te worden gecompenseerd. Ik wil aan de Minister vragen: Is het wel juist te stellen, dat de opbrengst van de extra-belastingmaatregelen enerzijds gedeeltelijk nodig is ter compensatie van de belastingtegenvallers, die voor 19ó7 worden verwacht en anderzijds gedeeltelijk om de kapitaalmarkt te verruimen? Gaat het hier eigenlijk niet om twee zijden van dezelfde medaille? De gehele extra-ontvangst zou in mijn gcdachtengang kunnen worden beschouwd als dienende om de kapitaalmarkt te verruimen, waarmede voor het totale bedrag een bijdrage wordt verkregen voor een monetaire gezonde financiering van de gemeentelijke investeringen, de woningbouw en voorts van de bedrijfsinvesteringen. Naar mijn mening zouden wij voor 100 pet. meer waar en tevens gezonde financiële waar krijgen door de belastinggelden, die extra worden gevraagd.

X C R Mijnheer de Voorzitter! In de gcdachtengang van de Minister, die erop neerkomt, dat er structureel gezien, geen touw meer aan vast te knopen is, rijst ook de vraag, hoe wij weer kunnen inschieten in een verantwoord structureel en budgettair beleid. Welke uitgangspunten ziet de Minister daarvoor? Kan het jaar 1957 nog een dergelijk uitgangspunt bieden voor de toekomst, indien in 1967 aisnog een redelijk evenwicht zou kunnen worden bereikt? Of moeten wij vrezen, dat in dat jaar ten hoogste het externe evenwicht bereikt zal kunnen worden, maar dat dit ten koste van een voldoende niveau van de investeringen en derhalve ten koste van een voortgezette economische groei zal gaan. Wij zouden dan eventueel wel het evenwicht, althans het externe evenwicht, hebben bereikt, maar nog steeds niet het ideaal, waarnaar wij moeten streven, namelijk de handhaving van een voldoende economische groei in een redelijk evenwicht lussen nationale middelen en bestedingen.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Aan de overzijde is in verband met het beiastingprogramma ook aan de orde gesteld de verhouding tussen de collectieve sector en de particuliere sector. Er zou een overheveling plaatsvinden van de particuliere naar de overheidssfeer. De vraag rijst, of in het licht van de structurele groei, voor zover het de investeringen betreft, de overheids- en de particuliere sector wel steeds als zodanig tegenover elkaar gesteld moeten worden beschouwd. Indien het erom gaat om de economische groei veilig te stellen, betreft de keuze veeleer óf wel meer of minder consumptie óf wel meer of minder investeren, waarbij de investeringen in de particuliere en in de overheidssector.als complementair zouden kunnen worden beschouwd.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Dat was blijkbaar ook de opvatting van de meerderheid van de fractie van de P.v.d.A. in deze Kamer, toen in 1964 de tariefsverlaging ter compensatie van het progressie-effect aan de orde was. De heer Vos heeft daaraan reeds herinnerd. Men vreesde toen, dat zulks zou gaan ten laste van de collectieve voorzieningen, die naar de opvatting van die meerderheid een knelpunt dreigden te worden. Dat knelpunt is steeds nijpender geworden en thans extra acuut. A fortiori zou thans van die zijde, dunkt mij, instemming mogen worden verwacht met het halve jaar uitstel van de tariefsverlaging van de inkomsten- en loonbelasting, die wij op dit ogenblik bereid zijn als een noodmaatregel te aanvaarden. Het komt ons namelijk voor, dat de snel verslechterende economische omstandigheden en met name het verrassend grote betalingsba'anstekort bc chouwd kunnen worden als de overmachtsituatie, die dit fiscale ingrijpen rechtvaardigt en ook voor het kabinet-Cals eventueel een rechtvaardigingsgrond had kunnen zijn om eventueel op indertijd bij het optreden gemaakte afspraken terug te komen. Wij zien dit uitstel, voor zover dit gaat ten laste van de zelfstandigen, ook als een stuk inkomenspolitiek, waarnaar de heer Vos straks heeft gevraagd, een stuk in! omenspolitiek, dat geacht kan worden als het ware parallel ie lopen met het matigende loonbeleid, dat het kabinct-Zijlstra

X C R

X C R Zitting 1966-190 7 EERST E KAME R

X C R

X C R Algemene politieke en f:nanc'.ë!e beschouwingen over de rijksbegroting 1967 8ste vergadering - 20 december '66

X C R Van Campen onder de huidige omstandigheden overigens noodzakelijk acht.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Niet alleen conjunctureel ter bevorderirg van het evenwichtsherstel, maar ook structuree! heeft . aar onze opvatting het belastingprogram betekenis en past het geheel in het program voor economische politiek op langere termijn. Een dergelijk program is onlangs door het Europese Parlement met instemming van alle partijen voor alle ledenlanden aanvaard. Het grondpatroon van dit program is, dat zelfs een jaarlijks groeipercentage, dat iets ligt beneden dut van de afgelopen vijf jaren, slechts kan worden gewaarborgd, indien het bestedingspatroon van het nationale inkomen enige wijzigingen ten opzichte van het verleden-ondergaat. De investeringen, met name die van de overheid, krijgen in dat programma bijzondere voorrang. De toeneming van het particuliere en openbare verbruik moet daarentegen worden afgeremd. Het rapport gaat er dan ook van uit, dat in alle leden-landen de belastingen zullen moeten worden verhoogd. Een verhoging van de belastinginkomsten zou daarbij in eerste instantie moeten worden gezocht bij belastingen, die meer in het bijzon der van invloed zijn op de consumptieve uitgaven.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Ook de deelneming aan dit Europese program, dat beoogt voor de lid-staten van de E.E.G. te bereiken een voortgezette economische groei in evenwicht, rechtvaardigt naar de opvatting van onze fractie eveneens de financiële voorstellen van dit kabinet. Dit kabinet zal immers een financiële brug dienen te slaan tussen het program van hel kabinet-Cals, dat geacht kan worden geheel in de lijn van het Europese vijfjarenprogram te hebben gelegen en gericht was op een uitbreiding van de collectieve voorzieningen, en het program van de regering die na de verkiezingen zal optreden. Daarbij gaan wij ervan uit, dat die nieuwe regering binnen het kader van dat Europese program voor economische politiek in de jaren 1966 tot 1970 zal doortrekken de lijn van meer voorzieningen, die gericht zijn op verbetering van produktiemogelijkheden. van het leefmilieu en het verzorgingsniveau in ons land. Indien wij zulks immers niet zouden doen, zouden wij blijven zitten met een technologische achterstand en ook met een achterstand in de infrastructurele voorzieningen, een achterstand, die wij niet voor onze verantwoording zouden willen nemen. In dit verband zou het mij ook wel interesseren, te vernemen, of de Minister van mening is, dat zijn belastingprogram past in de middellange termijnprognose van de E.E.G. met de daarbij behorende beleidslijnen, die, zoals gezegd, onlangs door het Europese Parlement unaniem zijn aanvaard. Het oordeel van de E.E.G.-commissie over de budgettaire politiek, die in ons 'and werd gevoerd, was volgens het laatste kwartaalbericht van de E.E.G.-commissie niet erg rooskleurig. In dit rapport werd gesteld, dat van de overheidstekorten en van de wijze waarop deze worden gefinancierd, nog steeds te sterke expansie-impu'scn uitgaan. Ik zou nu aan de Minister willen vragen hoe de E.E.G.-commissie thans denkt over de door het kabinetZijlstra voorgenomen belastingplannen en of deze meer satisfactie zullen bieden ten opzichte van de sombere vermoedens, die bij de E.E.G.-commissie leefden voor de financieel-economische positie van ons land, zoals dat is gebleken uit het zojuist door mij aangehaalde kwartaalrapport.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Ook de eis die wij, en met ons meer dan één partij, stellen aan een passende bijdrage van ons land in de hulp aan de ontwikkelingslanden maakt het onontkoombaar, dat wij de noodzakelijke offers daarvoor brengen. Het is immers slechts zinvol over verhoging van de bijdragen aan ontwikkelingslanden te spreken, indien tegelijkertijd voor het d voor noodzakelijke overschot op de betalingsbalans wordt gezorgd.

X C R Wij hebben helaas moeten constateren, dat het overigens goed opgezette programma van het kabinet-Cals de noodzakelijke conjuncturele begeleiding heeft gemist. Het kabinet hiervoor in deze Kamer verleden jaar ernstig gewaarschuwd; het meest aansprekende is dit geschied door de woordvoerder van de A.R.P., die thans als Minister-President en als Mini.ter van Financiën optreedt. Zijn betoog kwam erop neer, dat hij " ' slechts heil zag in een uilvoering in fasen van het ook door hem gunstig beoordeelde structuurprogramma van het kabinet-Cals. Volgens zijn zienswijze had het kabinet-Cals wat te veel haast. en een structuurprogramma kan nu eenmaal niet haastig worden uitgevoerd. Ook wij hebben er verleden jaar voor gepleit — het is zojuist nog door onze fractievoorzitter naar voren gebracht — om extra fiscale maatregelen te treffen, indien, hetgeen wij vreesden, de kapitaalmarktsituatie niet zo gunstig zou blijken te zijn, als door de toenmalige Minister van Financiën werd verwacht. Wij hebben toen verband gelegd met de roodzaak om ook in het kader van de E.E.G. binnen afzienbare tijd te komen tot een verhoging van de omzetbelasting, in verband met een structuurwijziging hiervan. De woordvoerder van de A.R.P.-fractie zag toen echter onvoldoende manoc'ivreermogelijkhef'en cm mei ds ,-fiscal policy", zoals het toen werd genoemd, bij te sturen, hetgeen door ons werd bepleit. Het interesseert mij te vernemen, of de huidige Minister van Financiën op dit punt althans nog in het verleden wil terugzien en hiervoor zijn verklaring wil geven in het licht van de fisca'e maatregelen die door het kabinet-Zijlstra thans zijn voorgesteld.

X C R Inmiddels heeft de president van de Nederlandsche Bank onlangs duidelijke taal gesproken. In een op 1 december uitgesproken rede heeft hij de vinger gelegd op de wonde plek van de overheidsfinanciering. Hij noemde de ervaringen van. de laatste jaren en in het bijzonder /an het thans lopende jaar teleurstellend. Ervan uitgaande, dat met toepassing van de desbetreffende normen de inflatoire overheidsfinanciering een bedrag van rond 150 min. zou mogen bedragen, stelde de hcei Ho'rrcp vast, da! in 1964 en 1965 de tota'e inflatoire overheidsfinanciering 500 min.

X C R tot 600 min.

X C R beliep, maar voor 1966 moest hij vaststellen, dat ,.terwijl de liquiditeitenrecreatie ten behoeve van de private sector vermoedelijk circa 100 min. groter zal zijn dan in het voorafgaande jaar. te verwachten valt, dat het beroep van de overheid op financiering met kort geld veeleer in de orde van grootte van 1,5 mld. zal liggen, waarvan 6.00 min. ten laste van het Rijk en de rest ten laste van de lagere overheid.".

X C R Mijnheer de Voorzitter! Met een betalirgsbalanstekort voor 1966 van ruim 800 m'n. blijven wij 2 pet. beneden de structurele norm van een betalingsbalansoverschot ter grootte van I pcf. van het nationa'e inkomen, dat mede met het oog op een continue stroom van ontwikkelingshulp als noodzakelijk moet worden geacht. De president van de Nederlandsche Bank heeft niet geaarzeld ons duidelijk op onze nationale taak te wijzen, t.vv. de nationale bestedingen met 2 pet. terug te dringen, zonder daardoor het nationale inkomen zelf aan te tasten. Alle beleidsinstrumenten zullen daartoe moeten bijdragen, met name de loon- en prijspolitiek, de budgettaire politiek en de monetaire politiek, welke laatste tot nu toe praktisch alleen de last heeft moeten dragen.

X C R Onze fractie zou zich willen houden aan het advies dat de president van de Neder'andsche Bank ons in duidelijke woorden heeft gegeven. Hij stelde — en nu citeer ik weder om uit de desbetreffende rede —:

X C R ,.De voorgestelde belastingmaatregelen, die van de bevolking slechts het offer vragen van een half jaar later wat rijker en een half jaar eerder wat armer te worden dan anders het geval zou zijn, kunnen bijdragen tot een zo gespreid mogelijke bestedingsbeperking in de consumptieve sfeer, welke zowel met het oog op de betaüngsbalan me) het oog op de werkgelegenheid de voorkeur verdient boven een eventuele bestedingsbeperking, die geconcentreerd zou worden op een beis perkte groep van overheidsinv2steringen.'\ Mijnheer de Voorzitter! In dit verband zou ik gaarne van de gelegenheid gebruik willen maken om. nu de ambtsperiode van dr. Holtrop ten einde loopt, jegens hem van onze grote

X C R

X C R Zitting 1966-196 7 1IRST E KAMK R

X C R

X C R 98 8ste vergadering - 20 december '66 Algemene polifr.'ke en financiële beschouwingen over de rijksbegroting 1967

X C R Van Canipen erkentelijkheid Ie getuigen voor de steun die wij steeds in zijn adviezen hebben gevonden. In E.E.G.-verband maak ik mee.

X C R hoc sterk man zich daar geïnspireerd weet door de wijze lessen in de monetaire theorie van Nederlandse deskundigen.

X C R in het bijzonder ook van onze huidige president van de Nedcr landschc Bank. Te minder begrijpt men, dat wij de laatste jaren zelf deze lessen zo slecht in de praktijk hebben ge bracht. Voor ons is daarom dit duidelijke advies van de picsident van d j Neder'andsche Bank voldoende. Wij zullen voor de belastingvoorstellen van de Regering-Zijlstra stem men, omdat zij de inzs! kunnen vormen voor een definitieve beteugeling van het te ver doorgewoekerde kwaad van de geldontwaarding en omdat zij tevens de grondslag kunnen bieden voor een investeringsprogramma op middellange ter mijn ter verzekering van een voortgezette economische groei met minimale werkloosheid en een zo groot mogelijk even wicht tussen produktiepotentieel en nationale bestedingen.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Wij kunnen degenen, die uit vrees voor werkloosheid het belastingprogramma van het kabinet Zijlstra afwijzen, niet volgen. Enerzijds kunnen wij vast stellen, dat de groei van het particuliere verbruik in Neder land in de achter ons liggende periode met gemiddeld 6,2 pet.

X C R per jaar van alle gemeenschapslanden de grootste is.

X C R Enige vermindering in dit groeitempo van de particuliere be sted:ngen lijkt ons niet onverantwoord, indien daarin het middel zou zijn gelegen om de vastgelopen investeringsacti viteiten van de gemeenten en van het bedrijfsleven weer op gang te brengen. Met Italië heeft Nederland het twijfel achtige voorrecht, aan de kop te liggen met het stijgings percentage van de prijzen. Een matiging in de toeneming van de particuliere consumptie zal ongetwijfeld ook de prijs stijging tot meer aanvaardbare proporties kunnen terug brengen. Tegelijk krijgen wij dan "ook onder de knie het uit werkgelegenhcidsoogpunt steeds nijpender wordende probleem van de kostenstijging.

X C R De werkloosheid, die thans dreigt, is naar mijn wijze van zien vooral het gevolg van het gebrek aan financieringsmid de'en, waardoor de bedrijfsinvesteringen, de woningbouw en de gemeentelijke investeringen zijn komen te stagneren. Het fiscaal program, dal voor ons ligt, reikt juist op dit punt de helpend? hand. daar bij een ontspanning van de kapitaal markt voor alle genoemde categorieën de financieringspro blematiek wordt verlicht. Wij achten het dan ook noodzakelijk, dat eerst met globale maatregelen de invcsteringsfinanciering.

X C R met name via de kapitaalmarkt, weer op gang wordt ge bracht. Blijkt dit dan niet voldoende, dan zullen verder ge richte maatregelen in overweging moeten worden genomen.

X C R Wij kunnen het dus niet zo zien, dat het moet gaan om ofwel globale ofwel gerichte maatrege'en te nemen. Eerst moeten er globale maatregelen komen om de financiering weer op gang te krijgen en dan, zo nodig, komt het in overweging nemen van gerichte maatregelen, met name in de gebieden die zojuist door mijn fractievoorzitter zijn genoemd, aan de orde.

X C R Hopelijk is dan daarvoor intussen de nodige ruimte in het budget verkregen, want indien wij verdergaande ge richte maatregelen moeten nemen, ligt daarin natuurlijk nu nog een ernstig knelpunt. Ook daarvoor kan het belasting program dienen, dus voor het vinden van de nodige ruimte voor het nemen van eventuele gerichte maatregelen.

X C R Uit het betoog, dat ik heb gehouden, blijkt duidelijk — men kon het reeds afleiden uit het betoog van de voorganger op het spreekgestoelte —, dat wij zullen stemmen voor het belastingprogram van het kabinet Zijlstra, omdat wij ons niet willen overgeven aan de illusie, dat met een op de overheids investeringen geconcentreerde bestedingsbeperking, om nog maals met dr. Holtrop te spreken, het beoogde doel zal kun nen worden bereikt. Bezuinigingen zullen ook moeten worden toegepast: bezuinigingen zullen vooral moeten worden gezocht in de doelmatigheidssfeer, waartoe veelal wetswijzigingen noodzakelijk zullen zijn. Een goed voorbeeld daarvan is mijns inziens het fiscale plan, dat de voormalige staatssecretaris van Van Campcri e. a.

X C R Financiën, dr. Hoefnagels, onlangs heeft ontvouwd en waarvan wij met grote belangstelling hebben kennisgenomen. Wij zou den wc ïycn, dat bij nog eens de gelegenheid kreeg, deze gedach ten in daden om te zetten.

X C R Voorts zullen wij ook grote terughoudendheid moeten be trachten ten aanzien van allerlei inkomensoverdrachten. Mij dunkt, mijnheer de Voorzitter, dat bij de behandeling van de afzonderlijke begrotingshoofdstukken aan dit onderwerp ook dit jaar bijzondere aandacht zal kunnen worden besteed.

X C R Ook geloven wij niet, dat op korte termijn heil zal kunnen worden verwacht van een voldoende opvoering van de particu liere besparingen, zoa's in de spaarnota, die het groei- en struc tuurrapport van oud-ministcr Den Uyl vergezelde, werd ver ondersteld. Op korte termijn zal bij handhaving van een vol doende investeringsniveau het noodzakelijke evenwicht alleen kunnen worden bereikt en gehandhaafd door opvoeimg van de overheidsbesparingen. Uiteraard zal men daarbij bedacht moeten zijn op de invloed ervan op de interne financiering van de bedrijven, zulks met name wat betreft het midden- en klein bedrijf. Indien de financieringsmoeilijkheden daar blijven be st aan, zal men zich daarop, mede uit het oogpunt van de werk gelegenheid, ernstig dienen te beraden. Het komt mij voor, dat dan weer in overweging zullen moeten worden genomen even tueel fiscale investeringsfaciliteiten. Persoonlijk wil ik dan in de eerste p'aals denken aan het fiscale financieringsinstru ment van de vervroegde afschrijving. Ik meen, dat, inuren cic particuliere en de overheidsinvesteringen min of meer comple mentair kunnen worden beschouwd, wij dat ook moeten doen.

X C R wat betreft de financiering daarvan.

X C R Professor Glas heeft onlangs bij de aanvaarding van het ambt van gewoon hoogleraar in de leer der openbare financiën aan de rijksuniversiteit van Leiden nog eens de aandacht ge vestigd op de positieve mogelijkheden, die aan de overheid zijn toebedacht bij de hedendaagse inpassing van de openbare finan ciën in het geheel van sparen en investeren. Die positieve moge lijkheden zijn, aldus de hoogleraar, door de ervaring gebleken en hij vervolgt dan zijn betoog:

X C R ,,Het ware defaitistisch te verwachten, dat gelet op wat aan ervaring, inzicht en vak-technische kennis is verwor ven, de weg naar een harmonische groei ondanks de tegenwerkende krachten niet gevonden zou kunnen wor den.".

X C R Mijnheer de Voorzitter, onze fractie zal niet tot die tegen werkende krachten behoren. Wij willen met onze stem vóór de belastingvoorstellen, die volgende week in onze Kamer aan de crde zullen komen, bevorderen, dat de openbare financiën op een positieve wijze worden ingepast in het proces van sparen en investeren, waarin de groei- en welvaartsmogelijkheden voor de toekomst zijn verankerd.

X C R Berghuis (De heer) (ARP)

no member profile picture

X C R Mijnheer de Voorzitter! De geachte afgevaardigde de heer Bührmann heeft er reeds op gewezen, dal het lang heeft geduurd, voordat deze Kamer kennismaakte met het afgetreden kabinet-Cals. Ook wij stel len hel op prijs, dat onze Kamer nu zo spoedig kennismaakt met het kabinet-Zijlstra. Juist vanwege mijn dankbaarheid voor die snelle kennismaking, zal ik thans niet al te veel zeggen.

X C R Hedenmiddag heb ik herhaaldelijk — men kan het de laat ste tijd veel beluisteren — horen spreken over de Regering Zijlstra. de nieuwe regering, de volgende regering enz. Ik meen, dat daarbij sprake is van een onzorgvuldig spraakge bruik, waarop wij moeten letten. De Regering is de Neder landse Regering. De kabinetten wisselen, maar de Regering blijft, onder welk kabinet dan ook.

X C R Het is duidelijk, dat wij met het kabinet-Zijlstra geen alge mene beleidsdiscussie behoeven te houden voor een politiek op lange termijn. Dat zal, naar ik hoop, voor ons zijn wegge legd na het optreden van het kabinet na de verkiezingen, maar dit kabinet heeft een zeer korte overbruggingstaak, die erop is gericht de huidige financieel-economische situatie door te lich

X C R

X C R Zitting 1966-196 7 EERST E KAME R

X C R

X C R Algemene politieke en financiële beschouwingen over de rijksbegroting 1967 8ste vergadering - 20 december '66

X C R Berghuis ten. Zij heeft het gedaan en heeft maatregelen genomen ter versteviging van de financieel-economische basis, die daarmede ook een steviger en solider basis geeft voor een nieuw kabinet, niet belast met hypotheken zoals bij voorbeeld wanneer de gedachte van de belastingspaarbrievcn was doorgegaan, wel zou zijn gebeurd. Ik dacht, dat ook nu weer één ding duidelijk is geworden en dat de Nederlandse Regering deze les in de toekomst ook wel niet zal vergeten, namelijk dat men zelfs belastingverlagingen op termijn niet moet vastleggen, omdat zit in wezen een fout beleid is.

X C R Wij zullen uiteraard van onze kant niet in een herhaling treden van de discussie over de kabinetscrisis en wat er omheen zit, zoals in de Tweede Kamer heeft plaatsgevonden. Wel kan het juist tot de taak van deze Kamer behoren om wat meer op een afstand en wat meer beschouwend nog eens even een blik te werpen op wat er in de afgelopen bijna parlementaire periode is gebeurd. Wij herinneren ons de formatie in 1963, waaruit het kabinet-Marijnen te voorschijn is gekomen, een formatie op basis van een groot pakket van afspraken, waarbij alleen één belangrijk politiek punt buiten de afspraken was gehouden, namelijk de zaak van radio en televisie. Deze is twee jaar in de ijskast gezet. Het was ieder, die wat inzicht in deze materie had, duidelijk, dat de zogenaamde Pacificaticcommissie op geen enkele wijze een oplossing zou brengen. Het kabinet-Marijnen is dan ook op deze zaak gestrand.

X C R Ik betreur ook de eerste crisis in deze parlementaire periode, niet omdat de zaak op zichzelf geen crisis waard was. U weet, dat met name ook van onze kant is gezegd, dat wij de zaak van radio en televisie een kabinetscrisis waard vonden. Wat wij betreuren is, dat, toen deze zaak binnen het kabinet-Marijnen geen overeenstemming vond, de ministers, afkomstig uit de kring van de V.V.D., zich niet hebben neergelegd bij kennelijk de meerderheidsopvatting was van de oplossing van het radio- en telcvisievraagstuk, dat al jaren als een heet punt de politiek had vertroebeld. Het verheugt mij dan ook zeer, dat dit kabinet met spoed de verdere afdoening van het desbetreffende wetsontwerp ter hand heeft genomen en dat gisteren de memorie van antwoord is verschenen. Ik hoop, dat het nog binnen de regeerperiode van dit kabinet mogelijk zal zijn een eind te maken aan dit politieke strijdpunt. Ik hoop ook, dat andere partijen het niet blijven zien als een soort vuistpand bij een volgende kabinetsformatie. Ik geloof niet, dat dit juist zou zijn. Ik geloof, dat het ook niet zuiver zou zijn, en dat men daarmede de zaak ook niet dient, want dat zal zich toch op de een of andere wijze wreken.

X C R Wij hebben na de crisis van begin 1965 gekregen het optreden van het kabinet-Cals met wel een bindende afspraak over de radio en de televisie. Wij hebben het betreurd, dat toen de C.H.U. — de V.V.D. had zich al door het ontstaan van de crisis buiten spel gezet op dat ogenblik — geen bindende afspraken met betrekking tot deze zaak op zich wilde nemen. Toen is het kabinet-Cals opgetreden ook met nieuw? beleidselementen, waar wij ons achter hebben gesteld en waar wij nog achter staan. Het was voor het eerst sinds 1958, dat de P.v.d.A. weer aan de Regering deelnam. Dat die nieuwe elementen werden ingevoerd, is uiteraard ook mede bewerkstelligd door de P.v.d.A., maar ook omdat bij de andere partijen, bij de andere regeringspartners, de overtuiging leefde, dat er op bepaalde belangrijke terreinen achterstanden waren staan, die met spoed en met grote kracht moesten worden ingehaald.

X C R Wij hebben ons van het begin af aan achter dit kabinet gesteld en de huidige Minister-President weet beter dan wie ook. dat wij van het begin af aan hebben gezegd, dat wij achter zijn doelstellingen en achter zijn programma staan, maar: Denk erom Regering, hebben wij gezegd, het heeft alleen zin uw programma uit te voeren, wanneer het niet gaat ten koste van de gezondheid van staats- en volkshuishouding. Daarmede wordt geen enkel belang gediend, ook niet het vervullen van de doelstellingen van de Regering.

X C R Het kabinet-Cals is van het begin af te hoog te paard gezet en heeft zich in zekere zin ook wat te hoog te paard laten zet9 9 ten. Ik heb al meer gezegd, dat dit alleen kon tegenvallen. Het is dan ook tot in de uiterste consequenties tegengevallen. tot de val van het Kabinet. Desondanks betreuren wij deze val. Het ging natuurlijk om uitermate belangrijke zaken van financieel-economisch belang; zij waren aan de andere kant zo marginaal, dat men het in de boezem van het kabinet-Cals eens had moeten worden. Het had moeten worden voorkomen, dat voor de tweede keer binnen een parlementaire periode een kabinetscrisis ontstond. Ik meen dat uit algemeen staatkundig oogpunt bezien de tweeërlei crisis — de heer Vos heeft hierop ook gewezen — ernstig moet worden betreurd, omdat dit de kredietwaardigheid van de pai lemcntaire democratie niet verhoogt. Naar mijn mening is het de taak van de Staten-Generaal in het algemeen om ervoor te zorgen dat niet alleen de Regering wordt gecontroleerd, maar ook dat deze kredietwaardigheid in stand wordt gehouden. Het is bepaald een negatief aspect van de afgelopen parlementaire periode; dit heeft in de ogen van de burger het aanzien van onze parlementaire democratie bepaald geen goed gedaan.

X C R Het is nu eenmaal niet anders mogelijk dan dat het kabinetZijlstra in de gegeven omstandigheden in zeer belangrijke mate met financieel-economische aangelegenheden heeft te maken. Dit is de oorzaak, de reden van het optreden van het kabinet geworden. Wij moeten er, naar ik meen, wel op bedacht zijn, dat politiek niet uitsluitend een financieel-economische zaak is. Het is oen factor van de politiek. Wanneer wij de discussie door de omstandigheden moeten toespitsen op de financieeleconomische kant, moeten wij de andere grote taken, die wij voor ons zelf in ons eigen land en daarbuiten hebben, niet uit het oog verliezen. Hoe belangrijk een gezonde volks- en staatshuishouding ook is. het is ten slotte niet een doel in zich zelf. wat Het gaat erom hoe wij situaties kunnen scheppen en taken kunnen vervullen, waardoor wij en onze kinderen in de toekomst zo goed mogelijk kunnen leven in een nieuwe wereld, in vrijheid en in een rechtvaardige positie.

X C R Het is sedert vele jaren voor het eerst, dat wij als A.R.fractie een antirevolutionaire premier mogen begroeten en er is naar mijn mening nog nooit in de geschiedenis van de A.R.P. een kabinet geweest, waarin zo veel antirevolutionaire ministers en bewindslieden zitting hebben gehad. Uit partijpolitiek oogpunt zou dit een reden tot trots kunnen zijn. Ik kan u verzekeren, dat wij niet alleen een groot vertrouwen hebben in de figuren die uit onze kring in het kabinet zitting hebben genomen, maar wij hebben ook grote achting voor hen, in het bijzonder voor de premier. Desondanks zijn wij er niet gelukkig mee, dat deze situatie is ontstaan, en dat niet alles is geprobeerd om het kabinet, zoals dat in 1965 tot stand was gekomen, in stand te houden. Naar onze mening is niet van alle zijden al het mogelijke gedaan dit kabinet in stand te houden. In 1960/ 1961, in de woningbouwcrisis, is het ook geprobeerd en toen is het gelukt een dergelijk kabinet in stand te houden. In de formatiepoging van de heer Schmelzer is — wij hebben er wel begrip voor — niet getracht, in de slotfase van deze parlementaire periode, een kabinet op een geheel nieuwe politieke basis tot stand te brengen, maar ook is niet het uiterste gedaan om de drie partijen die in het kabinet-Cals waren vertegenwoordigd, bij elkander te houden. Wij betreuren dit. Het kan de formateur worden verweten. In de informatiepoging ont van de heer Beel is het terdege geprobeerd. Het spijt mij te moeten zeggen, dat het toen de P.v.d.A. is geweest, die het voortijdig heeft laten afweten. Na het congres van de P.v.d.A. op zaterdag 12 november kwam de heer Nederhorst plotseling voor de televisie met de mededeling, dat een reeds uitgeschreven fractievergadering op de daaropvolgende maandag niet zou doorgaan. Ik heb dit gezien als het zich voortijdig afmaken van een verantwoordelijkheid en het niet alles doen om het alsnog met elkaar eens te worden. Ten slotte had datgene, wat in de informatie-Beel en in de formatie-Zijlstra inhoudelijk als nadere voorstellen ter versteviging van de financiële basis naar voren is gebracht, ook door het ka'iinet-Cals kunnen geschieden, wanneer althans de hardnekkige geruchten waar zijn — zij zijn nooit tegengesproken —. dat Minister

X C R

X C R Zitting 1966-196 7 EERST E KAME R

X C R

X C R 10 0 8ste vergadering - 20 december '66 Algemene politieke en financiële beschouwingen over de rijksbegroting 1967

X C R Berghuis Vondeling reeds in augustus voorstellen van soortgelijke strek king binnen de boezem van het kabinet-Cals heeft gedaan.

X C R De heer Vos (P.v.d.A.): Met een andere dekking.

X C R Berghuis (De heer) (ARP)

no member profile picture

X C R Het was inhoudelijk hetzelfde.

X C R Vos (De heer) (PvdA)

no member profile picture

X C R Neen. Het was in totaal wel het zelfde, maar er was een andere totale dekking.

X C R Berghuis (De heer) (ARP)

no member profile picture

X C R Qua algemene strekking was dit hetzelfde. Wij kunnen daarop bij de replieken eventueel nader ingaan. Wij menen dat de P.v.d.A. het in dat stadium vroeg tijdig heeft laten afweten.

X C R Mijnheer de President! Ik merk op. deze vier jaren overzien de, dat ik over elke partij waarmede wij in verschillende com binaties een regering hebben gevormd, een kritische opmer king hebben gemaakt. Ik heb dit niet gedaan ten aanzien van mijn eigen partij. Het zou uiteraard te gek zijn, wanneer daarop ook geen kritiek werd geleverd. Ik wil daarom zeggen, dat wij vaak een toon van autoriteit aanslaan alsof wij met 31 in plaats van 13 leden in de Tweede Kamer zijn vertegenwoordigd. Het merkwaardige is. gelet op de samenstelling en de leiding van dit kabinet, dat ook anderen dit schijnen te denken. Dit ex cuseert ons dan enigszins.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Ten slotte zal ik over enkele onder delen van het regerings- en begrotingsbeleid enige korte op merkingen maken. N u de Tweede Kamer nog niet met de be handeling van de begrotingen is begonnen, heeft het geen zin hier het begrotingsbeeld als zodanig te beoordelen.

X C R Ik kom allereerst op het punt van de oliewinning. Ons stand punt te dezen is bekend. De heer Den Uyl heeft deze zaak in deze Kamer niet doctrinair willen behandelen. Wij willen dit ook niet doen. Toch is het een principiële kwestie. De heer Zijlstra heeft dit als lid van deze Kamer ook duidelijk naar voren gebracht. Wij wijzen niet onder alle omstandigheden staatsdeelneming in dergelijke winningsbcdrijven af. Het gaat hierbij om een principiële visie op de maatschappijstructuur.

X C R Het accent moet zeer duidelijk liggen bij het particuliere initia tief, bij de particuliere ondernemingslust, bij de private onder nemingsdurf. Dit is een durf, waarvoor de Staat niet ir, ge ëquipeerd. De particuliere ondernemingsdurf is een stuk al gemeen belang. Wij willen dit handhaven. Hierover kan men principieel van mening verschillen.

X C R Ik zou echter gaarne van de Minister-President vernemen of in de gegeven omstandigheden dit overbruggingskabinet met belrekking tot de exploitatie en de ontwikkeling van het continentaal plat beslissende stappen moet doen. Dit is een zeer ingrijpende zaak. Het is gebruikelijk dat een dergelijke belangrijke aangelegenheid door een ..normaal" kabinet wordt behandeld. Deze Regering is vanzelfsprekend compe tent om een dergelijke beslissing te nemen. Ik leg de Minister-President echter de vraag voor of deze zaak inderdaad zo urgent is. dat in deze weken daarover defini tieve besi'ssingen moeten vallen.

X C R De „Proeve van een nieuwe grondwet" is geen zorg van dit kabinet. Ik krijg de indruk dat dit boekwerk, dat met enig elan is gepubliceerd eigenlijk al weer bezig is in de vergetelheid te geraken. De Regering heeft zich mijns in ziens r.ooit iets voorgesteld van de procedure ten aanzien van dit stuk. Wanneer men zich verder serieus met de grond wetsherziening wil bezighouden ik zeg dit in feite tegen het volgende kabinet - dan mag dal geen zaak zijn van hoofd ambtenaren, hoe deskundig deze ook zijn, en staatsrecht geleerden. Dit moet primair een zaak van verantwoordelijke politici zijn. Wil men ernstig met dit werk verder gaan dan moet men een andere procedure volgen en geen studieob ject lanceren dat op een gegeven ogenblik toch niet meer de aandacht trekt.

X C R Door dit kabinet is medegedeeld dal de gemeenten van de door hem noodzakelijke geachte verruiming van de mid delen zullen profiteren. Dit is een belangrijk aspect van het aantrekken van de nieuwe middelen. Over het gehele Berghuis c. a.

X C R land, in sommige delen meer en in andere delen minder, is de uitvoering van veel werken geblokkeerd. Dit is ener zijds een gevolg van budgettaire en anderzijds en in veel grotere mate van moeilijkheden op de kapitaalmarkt.

X C R Kan het kabinet verzekeren dat, wanneer straks ruimere kapitaalmiddelen ter beschikking zijn, deze niet in de eerste plaats .uilen worden gebruikt voor consolidatie van vlotten de schuld maar tevens zullen worden aangewend voor het aanvatten van nieuwe werken? Alleen inde n dit laatste wordt gedaan, zal de vergroting van de werkgelegenheid en derhalve de bestrijding van de werkloosheid een van de goede kanten van de door dit kabinet voorgeschreven maatregel zijn.

X C R Wat betreft de buitenlandse politiek, herinner ik aan de besluiten die verleden week in de vergadering van de Minis terraad van de N.A.V.O. zijn genomen. Daarmee werd een begin gemaakt met het geven van inspraak in de kernwapen strategie aan andere landen dan de Verenigde Staten. Dit was een uitermate belangrijke eerste stap.

X C R Deze zaak is reeds geruime tijd in discussie geweest. De M.L.F, en de Britse A.N.F, zijn daarvan concrete voorbeelden. Wij heb ben ons nooit op een concrete vorm vastgelegd. Wel hebben wij erop gewezen dat het noodzakelijk is, dal Europa inspraak heeft in de atlantische kernwapenstrategie. Wij stelden ons daarbij echter afwijzend op tegenover een zelfstandig Euro pees kernwapen. Het is van veel gewicht dat verleden week op deze weg belangrijke stappen zijn gezet.

X C R In het drijf zand van de Europese en de atlantische politiek zijn vaste punten broodnodig.

X C R Mijnheer de Voorzitter! De gedachte van het eigen risi co bij ziektekostenverzekering willen wij ondersteunen. Het tientje voor de ziekenhuisvei pleging is van de baan. Ik be grijp, dat hot kabinet, juist op het punt van de sociale maat regelen en sociale wetgeving, graag vaart op het kompas van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, de heer Veldkamp; in deze zaken is hij ook vaak een uitstekend kompas gebleken en heeft hij ook goede havens bereikt.

X C R Kennelijk is het kompas toen echter magnetisch gestoord geweest en heeft het ergens de zaak in de war gebracht.

X C R Nogmaals, wij ondersteunen de gedachte van het eigen risico bij een ziektekostenverzekering. Als gunstig voorbeeld tegenover de ziektekostenverzekering van de rijksambte naren wil ik noemen het goede voorbeeld van de interge meentelijke en interprovinciale regelingen op dit gebied.

X C R Ik meen, dat hier eigen risico's van geringe omvang ten laste van de betrokkenen worden gelegd, die, normaal gespro ken, voor ieder zijn te dragen en die naar mijn ervaring gunstig werken voor het gehele beeld van de ziektekosten verzekering.

X C R De vergadering wordt te 17.40 uur geschorst en te 20.00 uur hervat.

X C R van Riel (De heer) (VVD)

no member profile picture

X C R Mijnheer de President! Aange zien enkele van de geachte afgevaardigden, die aan mij zijn voorafgegaan, enige woorden van nagedachtenis aan het kabinet-Cals-Vondeling hebben gewijd, zou ik menen in be leefdheid tekort te schieten, wanneer ik niet in hun voetspo ren trad, al moet ik wel zeggen, dat mijn gevoelsmatige bin dingen met deze groepering minder sterk waren dan die van de heer Van Lieshout. Ik heb van het begin af aan voorspeld, dat het kabinet-Cals-,Vondeling geen bestand zou hebben. Ik heb dit denkbeeld in de Eerste Kamer ontwikkeld en deed zulks ogenblikkelijk na het optreden van dit kabinet en wel om motieven, gelegen in de interne constructie van de Neder landse politiek, waarovci' ik het straks zal hebben, en boven dien om redenen, gelegen in de door mij overigens hoogge achte persoonlijkheid van de heer Cals. Ik wil er niet anders over zeggen dan dat ik meen. dat dit kabinet in beginsel met de gedachte om een beleid op lange termijn te ontwikkelen, waarin de collectieve voorzieningen een zeer belangrijk aan

X C R

X C R Zitting 1966-196 7 EERST E KAME R

X C R

X C R Algemene politieke en financiële beschouwingen over de rijksbegroting 1967 8ste vergadering - 20 december '66 101

X C R Van Riel deel krijgen, op de juiste weg was, maar dat het inderdaad is gestuit op het punt, dat er in feite over de resultaten, die men bereiken wil, in Nederland tot op zekere hoogte wel een communis opinio bestaat, maar dat er over de vraag, waar de offers gebracht zullen moeten worden, in wezen geen enkele communis opinio bestaat. Dat is een intrinsiek zwak, dat aan combinaties van dit type eigen is. Het is dus geenszins een kwestie van verwijten maken. Ook mijn bezwaren tegen de persoon van de heer Cals als premier lagen bepaald niet in het vlak van de kritiek, maar in het vlak van bepaalde waarderingen van gedragsmogelijkheden in de Nederlandse situatie en dat is nu eenmaal de situatie, waarmee wij te maken hebben.

X C R Dit kabinet treedt mijn fractie tegemoet zonder veel positi ve verwachtingen, maar ook zonder negatieve aspiraties. Wij zijn de heren dankbaar, dat zij de zaken van Hare Majesteit en het land gedurende enkele maanden op stellig bekwame wijze zullen willen waarnemen. Wat ons leed doet, is, dat een richting wijzend beleid juist van deze groep onder leiding van de heer Zijlstra helaas niet mogelijk is, omdat daartoe de politieke grondslag het maken van een begin, dat, als verkiezingsuitslag van 15 februari 1967 dit zou toelaten, zou worden voortgezet, ontbreekt.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Ik blijf dit betreuren, omdat het Nederlandse volk nu van deze groep niet het volle profijt zal trekken — dit gekit zovve' voor dit ogenblik a's in de toekomst — en omdat het Nederlandse volk niet weet waarvoor het kiest, waardoor de mogelijkheid wordt geopend dat wij wederom complicaties zullen krijgen, zoals wij ook in de afgelopen jaren hebben gehad. Overigens zal het Nederlandse volk ook dit wel weer aanvaarden. In Nederland zijn tradities bijzonder sterk en ik verwacht dan ook geen moment, dat de confessionele partijen op dit ogenblik zullen verdwijnen. Het onbehagen, dat leeft bij de massa van de bevolking, zoals uit allerlei verschijnselen blijkt, krijgt een nieuwe stimulans. Dit is ook al door één van de andere heren opgemerkt. Het zou mij bijzonder spijten, a's de betere po'ïtieke constellatie in Nederland, die wij op een bepaald ogenblik wel zullen krijgen, zou worden afgedwongen door het opkomen van een nieuwe groep met een vage politieke signatuur onder leiding van een bekwaam demagoog. Dat is een risico, dat in Nederland altijd aanwezig is, en waarvoor de schuld in hoge mate en duidelijk bij de Katholieke Volkspartij en de A.R.P. ligt, voorzover men bij collectiviteiten van schuld kan spreken; het woord schuld is hiervoor veel te geladen. Het is veel meer een kwestie van een bepaalde aansprakelijkheid, die op zichzelf weer een resultaat van een zekere historische ontwikkeling is.

X C R Oppositioneel gezind, zoals wij dat in het Nederlandse model tegenover het kabinet-Cals moesten zijn, zijn wij tegenover deze Regering natuurlijk helemaal niet.

X C R Er is echter wel een ander punt. Ik citeer de tegenwoordige Minister-President, toen hij op 21 september 1965 in deze Kamer verklaarde (Handelingen, pagina 5 van dat jaar) in verband met de Mijnwet Continentaal Plat, die ook al ter tafel was:

X C R ,,De politieke en zakelijke aspecten van het onderhavige wetsontwerp afwegend, zal mijn fractie ten slotte haar stem a;:n dit wetsontwerp ni.t onthouden.".

X C R Wanneer de zaken zo zouden zijn, dat onze zakelijke bezwaren tegen bepaalde voorstellen van dit kabinet zo groot zouden zijn als die van de heer Zijlstra waren tegen het ontwerp Continentaal Plat, dan zullen politieke overwegingen ons vermoedelijk geen aanleiding geven, dit kabinet te steunen. Ik zeg „vermoedelijk", door ervaring wijs geworden.

X C R Dat geschiedt allerminst uit dépit, maar omdat naar onze mening een juiste functionering van het parlementaire stelsel naar de Nederlandse trant vereiste, dat er met kracht naar was gestreefd een combinatie K.V.P.— A.R.P.— C.H.U.— V.V.D. tot stand te brengen. Dat is niet gebeurd en dat is ieders goed recht. Ook dat is een vrijheid van keuze, maar de consequentie daarvan is, dat wij tot generlei politieke steun aan dit kabinet verplicht zijn, niet anders dan tot grote zakelijke welwillendheid. Dit brengt mij dan, gelijk de heer Van Lieshout vóór mij, tot wat men wat eigenaardig noemt ,,de nacht van Schmelzer".

X C R De nacht van Staal, mijnheer de Voorzitter, ligt zo ver in het verleden. De nacht van Schmelzer in het moderne getransponeerd; ik weet niet, wat ik ervan denken moet.

X C R Weer dringt zich op de herinnering aan twee zaken, ver uiteen'iggen !. Kennisneming van wat de dag- en weekbladen schreven, van wat leidende confessionele politici hebben gezegd en niet gezegd, wees mij in de richting van Proust's „A la recherche du temps perdu". Ieder leefde blijkbaar in een eigen wereld, die de wereld van anderen slechts zijdelings raakte, er als het ware slechts symbolen mee gemeen had. In die nacht interpreteerde een ieder eens anders woorden naar de associaties, die zij bij hemzelf opwekten. Tussen de subjectief zonder twijfel als significant en waar bedoelde uiteenzettingen van de heren Schmelzer en Roolvink over hun bedoelingen in die fascinerende nachtelijke uren en de indruk, die hun woorden toen en latei op de P.v.d.A. en ook wel op anderen maakten, is geen commune mesure. Voor een echte historische analyse is het nog te vroeg en de plaats, die men daarin zal kiezen, bepaalt mede de toekomst en voor mij is zwijgen hier daarom goud. Wel moet ik zeggen, dat de normale menselijke reactie van de heer Nederhorst, wanneer ik op zijn plaats had gezeten, de mijne zou zijn geweest. Ik deel met hem het onvermogen om woord en daad los te zien van de psychologische, vooral massa-psychologische situatie, waarin het wordt gebruikt. Maar dat doet aan de waarheidsliefde van degenen, die op dit punt een groter abstraheringsvermogen hebben dan de heren Nederhorst en ik, volstrekt nieis af.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Wij hebben van de heer Van Lieshout een type beschouwing vernomen, dat, meen ik. voor iedereen ac;eptabel is. Het kan ook anders, helaas.

X C R In hoge mate te waarderen was in de heer Schmelzer in ieder geval, dat hij zijn fractie en partij aan spanningen durfde blootstellen, omdat hij de soliditeit van de financiering voor ons staatkundige bestel bedreigd achtte.

X C R Een tweede herinnering, die het gebeurde in die nacht opriep, waren bepaalde modulaties in het woord- en stemgebruik van de heer Nederhorst. Plotseling klonk er iets in van hetzelfde politieke trompetgeschal, dat ik indertijd waarnam over de radio, ook weer ergens tussen Steenwijk en Balkbrug, in de stem van dr. Drees. toen zijn laatste kabinet huiswaarts werd gezonden. In een dergelijke situatie richt de echte politicus zich op eens niet meer tot de Voorzitter, maar tot het land. Dit is ook wel goed, want het is een stuk echte emotionele democratie. Dan, mijnheer de Voorzitter, blijvend in de geest van Proust, rijst de vraag: Albertinc prisionnière, waarmede ik bedoel: Is de aanwezigheid van de K.V.P. in ieder kabinet dringend nodig, ja zelfs onvermijdelijk? Is zij de gevangene van Nederland, of Nederland van haar'? Ik vrees van wel, of, om mij neutraler uit te drukken, ik denk van wel. Haar vaagheid is haar kracht. De P.v.d.A. heeft nu ernstige bezwaren tegen die vaagheid, maar het is aan de andere kant de ni,?t te scherpe omlijning en h ;t relatief beïnvloedbare van het handelen van deze partij, dat haar voor de P.v.d.A. als bondgenoot aannemelijk maakt. Uit het oogpunt van de P.v.d.A. gezien, blijft samenwerking met de K.V.P. in haar tegenwoordige vorm in zekere zin een noodoplossing, maar betere waar is niet aan de markt en van Albertinc disparue is nog geen sprake.

X C R Wie zich, zoals ik. met de P.v.d.A. in hoge mate tot planning op lange termijn voor Nederland aangetrokken voelt, lijkt nochtans een onoverkomelijke barrière om tot samenwerking te komen de fiscale positie der middengroepen, mede in verband met de ondernemingsstructuur en de vraag van de wenselijkheid van de werking van het marktmechanisme in bijna alle sectoren van het maatschappelijk leven. Delen van de aanhang van de confessionele partijen denken hierover niet anders dan de V.V.D., maar het niet altijd even rechtlijnige

X C R

X C R Zitting 1966-1967 EERSTE KAMER

X C R

X C R 10 2 8ste vergadering - 20 december '66 Algemene politieke en financiële beschouwingen over de rijksbegroting 1967

X C R Van Riel standpunt, dat hun fracties terecht of ten onrechte in de ogen van anderen innemen, maakt samenwerking met hen voor de socialistische groep in de samenleving wel veel gemakkelijker.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Socialisten en liberalen spreken op velerlei gebied verschillende taal. In het gebruik van de Neder landse taal als zodanig naderen zij elkaar wel weer sterk en dat is een pj'ni, dat ook wel eens enige aandacht verdient.

X C R Wat in ieder geval in Nederland nodig is, is een vaste lijn.

X C R Anders rollen wij van de ene inflatoire situatie in de andere.

X C R De heer Zijlstra is straks niet meer beschikbaar om als een tweede Doktor Eisenbart op te treden en althans tot verbete ring van de psychologische sfeer bij te dragen.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Wie wat ouder wordt, herinnert zich nog uit zijn kinderjaren de figuur van de aan huis ontboden hoogleraar in de medicijnen. Deze geleerde heeft vermoede lijk niet zoveel patiënten het leven gered, maar hij gaf èn de zieke èn vooral de familie het gevoel, dat het uiterste was beproefd. Er was indertijd in Nederland een beroemd internist, wiens commentaar tegenover de behandelende huisarts veelal luidde: Dis boer gaat dood, maar jij hebt tenminste je best gedaan. Vervolgens stapte hij dan in zijn rijtuig, dat hem naar Amsterdam terugbracht, naar het Binnengasthuis, dat naast de Nederlandschc Bank ligt!

X C R Mijnheer de Voorzitter! Toen wij in deze Kamer voor de eerste maal het genoegen hadden, met de heer Vondeling van gedachten te wisselen, heb ik mij veroorloofd hem te wijzen op het grote belang, in verband met de bestrijding van de in flatie, van een krachtige opstelling naar buiten, mede in het woordgebruik. Dit irriteerde de heer Vondeling tot mijn leed wezen. Hij zag er een aanslag op het kabinet-Cals in. De heer Zijlstra is, geloof ik, minder snel geïrriteerd en heeft aanslagen ook minder te vrezen. Tot hem zou ik het volgende willen zeggen: Is het nu wel verstandig, bij voortduring de gevaren ener deflatoire politiek op dit ogenblik te beklemtonen en b.v.

X C R van fatale deflatoire stappen te spreken? Ik denk aan de Nood handelingen van de Tweede Kamer van 15 december 1966, blz. 448, links. Ik betwist de gevaren van de deflatie niet, maar de druk gaat op het ogenblik de andere kant uit en daar mee zou ik ook in de woordkeuze willen rekenen.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Ik kom nu tot mijn hoofdpunt, dat eigenlijk in rechtstreeks verband staat tot het beleid of tot de uiteenzettingen over het beleid van de tegenwoordige Minister van Financiën in zijn kwaliteit als zodanig. Geen politiek dus.

X C R Het is mij bekend, dat wat zich bij inflatie afspeelt mathematisch moet worden voorgesteld als een zeer ingewikkeld systeem van in de tijd in betekenis verschuivende, elkaar beïnvloedende, on derling samenhangende variabelen. Maar dat verbiedt niet om volgens het oude systeem van een bepaalde statische suppositie uit te redeneren, wanneer men dit als zodanig uit drukkelijk stelt en daarbij begrijpt dat de positie in kwestie zich in de actualiteit nooit volstrekt nauwkeurig zo voordoet.

X C R Gesteld dan. mijnheer de Voorzitter, dat wij ons in een evenwichtssituatie ten opzichte van het buitenland bevinden, dat van die kant uit geen inflatie wordt binnengebracht en dat de Regering zelf monetair indifferent financiert. Dan treedt naar mijn gevoelen in de Nederlandse werkelijkheid een constant inflatoire druk op door de nimmer te verzadi gen investoringsbehoefte der lagere publiekrechtelijke orga nen, speciaal de gemeenten. In de eerste plaats immers kun nen zij aan kasgeld komen en opdrachten geven aan onder nemers, die met bankkrediet kunnen worden gefinancierd.

X C R Gemeenten zijn de facto altijd goed voor hun geld en wie altijd goed voor zijn geld is. is potentieel een geldscheppen de instantie.

X C R In de tweede plaats zijn zij in vele opzichten degenen, die algemeen gepropageerde en aanvaarde nationale doelstellingen op velerlei gebied moeten verwezenlijken. Van verwijten maken is geen sprake, maar het feit, dat aan de ene kant bij de bevolking verwachtingen worden gewekt en behoef ten gekweekt — vo'komen terecht —.

X C R die moeten wor den gerealiseerd door instanties, die niet voor de nationale economie verantwoordelijk zijn, maar wel krediet hebben, is op het ogenblik naar mijn gevoelen de crux van de situatie.

X C R Een diep ingrijpende wijziging van de staatkundige structuur is nodig alleen al uit monetair oogpunt. Een streng deflatoir beleid op dit punt is voorlopig nog op zijn plaats om de onder nemers duidelijk te maken, dat geen nieuwe inflatoire injec ties in de loop van 1967 hen in staat zullen stellen via de bekende verlopen in verband met geldontwaarding aan hun arbeiders loonsverhogingen te beloven, die zij in een mone taire evenwichtssituatie niet waar zouden kunnen maken.

X C R Voorts — een ander punt dus —, of hetgeen de Minister tot 1 juli uit het uitstel van de belastingverlagingen extra denkt te incasseren nationaal economisch als besparing zal kunnen worden gezien, hangt van tal van factoren af. De Minister zinspeelt zelf al op het achterblijven van andere belasting opbrengsten. Over het monetaire effect van het uitstel van de belastingverlaging weten wij veel te weinig, wat het eerste ha!fjaar aangaat op z'n minst.

X C R Men betaalt ten dele uit het lopende inkomen in het tweede halfjaar en bespaart dan geforceerd het equivalent van wat men in het eerste halfjaar te veel uitgaf.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Een krachtige deflatoire poli tiek op het gebied van de overheidsfinanciering is in elk ge val door het schrikeffect veel effectiever dan een uitstel van de belastingverlaging. Bovendien kan in het tweede half jaar van 1967 een zekere ontsparing plaatsvinden als antici patie op de in 1968 doorwerkende belastingverlaging. De he'e economische ontwikkeling — dat weet prof.

X C R Zijlstra betei nog dan ik — is nu eenmaal een continu proces in de tijd, waarbij onvoorzienbare verschuivingen in de omvang van het kas aanhouden door particulieren, wat dus met de omloopsnelheid ten sterkste samenhangt en er in zekere zin een andere omschrijving voor is. een te grote rol spelen om dit uitstel van belastingverlaging motiveerbaar te maken.

X C R Hier gebeurt een stukje sociaal onrecht, ook tegenover de kleino middengroepen, op grond van toch wat wankele we tenschappelijke redeneringen.

X C R De heer Van Campen heeft het nog een ogenblik gehad over het inkomensbeleid.

X C R In dat verband moge ik herinneren aan de gevoelige woorden, die de heer Van Campen in deze Kamer sprak op 29 maart 1966.

X C R „Van groter belang achten wij echter nog eens naar voren te brengen de zedelijke grondslag van deze belasting verlaging, waarop onlangs ook nog eens is geattendeerd door oud-staatssecretaris Van den Berge. Hij stelde dat van hogere nominale inkomsten en winsten, die in feite een geringere koopkracht vertegenwoordigen, door de werking van de progressie steeds meer belasting wordt betaald. Hij stelde voorts vast dat daardoor een herver deling van de belastingdruk tot stand komt zonder dat de wetgever daaraan te pas komt. Het staat voor ons vast dat deze herverdeling tot een reactie van de wetgever moet leiden. Dit is ons aller verantwoordelijkheid. Uiteraard is daarmede het laatste woord nog niet gezegd noch over het niveau van de staatsuitgaven noch over de financiering daarvan. Wij kunnen begrijpen dat bij de sterke econo mische groei, die wij voor het komende jaar en wellicht ook nog voor komende jaren mogen verwachten, een ver dere stijging van de overheidsuitgaven welhaast onont koombaar zal z'n . Dit ontslaat ons evenwel niet van de noodzaak van een nauwgezette afweging van prioriteiten en zonodig — ik zeide het reeds —, van een temporise ring van de uitvoering.".

X C R Het is voor mij duister, waarom, als een groot deel van de partijen die dit kabinet steunen zo overtuigd zijn dat het hier om een kwestie met zedelijke grondslagen gaat, men niet de temporisering van de uitvoering gekozen heeft boven het uit stel van de belastingverlaging. Een uitstel, waarvan ik reeds heb gezegd, dat het mij twijfelachtig lijkt of het de werking zal

X C R

X C R Zitting 1966-1967 EERSTE KAMER

X C R

X C R Algemene politieke en finaneiële beschouwingen over de rijksbegroting 1967 8ste vergadering - 20 december '66 1

X C R Van Riel hebben, die professor Zijlstra op zich zelf gemotiveerd veronderstelt dat het kan hebben.

X C R Ik meen dat men zich van het probleem van het verminderen van de uitgaven toch wel wat korzelig afmaakt. Ik begrijp wel, dat het helemaal niet eenvoudig is in die paar maanden een paar honderd miljoen te bezuinigen. Dat kan niet, zegt Minister Zijlstra, hetgeen ook wel zo zal zijn. Ik ben blij, dat ik er niet voor sta. Ik meen te hebben begrepen, dat de heren Cals en Vondeling de mogelijkheid althans in principe wel zagen. De heer Vondeling heeft meen ik gezegd: Ik ben er ook wel eens voor gezet om op korte termijn aanzienlijke bedragen op een begroting uit te sparen. Bedoelde hij iets anders?

X C R Zijlstra (minister)

no member profile picture

X C R 70 min.

X C R van Riel (De heer) (VVD)

no member profile picture

X C R O, het ging dus om veel lagere bedragen. Desondanks blijft over, dat men deze zaak van zich afwijst met een bepaalde emotionaliteit. Er wordt aldoor — niet door de Minister-President, hetgeen ik helemaal niet stel. Die is niet gebonden aan het beleid van het vorige kabinet, hij heeft deze identificatiedrang niet en is veel te verstandig om zich met nutteloze identificatiedrang te belasten — door verschillende bewindslieden uit het vorige kabinet gedaan alsof het bezuinigen — het is een ouderwets woord, laat ik spreken over vermindering van uitgaven — iets is wat men met een zekere gretigheid van zich afwijst. Ik begrijp dat niet, wanneer het om een keuze gaat, waarbij althans een kant van de zaak sterk moreel geaccentueerd is.

X C R Ik wil nog even op het monetaire doorgaan. Wil men in de situatie van dit ogenblik één factor op toelaatbare wijze isoleren, dan ligt naar mijn gevoel op dit ogenblik — niet twee jaar geleden — de oorzaak in de overheidswoningbouw annex de daarbij behorende infrastructuur. De problemen Rotterdam en Bijlmermeer. Bij een wezenlijk goede infrastructuur en een wezenlijk goede woningkwaliteit kan een goede volkswoning op het ogenblik gemakkelijk reëel tussen de f 40 000 en f 50 000 kosten in de grote steden in het westen. Dit betekent economisch gezien een huur tussen f 4000 en f 5000 per jaar. Dit kan geen arbeider en ook geen bescheiden middengroeper betalen. Het middel van de grondprijsdifferentiatie, voor een deel diefstal van de middengroepen, een extra heffing zonder wettelijke basis, wordt langzamerhand gelukkig ineffectief. Bouwen in het westen betekent daarom snel oplopende budgettaire tekorten, die, wanneer elders in de maatschappij geen grote extra besparingen plaatsvinden, in de Nederlandse praktijk en in de Nederlandse politieke verhoudingen vrijwel permanent er in stijgende mate inflatoir zullen worden gefinancierd. Het Rijk is daaraan schuldig, ook al heeft het zijn eigen financiën keurig in papieren evenwicht. De oplossing kan alleen hierin liggen, dat het rijk voldoende deflatoire tegenstoom geeft bij zijn eigen projecten en dat vrijwel constant, of wel alternatieve systemen van infrastructuurprogrammering ontwikkelt, die bij een bepaald investerings- en besparingsniveau passen en daarom bij een bepaald politiek beleid. Onvriendelijk gezegd, is de inflatie in de omvang van het laatste jaar een prijs, die wordt betaald voor de aanwezigheid van partijen, die wel voor een programma a la Cals voelen, maar zich niet durven uitlaten over de vraag, wat de maatschappelijke consequenties van de financiering van dit programma zullen zijn. De inflatie zal onze politieke machine blijven smeren zolang wij niet echt durven kiezen. Hiervan kan ook de technische kennis en de politieke behendigheid van prof. Zijlstra ons niet afhelpen, op zijn minst niet zolang de A.R.P. hem niet als leider aanvaardt of zolang hij dat leiderschap van zich wijst.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Ik acht het niet zinvol, sprekende over het beleid van een overgangskabinet, gewaardeerde noodhulp voor drie maanden, algemene beschouwingen over de buitenlandse politiek te geven. Wel wil ik zeggen, dat mijn fractie grote waardering heeft voor het initiatief, dat de heer Bot op het gebied van de coördinatie van de hulp aan de onderontwikkelde gebieden heeft genomen. Van Riel e. a.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Ik maak mij uiterst ongerust over de toekomst, als wij inderdaad een actieve conjunctuurpolitiek moeten gaan voeren. Over enige tijd is onze positie verzwakt. Het gehele Keynesiaanse systeem berust er tenslotte op, dat men in de maatschappij braakliggende krachten op een ogenblik via monetaire wegen produktief maakt en aan het werk zet. Waar wij op het ogenblik voor staan, is dat wij in een maatschappij, waar psychologisch een voortdurende drang tot overbelasting aanwezig is, op een ongelukkig ogenblik maatregelen zullen nemen om een deflatie te bestrijden, die in feite nog maar een begin is van het gezondmakingsproces. Dat is mijn vrees, ook al weer omdat coalitiekabinetten van dit type en van het type van het kabinet-CalsVondeling, en misschien van elk type, nooit zullen durven kiezen tussen een systematiek van gezond geld, een systematiek van bescherming van de spaarder en het vragen van onprettige offers van welke groep van de bevolking dan ook. Daar zit uiteindelijk de kern van het gehele probleem in, mijnheer de Voorzitter. Ik ben van mening — ik word daarin bevestigd door wat zich feitelijk in Nederland heeft afgespeeld —, dat de inflatie inderdaad onmisbaar is, als onmisbaar wordt aanvaard, om zekere structuursystemen van compromissen in stand te houden. Laten wij dit dan ook zeggen en laten wij ons schamen, mijnheer de Voorzitter, want het is in wezen het faillissement van ons partijsysteem.

X C R Albeda (De heer) (ARP)

no member profile picture

X C R Mijnheer de Voorzitter! Met iets meer dan de gebruikelijk schroom neem ik hier voor de eerste keer het woord. „Met iets meer dan de gebruikelijke schroom", omdat ik hierbij in de voetstappen ga treden van mijn voorganger in de fractie die het financiële beleid behandelde, namelijk de huidige Minister-President. Ik zal niet trachten mijn beloog van dezelfde kwaliteit maar wel van dezelfde intentie te doen zijn, in deze zin, dat ik mij loyaal, doch kritisch zal opstellen ten opzichte van een bevriend kabinet. Ik heb met mijn fractievoorzitter afgesproken, dat ik alleen zal spreken over de financiële situatie.

X C R Het uitgangspunt van het kabinet is, dat er een inflatoire situatie is die zo spoedig mogelijk moet worden beëindigd, omdat anders, zoals in de regeringsverklaring zo fraai is gesteld, ons land vroeger of later zou worden geplaatst voor een van de ernstigste dilemma's, waarvoor de economie van een land kan worden geplaatst, namelijk de keus tussen betalingsbalansevenwicht en werkgelegenheid. Het moment waarop die keuze moet worden gedaan, is nog niet aangebroken; het komt echter wel naderbij. De vraag rijst, onder welke omstandigheden dat moment wel is aangebroken. Naar mijn gevoel is dat het geval, wanneer loon- en kostenpeil van een land tengevolge van een proces van inflatie dermate zijn gestegen, dat het land niet meer kan concurreren op de wereldmarkt. Als voorbeeld wordt Engeland wel eens genoemd. Bij vaste wisselkoersen is dan slechts bij onvolledige werkgelegenheid een sluitende betalingsbalans bereikbaar. Het is bijzonder moeilijk, vast te stellen in hoeverre Nederland al is voortgeschreden op de weg naar zo'n situatie. Het rapport van de S.È.R. over de mogelijkheden tot bestrijding der inflatie spreekt van een opvallende parallelliteit van de ontwikkeling der loonkosten, gerekend in nationale valuta, tussen Nederland en de andere "landen van de E.E.G. in de periode 1960—1965. Nederland liep, in dollars gerekend, iets uit op andere landen tengevolge van de devaluatie van de Franse franc in 1957 en 1958 en de revaluatie van de Nederlandse gulden in 1961. De jaren 1963 tot 1966 lonen een duidelijk uitlopen van Nederlands loonpeil. Dat kan men duidelijk zien in het 9de halfjaarlijkse economische rapport van de S.E.R. Nederland liep zowel uit ten opzichte van de E.E.G.-landen als, zelfs in iets sterkere mate. ten opzichte van andere landen. Sinds 1963 is er dan ook willens en wetens naar gestreefd, te komen tot een aanpassing van ons lagere loonpeil aan dat van de E.E.G.

X C R Ik wijs in dit verband op de grafiek nr. 2.1 in het S.E.R.advies over de inflatiebestrijding. Deze grafiek biedt een mis

X C R

X C R Zitting 1966-1967 EERSTE KAMER

X C R

X C R 104 8ste vergadering - 20 december '66 Algemene politieke en financiële beschouwingen over de rijksbegroting 1967

X C R Albedu troostige aanblik voor iemand die zich uitdrukkelijk met de loonaanpassing heeft beziggehouden. In deze grafiek is de relatie tussen loonkostenstijging en spanning op de arbeidsmarkt uitgezet. Dan blijkt dat alle inspanning van 1963 er slechts toe heeft geleid, dat een loonstijging is ontstaan, die ongeveer klopt met de loonstijging, die was te verwachten met een dergelijke spanning op de arbeidsmarkt. De gehele periode, zegt het S.E.R.rapport, is gekenmerkt door een zeer sterke demand pull inflation. Mede aan de hand van de reeds eerder genoemde grafiek zou men kunnen zeggen: Man glaubt zu schieben, aber man wird geschoben. Ik wil hieruit de volgende conclusie trekken. De lonen zijn, ondanks de loonpolitiek, die in Nederland is gevoerd, veel meer afhankelijk variabel dan wij lange tijd hebben aangenomen. Ik geloof, dat vooral in het huidige stadium van de loonpolitiek de lonen, opwaarts door de druk van de arbeidsmarkt, neerwaarts door de ruimte in en boven de c.a.o.'s, in sterke mate elastisch zijn geworden. Hoe is nu de situatie van de conjunctuur op dit moment? Wij hebben op dit moment, naar mijn mening vooral tengevolge van de conjuncturele ontwikkeling in het buitenland, die leidde tot een groeiende prijsgevoeligheid van onze export, een tekort op de betalingsbalans. Dat tekort heeft in sterke mate een geldverminderend effect, hetgeen leidt tot liquiditeitsmoeilijkheden in de bedrijven. Wij zien dan ook op vrij grote schaal en in een tempo, dat ons doet schrikken, bedrijfssluitingen, waarbij het opvalt, dat deze in vele gevallen gerechtvaardigd en verklaard vanuit structurele factoren: de ontwikkeling van de E.E.G., concentratietendensen en technologische ontwikkeling. Ook zien wij het uitwieden van de zwakke bedrijven, gevallen van wanbeheer, enz. Dat proces heeft geleid tot een groeiende werkloosheid. Inmiddels hebben wij de cijfers van november; het totaal is nog steeds 1,8 pet., d.w.z. evenwicht op de arbeidsmarkt. Drenthe heeft al een werkloosheid van 5,5 pet., met een dreiging, dat dit in een snel tempo zal oplopen. Ook Groningen. Friesland en Zeeland hebben al onaanvaardbare percentages werkloosheid. Er moet met name worden gewezen op het hoge percentage — meer dan 5 — van de bouwvakarbeiders, die werkloos zijn. De pressie van de monetaire schroef van de liquiditeitsmoeilijkheden heeft als een zoeklicht plotseling structurele zwakheden laten zien in onze economie, waarbij vooral is gebleken, dat de werkgelegenheid in onze noordelijke provincies alleen maar volledig is in geval van overspanning van de werkgelegenheid in het gehele land. Op dit punt zou ik bescheiden willen wijzen op het rapport van het Christelijk Nationaal Vakverbond over de situatie in het noorden van het land, dat veel actueler bleek te zijn dan de opstellers ooit hadden gedacht. Wij bevinden ons — en daarmede spreek ik langzamerhand een gemeenplaats uit — in een situatie van aarzelende conjunctuur. Deze situatie is gekenmerkt door een zeer hoge rentestand en door kapitaalschaarste. waarvoor vele redenen zijn aan te voeren, o.a. de grote investeringen van de gemeenten, de grote bedrijfsinvesteringen en de grote investeringen in verband met het aardgas.

X C R Prof. Witteveen heeft gezegd in een artikel van „Elsevier" van 10 december, dat zich op dit moment in Nederland een klassieke overinvesteringscrisis ontwikkelt, met name in de overheidssector. Zijn remedie voor deze overinvesteringscrisis is: Saneer de kapitaalmarkt, maar denk erom, dat de middelen, die ter beschikking komen, niet worden gebruikt om werkloosheid te bestrijden, want werkloosheidsbestrijding in een dergelijke situatie zou neerkomen op een zinloze vestzak-broekzak-operatie. Het lijkt mij, dat deze typering — en vooral de voorgestelde remedie — gevaarlijk is. De conjunctuur is niet een nationaal, maar een internationaal fenomeen. Ik dacht, dat het voor economen verstandiger was zich aan te sluiten bij de taal van een andere econoom, namelijk prof. Schouten, die heeft gezegd: ..Het meest fundamentele kenmerk van de economie op dit moment is de onzekerheid.".

X C R Men zou kunnen stellen, dat de laatste acht jaar de totale vraag van particuliere en overheidsconsumptie plus die van buitenlandse afnemers plus die van particuliere en overheidsinvesteringen tezamen altijd net iets groter is geweest dan de totale produktie. Het is dus niet zo eenvoudig één schuldige aan te wijzen voor de inflatie, die wij de laatste jaren hebben meegemaakt.

X C R In de regeringsverklaring wordt naar mijn gevoel terecht gesteld, dat de overbesteding, die wij meemaken, niet alleen door de monetaire rem moet worden tegengegaan, maar ook door budgettair optreden. Daardoor kan de kapitaalnood van de gemeenten worden opgelost en de liquiditeitspositie van de bedrijven verminderen. Het regeringsprogramma van 1967 heeft dan ook twee kenmerken: in de eerste plaats de overbesteding tot slaan te brengen, in de tweede plaats de kapitaalmarkt te saneren.

X C R De diagnose overbesteding lijkt mij thans juist. De vraag rijst, of dat ook geldt van de remedie. Daarbij moet worden opgemerkt, dat het program zal moeten fungeren in het jaar 1967. Wat is nu te zeggen van de ontwikkeling in het jaar 1967? Ik heb reeds gezegd, dat er een fundamentele onzekerheid is. Toch meen ik, dat er reden is, aan te nemen, dat zeer sterke krachten de overbesteding zullen gaan beperken. Er zijn in de eerste plaats de consumptieve uitgaven van de Nederlandse bevolking. Reeds thans nemen de consumptieve uitgaven slechts weinig meer toe. Ik geef maar een paar cijfers. In de periode van juli—september 1965 was de reële comsumptie per hoofd in Nederland gestegen met 5,2 pet. ten opzichte van dezelfde periode van het voorgaande jaar. In dezelfde periode van 1966 bleek, dat de stijging ten opzichte van 1965 maar 2,1 pet. per hoofd per jaar was geweest. Neemt men echter de duurzame consumptiegoederen, en juist deze zijn in bijzondere mate conjunctuurgevoelig, dan blijkt, dat de stijging in de periode 1965 op 1966 vrijwel nihil was. Inmiddels nam uiteraard de totale Nederlandse produktie toe. Onze export nam niet sterk toe. Het gevolg is: afzetproblemen in vele bedrijven, met name in bedrijven, die duurzame consumptiegoederen fabriceren, met het gevolg, dat men dagelijks kan zien in de kranten: reclame-acties, inruilpremies e.d. Het is naar mijn mening aan te nemen, dat deze ontwikkeling zal voortgaan in 1967. De verwachte loonstijging van 1967 wordt vrijwel geheel afgeroomd door prijsstijgingen en premieverhogingen, met uiteraard gevolgen voor de inkomens van degenen, die moeten leven van detailhandel en ambacht. Daarbij wilde ik er met name nog op wijzen, dat de elasticiteit van ons loonpeil veel groter is dan in de tijd, dat de loonpolitiek nog algemeen geloofwaardig was. In geval van zelfs maar een geringe werkloosheid zal blijken, dat het peil van het loon, dat wordt uitbetaald in de bedrijven, belangrijk lager kan liggen dan het voorheen was. Er zit boven en in de collectieve arbeidsovereenkomsten vandaag aan de dag ten gevolge van zwart-loonvorming een grote ruimte.

X C R Van de particuliere consumptie kom ik op de particuliere investeringen. Het negende halfjaarlijkse rapport van de S.E.R. verwacht een daling in absolute zin van de investeringen in vaste activa in 1967. Het lijkt bovendien voor de hand te liggen, dat de bedrijven in 1967 een voorzichtig voorraadbeleid zullen gaan volgen. Tot nog toe was het in Nederland aldus, dat, wanneer de binnenlandse bestedingen, consumptie plus investeringen afnamen, dit gat direct werd opgevangen door een stijging van de uitvoer. De vraag rijst, of dit effect zich ook dit jaar zal voordoen. Inderdaad is er de laatste twee maanden een lichte verbetering van onze betalingsbalanspositie te constateren, met name van de handelsbalans, maar dit kan naar mijn gevoel gemakkelijk van toevallige aard zijn. Er wordt hierbij op schepen en vliegtuigen gewezen. De geachte afgevaardigd de heer Vos ziet een voortschrijdende en constante verbetering in de toekomst. Ik ben hier niet zeker van: ik heb hierover mijn twijfels. Naar mijn gevoel doet noch de ontwikkeling in Duitsland, noch die in België, noch die in Groot-Brittannië of in de Verenigde Staten een sterke stijging van onze uitvoer verwachten. Weliswaar zal er dit jaar wellicht geen mond- en klauwzeer zijn en is er ongetwijfeld een zekere stimulans te verwachten van de export van aardgas,

X C R

X C R Zitting 1966-1967 EERSTE KAMER

X C R

X C R Algemene politieke en financiële beschouwingen over de rijksbegroting 1967 8ste vergadering - 20 december '66

X C R Albeda maar een voorzichtige raming van de uitvoer lijkt mij toch bijzonder verstandig. Wanneer ik ten slotte de overheidsinvesteringen bezie, dan moet ik vaststellen dat ook hier een zekere achteruitgang in de sfeer van de gemeenten, de woningbouw en de wegenbouw vrijwel onvermijdelijk lijkt. De conclusie is naar mijn mening niet moeilijk: sterk deflatoire krachten zullen in 1967 gaan werken. Een mogelijk gevolg hiervan kan zijn, dat een betrekkelijk geringe stijging van de invoer vergezeld gaat van een ook weer betrekkelijk geringe stijging van de uitvoer, met als gevolg, dat er een betalingsbalansevenwicht bij een bepaalde mate van werkloosheid ontstaat. Naar mijn mening is het goed om tegen deze achtergrond het instrumentarium, dat de regeringsverklaring voorstelt, te bezien. Het netto-effect van de voorgestelde belastingmaatregelen is uiteraard deflatoir. Dit is vandaag aan de dag juist. De vraag rijst echter, hoe dit zal zijn in 1967. Het is daarom van grote betekenis, dat de Regering inderdaad manoeuvreerruimte krijgt. De verlaging van de directe belastingen kan eerder plaats vinden; de verhoging van de omzetbelasting kan later worden ingevoerd. De Regering krijgt hierdoor zeer belangrijke volmachten en naar onze mening vraagt zij die, gezien de situatie waarin wij thans verkeren, terecht. Ik wil in dit verband toch gaarne een paar vragen stellen. Deze vragen komen eigenlijk neer op één punt. namelijk wat de criteria van deze Regering zullen zijn. In de eerste plaats voor een eventueel eerdere belastingverlaging; dat wil zeggen: voor een algemene belastingverruiming; in de tweede plaats voor een gerichte werkgelegenheidspolitiek; dit moet uiteraard een andere zijn dan het lapmiddel van de aanvullende werken; in de derde plaats wanneer weer gebruik zal worden gemaakt van de mogelijkheid om investeringsaftrek toe te passen. Ik meen, dat van het antwoord op die vragen het standpunt van de Kamer jnoet afhangen. Wat hierover tot nu toe is medegedeeld — in de verschillende stukken en in de Tweede Kamer — is nog niet geheel duidelijk. Ik vind het ook persoonlijk niet geheel bevredigend. Ik lees b.v. op bladzijde 7 van de regeringsverklaring over een wezenlijke werkgelegenheidspolitiek binnen de grenzen, die de verslechterde betalingsbalanspositie stelt. In de nota naar aanleiding van het verslag over het uitstel van de verlaging van de inkomstenbelasting en van de loonbelasting staat op blz. 2:

X C R „Of verruiming van de bestedingen over een breed vlak aanvaardbaar is, hangt onder meer af van de ontwikkeling van de betalingsbalans, de lonen en de prijzen, de werkloosheid en de gemeentelijke financiën.".

X C R Moet hieruit worden afgeleid, dat de Regering ook bij een sterke ontwikkeling van de werkloosheid — die lijkt mij met name voor het noorden van het land voor de hand te liggen — op het standpunt staat, dat gekozen moet worden tussen betalingsbalansevenwicht en werkgelegenheid en dat dan in laatste instantie de keuze zal worden bepaald door het eerste? Ik meen, dat het antwoord op deze vraag van beslissende betekenis moet zijn voor de kwestie, of men bereid is de Regering het sterke instrumentarium in handen te geven, waaraan zij — nogmaals — behoefte heeft in een situatie van aarzeling der conjunctuur.

X C R Ten slotte nog een enkele opmerking over de verhoging der omzetbelasting. Ik moet zeggen, dat ik persoonlijk sterke aarzeling gevoel ten aanzien van het aanvaarden van de mogelijkheid van die vervroegde invoering der omzetbelastingverhoging. Ik heb daarvoor drie redenen. In de eerste plaats denk ik aan de gevolgen van de verhoging der omzetbelasting op het loonfront. Het lijkt mij een illusie om te menen, dat de Regering op dit moment het loonpolitieke instrument werkelijk in handen heeft. In de tweede plaats weet op dit moment niemand, aan welke regering men dit instrument van die vervroeging van de verhoging in handen geeft. In de derde plaats leidt een verhoging van de omzetbelasting in geval van een overspanning tot een extra impuls voor prijsstijging en in geval van werkloosheid tot een extra vermindering van de bestedingen, als de lonen toch al dalen ten gevolge van de werkloosheid.

X C R van der Spek (De heer) (PSP)

no member profile picture

X C R Mijnheer de Voorzitter! Het kabinet-Cals is gevallen door aanneming van de motie-Schmelzer in de Tweede Kamer, kennelijk ten behoeve van de opvolging van dat kabinet door een rechtser kabinet, een verandering die wij uiteraard op zich zelf gezien betreuren. Daaraan wil ik gaarne de opmerking toevoegen, dat de kritiek op de wijze van optreden van de heer Schmelzer ons ten dele zeer overtrokken lijkt. Ik geloof, dat het duidelijk moet zijn, dat elke fractie te allen tijde het recht moet hebben, zich kritisch op te stellen ten opzichte van de Regering, ook wanneer partijgenoten daarvan deel uitmaken.

X C R Dit brengt mij op een algemeen probleem, waarover ik wel graag de mening van de Minister-President zou willen horen. Bij de regeringsvorming in Nederland is het min of meer de gewoonte geworden, dat tussen de fracties afspraken worden gemaakt, die zo ver gaan dat het compromis, dat daarbij tot stand komt, zich uitstrekt tot zaken die slechts aanvaardbaar zijn voor een deel der partijen die aan de Regering deelnemen. Met de consequentie dat degenen voor wie deze zaken niet aanvaardbaar zijn, beloven om toch voor te stemmen, wanneer de desbetreffende wetsontwerpen aan de orde komen. Zij stemmen dus voor zaken, waar zij eigenlijk tegen zijn, in ruil voor de omgekeerde houding van andere regeringsfracties. Nu geloof ik, dat dit punt één van de vertroebelende factoren in de Nederlandse politiek is en dat de moeilijkheid, die daaruit voortvloeit, nl. dat men achteraf tegenover zijn eigen politieke achterban toch heel moeilijk zijn houding kan uitleggen en rechtvaardigen, een van de ongetwijfeld vele oorzaken is van de impasse, waarin de Nederlandse politiek op dit ogenblik voor een deel verkeert.

X C R Nu meen ik, dat het wat de belangrijke punten betreft helemaal niet nodig is, dat afspraken worden gemaakt die zo ver gaan, dat men belooft te zullen stemmen voor dingen, waar men eigenlijk tegen is. In het algemeen zal nl. tóch een meerderheid voor het desbetreffende voorstel aanwezig zijn in de Kamers, al zou één van de regeringsfracties tegen stemmen. De oppositie zal dan nl. zeker gedeeltelijk voor stemmen. Ik zou bijna zeggen: Anders had men bij het overleg over de regeringvorming niet eens met een dergelijk controversieel punt durven aankomen. Men zou dus kunnen regeren met wisselende meerderheden en dat zou m.i. betekenen, dat Regering en parlement duidelijker hun eigen gescheiden verantwoordelijkheden behouden.

X C R Ik meen. mijnheer de Voorzitter — en daarom heb ik gevraagd, of de Minister-President hierover zijn mening wil geven — dat dit aansluit bij een opmerking die hij onlangs maakte in de Tweede Kamer, nl. toen hij stelde dat parlementair relevant is, veel meer dan de kwestie, uit welke partijen een kabinet bestaat, de vraag, of de Regering meerderheden in de Kamer voor haar beslissingen weet te krijgen. Dat sloeg niet op dit punt, maar ik geloof wel dat de samenhang voor hem niet zal zijn te ontkennen.

X C R Hoe het ook zij, mijnheer de Voorzitter, de consequentie van de gang van zaken is, dat wij voorlopig met dit overgangskabinet hebben te maken, hoewel het naar onze mening niet nodig was geweest, omdat het kabinet-Cals zelf de Kamer had kunnen en volgens ons ook had moeten ontbinden, namelijk vanuit zijn onmiskenbare visie, dat de samenstelling van de Tweede Kamer niet meer in overeenstemming was met de volkswil. Ik geloof, dat deze weigering geen bewijs van staatsmanschap is. Er lagen immers toch zo veel waardevolle initiatieven klaar, zowel in de vorm van wetsontwerpen, als in de vorm van een algemene maatregel van bestuur?

X C R Wat betreft de formatie wil ik gaarne één punt in het midden brengen, dat ook in de Tweede Kamer in discussie is geweest, namelijk het feit. dat het in de regeringsverklaring door de Minister-President (men kan het lezen op blz. 297 van de Handelingen van de Tweede Kamer) als volgt is geformuleerd:

X C R ,,Ik heb ten slotte ook nagegaan, of uit christelijk-historische kring Ministers in het kabinet zouden kunnen worden opgenomen, maar zulks is, vooral mede gelet op de voortschrijdende tijd, niet mogelijk gebleken.".

X C R

X C R Zitting 1966-1967 EERSTE KAMER

X C R

X C R 106 8stc vergadering - 20 december '66 Algemene politieke en financiële beschouwingen over de rijksbegroting 1967

X C R Van der Spek Ondanks het antwoord, dat Minister-President Zijlstra in de Tweede Kamer heeft gegeven naar aanleiding van opmerkingen van de zijde van de Kamer over dit punt, is het ons inziens nog altijd een duistere zaak gebleven. Het wijst of op een ietwat merkwaardige houding van de zijde van formateur Zijlstra, of op een dergelijke houding van de zijde van de C.H.U.

X C R Ik wil nog een detailpunt aansnijden, dat met de formatie samenhangt. Een dezer dagen is bekend geworden, dat de Regering heeft besloten om — ik formuleer het maar aldus — voor afge/ette premiers een woonhuis in den Haag a raison van f 275 000 te kopen.

X C R De heer Witte, Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening: Het is f 225 000.

X C R van der Spek (De heer) (PSP)

no member profile picture

X C R Mijnheer de Voorzitter: Ik citeer uit het ,.Haarlems Dagblad", maar ik wil gaarne de correctie van de Minister, die uiteraard zeer goed op de hoogte is, aanvaarden. Het gaat dus om f 225 000. Ik heb er alle begrip voor, dat het Catshuis een woning is, die in bepaalde situaties snel moet kunnen worden ontruimd, maar ik vraag mij werkelijk af, of dit de juiste weg is. Ik meen namelijk, dat er andere wegen zijn om de problematiek van de huisvesting van een voormalig Minister-President op te lossen.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Il: meen, dat wij ten aanzien van de politiek van dit kabinet niet al te wijdlopig moeten zijn. Het is maar een overgangskabinet. Ik bedoel hiermede alleen, dat het een kabinet is, dat maar kort zit en dat ten aanzien van vele zaken geen beleidsbeslissingen zal nemen. Het is natuurlijk toch een kabinet, dat ten aanzien van belangrijke punten beslissingen heeft genomen of heeft te nemen. De maatschappij draait door, regeringscrisis of niet, overgangskabinet of niet. Vandaar dus, dat wij menen enkele min of meer losse punten aan de orde te moeten stellen.

X C R Zonder nu in extenso onze pacifistisch-socialistische visie aan de orde te stellen — bij vorige gelegenheden heb ik dit reeds, zo niet in extenso, dan toch wel met een zekere uitgebreidheid gedaan —, wil ik thans toch enkele korte lijnen aangeven, misschien herhalen.

X C R Men kan zeggen, dat wij het probleem van de mondigheid van de staatsburger centraal stellen, anders gezegd: het probleem van de democratie; het probleem van het werkelijk invloed kunnen uitoefenen op de grote, een ieder persoonlijk rakende vragen van leven en dood, van rijkdom en armoede. Ons standpunt in dezen is — ik adstrueer het thans niet —, dat het pacifistisch-socialisme een voorwaarde is — ik wijs op de bescheiden formulering — voor de oplossing van enkele problemen:

X C R Ie. de opheffing van de tegenstelling tussen arm en rijk op wereldniveau. Anders gezegd: Van de wereldklassestrijd, die naar onze mening nog veel te weinig wordt onderkend:

X C R 2e. het bereiken van een duurzame wereldvrede; 3e. de opheffing van de tegenstelling tussen arm en rijk op nationaal niveau; 4e. het bereiken van een leefbaar milieu in dit dichtbevolkte land.

X C R Thans eerst enkele opmerkingen op het gebied van de buitenlandse politiek. Ik meen, dat de Regering daarover geen werkelijk andere mening heeft dan de vorige Regering. Met name in dezen geldt, dat de ontwikkelingen zo snel kunnen gaan, dat ook een overgangsregering belangrijke daden moet kunnen stellen en ook stelt, al is het alleen maar in het negatieve, doordat de Regering iets nalaat te doen. Ook met name op dit gebied geldt, dat de stem van de individuele mens dikwijls die van een roepende in de woestijn blijkt te zijn, terwijl intussen door enkelen wordt beslist over vragen van oorlog en vrede, van leven en dood voor miljoenen.

X C R Concreet wil ik stellen: De recente ontwikkelingen in Vietnam, met name de escalatie van Amerikaanse zijde, die bestaat uit het bombarderen van woonwijken van Hanoi, wordt door ons natuurlijk scherp afgekeurd. Het is een ontwikkeling, die bovendien bepaald strijdig is met de conventies van Genève. Volgens „Het Vrije Volk" van vanmorgen is men in Washington zeer geschokt door de scherpe kritiek, die op deze verheviging van de bombardementen is uitgeoefend. Mijn vraag is: Heeft onze Regering ook bijgedragen aan deze kritiek, respectievelijk zal zij het alsnog doen? In het algemeen inzake Vietnam: Is deze Regering bereid, ook al is zij maar kort aan het bewind, enig initiatief te ontplooien ten aanzien van de kwestie-Vietnam? Wij handhaven uiteraard onverkort ons standpunt. Ik wijs erop, dat de aanneming van de motie-Nederhorst in de Tweede Kamer de houding van alle fracties daar duidelijk heeft vastgelegd, wat goed is in verband met de aanstaande verkiezingen.

X C R Een tweede punt van buitenlandse politiek, waarover ik iets meer wil zeggen, is de kwestie van de vestiging vandeN.A.V.O.basis in Nederland, waardoor naar onze mening de binding van Nederland aan de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie sterker is geworden, waardoor uittreden nog moeilijk wordt en waardoor de functie, die Nederland als vredesfactor en als bemiddelaar tussen de blokken zou kunnen vervullen, bijkans onmogelijk wordt. Waardoor bovendien Nederland nog meer schietschijf wordt dan het al was, toen de kernwapens hier buiten kennis van parlement en volk werden opgeslagen. Ik geloof, dat de verwerping van de motie-Lankhorst in de Tweede Kamer ook weer duidelijk heeft gemaakt, hoe de politieke partijen in Nederland zich ten aanzien van dit punt opstellen. Wij hopen, dat de kiezers zich op 15 februari ook dit zullen herinneren.

X C R Ik herhaal enkele van onze standpunten, die, dacht ik, bekend zijn, maar ik wil niet nalaten ze te noemen: Wij menen, dat Nederland uit de N.A.T.O. behoort te treden; wij wensen geen enkele inspraak van de Bundesrepublik op het punt van de kernwapens; wij spreken ons uit voor erkenning de jure van de D.D.R. en voor erkenning van de Oder-Neisse grens, voor toelating van China in de Verenigde Naties en de Veiligheidsraad, waarbij wij de opmerking willen maken, dat toelating van Taiwan als gewoon lid daarmede bepaald kan worden gecombineerd.

X C R Ten aanzien van ons pacifistische standpunt, ons ontwapeningsstandpunt behoef ik ook niet uitvoerig te zijn, maar ik wil er enkele zijdelingse opmerkingen bij maken. Wij blijven uiteraard van mening, dat de 3 mld., die wij nu in Nederland per jaar voor de bewapening uitgeven, weggegooid geld is. welk geld bijzonder nuttig zou kunnen worden besteed voor andere doeleinden. Ik denk hierbij aan de collectieve voorzieningen, die in dit bijzonder dicht bevolkte land — daarbij verwijs ik terug naar een punt, dat ik eerder noemde — op een bijzonder hoog niveau zullen moeten komen, wil dit land leefbaar blijven.

X C R Ik noem ten eerste: het punt van de sociale voorzieningen, waarvan ik één voorbeeld noem, namelijk dat van de gezondheidszorg. Het oorspronkelijke zeer ongelukkige voorstel van het eigen risico voor ziekenfondsleden a raison van f 10 per dag tot een maximum van f 300 per jaar bij ziekenhuisopname — naar onze mening ook een a-sociaal voorstel — is gelukkig teruggenomen. Tot mijn verbazing heeft de geachte afgevaardigde de heer Berghuis vanmiddag gezegd, dat hij op het gebied van de sociale verzekeringen wel voelt voor een zeker eigen risico, terwijl hij aan de andere kant toch stelt, dat zijn partij een sociaal linkse partij is.

X C R In plaats van dit eigen risico komt de premieverhoging, een verbetering, maar niet een werkelijk radicale verbetering. Ik zou daarbij willen zeggen, dat de ervaringen op het ogenblik zo zijn, dat de tarieven voor de ziekenhuisverpleging tot een onzinnige hoogte zijn gestegen, terwijl daarbij de kwaliteit van de verpleging bepaald achteruitholt. Ik zou de Regering willen vragen, of zij enig initiatief zou kunnen ontwikkelen ten aanzien van doorlichting van deze calculaties van de kant van het ziekenhuiswezen.

X C R De oplossing van de problematiek ligt naar onze mening uiteraard — daarmede zijn wij niet eens zo erg progressief — in een nationale gezondheidsdienst.

X C R

X C R Zitting 1966-1967 EERSTE KAMER

X C R

X C R Algemene politieke en financiële beschouwingen over de rijksbegroting 1967 8ste vergadering - 20 december '66

X C R Van der Spek De tweede sociale voorziening, die in Nederland enorme bedragen op korte termijn vraagt, is de woningbouw; de derde, die van het verkeer, met name het openbaar vervoer; de vierde, de bestrijding van de verontreiniging van het milieu; de vijfde, die van het onderwijs.

X C R Bij het laatste wil ik een detailvoorbeekl noemen. Ik denk aan het studietoelagenbeleid, dat onder de Regering-Cals ook al niet florissant was. Ik wil daarbij opmerken, dat het juist in een land als Nederland bijzonder belangrijk is om een optimaal gebruik te maken van het aanwezige intellect. Het verbaast mij, dat de heer Vondeling dezer dagen — ik heb zijn eigen weergave vanochtend in een ingezonden stuk in „de Volkskrant" gelezen — de stelling heeft gelanceerd, dat een studieloon een a-sociale zaak zou zijn, omdat bij voorbeeld iemand, die op jeugdige leeftijd een bedrijfje wil beginnen, dan toch ook een bedrag van 5 x f4000, dus f 20 000 zou moeten kunnen krijgen als beginkapitaal. Dit is ten eerste merkwaardig voor een zich noemende socialist en het is ook merkwaardig als men stelt, dat het jarenlang serieus werken van mensen met als resultaat, dat hun intellect ten bate van de gemeenschap wordt aangewend, zeker kan worden gelijkgesteld met andere arbeid.

X C R Nog één opmerking over defensie. Zelfs voor hen die de bewapening noodzakelijk — een noodzakelijk kwaad, zeggen zij dan meestal — achten, meen ik dat het zo langzamerhand toch wel een voor de hand liggend standpunt kon zijn om de handhaving van de oorlogsmarine, zeker in de huidige omvang, als nutteloos te zien. Ik vraag mij af, welke nationalistische gedachten, herinneringen misschien aan een roemrucht nationaal maritiem verleden, hierbij eigenlijk een rol spelen. Deze vraag wordt bijna zekerheid, wanneer ik zie, dat op de agenda van de Tweede Kamer, gedateerd 15 december van dit jaar, een agenda voor de vergaderingen van 20, 21 en 22 december, onder punt 23 is opgevoerd de begroting van defensie voor het dienstjaar 1967.

X C R Ten aanzien van de binnenlandse politiek wil ik weer iets zeggen over het punt van de mondigheid van de staatsburger, met name in verband met de vrijheid van meningsuiting en demonstratie. Mijn vraag is, of dit kabinet en met name deze Minister van Justitie de rechtsstaat beter zal trachten te handhaven dan diens voorganger heeft gedaan de laatste tijd. Ik zou daarbij de opmerking willen maken, dat herhaaldelijk bij strafzaken een beroep op de mensenrechten wordt gedaan en dat de rechterlijke macht zeer aarzelt om de desbetreffende bepalingen uit het verdrag van Rome werkelijk ruiterlijk toe passen. Is er daarom van de kant van de Regering geen aanleiding om een passende wettelijke voorziening te treffen, waardoor geen twijfel meer kan bestaan aan de geldigheid en de draagwijdte van de bepalingen van het verdrag van Rome in het Nederlandse recht? Met name dus het prevaleren van deze bepalingen boven zowel nationaal als provinciaal als plaatselijk recht.

X C R Een recent voorbeeld in dit verband. Terwijl de gehele wereld u'eet, dat in Vietnam oorlogsmisdrijven worden gepleegd en in Amerika de minderheid, die zeer verontrust is, aan de President het doen plegen van oorlogsmisdrijven rustig kan en mag verwijten, wordt dezelfde verontruste burger hier vervolgd wegens belediging van een bevriend staatshoofd. Eergisteren werd in Amsterdam een jongeman van zijn bed gelicht; hij wordt nu gevangen gehouden, omdat hij bij een demonstratie tegen de oor'og in Vietnam had gelopen met een bord, waarop stond: „Johnson oorlogsmisdadiger", dus op verdenking van een misdrijf, waarop maximaal vier jaar gevangenisstraf staat.

X C R Ts de tijd niet gekomen om de begrippen „openbare orde" en „orde op de openbare weg" nader te preciseren, zodat zij niet kunnen worden misbruikt voor de beknotting van de persoonlijke vrijheid, zoals dat met name naar onze mening in Nederland de 'aatste tijd gebruik is geworden?

X C R Op het gebied van de sociaal-economische politiek is voor ons het plan om ook in 1967 te streven — de heer Albeda heeft zojuist gezegd dat hij het een illusie meende te moeten noemen — naar een beperking van de loonsverhogingen, waaraan niet wordt gekoppeld enige beperking op het gebied van winsten en dividenden, onaanvaardbaar. Ik meen dat in deze situatie ons standpunt moet zijn dat voor een vrije loonvorming. Wanneer het wel komt tot algemene loonronden, willen wij met klem ons standpunt herhalen, dat wij al eerder hebben gelanceerd, dat wij degressieve loonsverhogingen in plaats van procentuele prefereren. Hoe het ook zij, dit moet in ieder geval gepaard gaan aan een stringent prijsbeleid, waarvan ik dan weer de opmerking wil maken, dat het wel een illusie zal blijken te zijn. Ik wil een voorbeeld noemen. De Minister-President heeft in de regeringsverklaring (Handelingen, Tweede Kamer, blz. 299) gezegd, dat de Regering ook voor de overheidssector een strikt prijsbeleid zal hanteren. Wij hebben zojuist de door ons zeer gesteunde uitspraak van de Consumentenbond gehad over de PTT-tarieven, waarvan de verhoging tot in het onzinnige doorgaat.

X C R Wij zijn in dit verband vóór uitstel van de huurverhoging. Eén vraagpunt in verband met het probleem van de overspanning van de conjunctuur. Ik meen dat men zou kunnen stellen, dat de bewegingen in de conjuctuur meer plaatshebben door fluctuaties op het gebied van de produktie van kapitaalgoederen en veel minder door fluctuaties op het gebied van de produktie van consumptiegoederen. Als voorbeeld hiervan wil ik noemen de bouwnijverheid; de woningproduktie is vrij constant, daartegenover is de bouw van fabrieken, kantoren, bruggen enz. tamelijk fluctuerend. Wanneer men daarvan uitgaat en denkt aan een bestrijding van de overspanning van de conjunctuur, zou men moeten concluderen, dat ter vermindering van de overmatige investeringen van de kant van het particuliere bedrijfsleven de pot, waaruit de investeringen komen en die wordt gevormd door de winsten van het bedrijfsleven, zou moeten worden beperkt.

X C R Dit zou men kunnen bereiken door loonsverhogingen, die gepaard gaan met prijsbeheersing. De vraag is dus of loonsverhogingen in een bepaalde situatie niet een middel kunnen zijn voor de bestrijding van de overspanning van de conjunctuur.

X C R Ten aanzien van de actuele zaak van de sluiting van bedrijven, wil ik duidelijk stellen, dat, waar deze economisch gezien geen functie meer vervullen, wij uiteraard begrip hebben voor de sluiting ervan. Hieraan voeg ik toe dat de chaos van onze ondernemingsgewijze produktie, van ons kapitalisme, vooral duidelijk blijkt, wanneer bedrijven, die noodzakelijke produkten vervaardigen, toch gesloten worden, zoals het geval is geweest bij de Vasco-mij. Ook hierbij komt het punt van de mondigheid van de mens weer naar voren. De werknemer is de dupe. Hij zou zelf moeten meebeslissen over de gang van zaken in zijn bedrijf. Ik denk hierbij aan de mogelijkheid van werktijdverkorting in plaats van massa-ontslag.

X C R De ontwikkeling gaat onmiskenbaar in de richting van de ontspanning op de arbeidsmarkt: dit betekent, iets reëler geformuleerd, vergroting van de werkloosheid. Deze ontwikkeling wijzen wij uiteraard als een gevaarlijke af. De Regering spreekt van een beperking van de stijging van het aantal ambtenaren. Ik meen, dat wij ook hier moeten signaleren, dat dit zonder twijfel zal gaan ten koste van de dienstverlening.

X C R Ten s'otte over deze problematiek één vraag. Welke algemene maatregel van bestuur zal er ten aanzien van de oliewinning op het continentaal plat uit de bus komen? Waarschijnlijk zal het er een zijn, waarin procentueel minder baten voor de gemeenschap zitten. Maar. hoe belangrijk dit ook is, voor ons is het kernpunt de socialisatie van de exploitatie van de bodemschatten. Wat dit betreft bestaat er geen principieel verschil tussen de opvattingen van ex-Minister Den Uyl en de huidige Minister Bakker. Beiden staan op het standpunt van de kapitalistische exploitatie.

X C R De Regering komt met een dekkingsplan en laat. althans voorlopig en in hoofdzaak, de uitgavenkant van de rijksbegroting onveranderd. Tegenover de ontwikkeling — zij vindt voortdurend plaats en wordt voortdurend bepleit — van de ver

X C R

X C R ü Zitting 1966-1967 EERSTE KAMER

X C R

X C R 108 8ste vergadering - 20 december "66 Algemene politieke en financiële beschouwingen over de rijksbegroting 1967

X C R Van der Spek e. a.

X C R schuiving van de belastingen van de directe naar de indirecte sfeer, hebben wij bij herhaling ons standpunt gegeven. Wij vinden dit ccn a-sociale ontwikkeling en wijzen haar af. Wij zijn dus tegen verhoging van de omzetbelasting, ook als deze pas op 1 januari 1968 zou ingaan, en dus zeker tegen het huidige wetsontwerp, dat de datum wil vervroegen. Met de geachte afgevaardigde de heer Vos zou ik in dit verband willen vragen hoe de Minister-President denkt over de mogelijkheid, dat deze Kamer de beraadslagingen over dit wetsontwerp niet zo snel doet plaatsvinden als die over de andere fiscale wetsontwerpen, wat mogelijk is in verband met de latere datum van ingang.

X C R Tegen dezelfde achtergrond stellen wij ons op tegen de verhoging van de accijns op benzine en g:isolic, omdat deze doorwerkt op de kosten van levensonderhoud. Wij zijn voor de verlenging van de tijdelijke verhoging van de vennootschapsbelasting en tegen de wijziging van de Wet op het Rijkswegenfonds. Wat de loon- en inkomstenbelasting betreft, wij zijn voor de mogelijkheid van verlaging van de belasting voor ongehuwden.

X C R Dan blijft over het wetsontwerp tot uitstel van de ingangsdatum van de verlaging van de loon- en inkomstenbelasting, tweede tranche. Indertijd hebben wij tegen de verlaging als zodanig gestemd. Men zou dus kunnen denken, dat wij nu uiteraard voor uitstel van die verlaging zouden zijn. Wij moeten dit wetsontwerp echter ook zien als een typische consequentie — dit geldt ook voor de vervroeging van de verhoging van de omzetbelasting — van de nacht van Schmelzer. In die samenhang moet het voor ons als een moeilijk te aanvaarden wetsontwerp worden gezien. Concluderend meen ik te moeten zeggen, dat wij ons ten aanzien van de voornaamste belastingvoorstellen aarzelend opstellen, hoezeer wij het ook toejuichen — ik zeg het er met nadruk bij —, dat de Regering vooral wat de ruimte voor de gemeenten betreft betere mogelijkheden aangeeft dan tevoren het geval was.

X C R Ik wil mijn verhaal eindigen met een zeer concrete vraag aan het adres van de Minister-President. Wat doet de Regering in concreto, wanneer de Eerste Kamer van deze twee belangrijkste fiscale wetsontwerpen, de vervroeging van de ingangsdatum van de verhoging van de omzetbelasting en het uitstel van de ingangsdatum van de verlaging van de inkomsten- en loonbelasting, er één of beide verwerpt?

X C R Snoek (De heer) (BP)

no member profile picture

X C R Mijnheer de Voorzitter! De politieke beoordelingen van de door de Premier en Minister van Financiën aan de overzijde van het Binnenhof afgelegde regeringsverklaring mogen uiteenlopend zijn, menig econoom zal herhaaldelijk goedkeurend hebben geknikt bij het aanhoren van de glasheldere analyse van de huidige Nederlandse economische en financiële problemen. Eén der meest in het betoog van de Minister-President opvallende punten is wel de poging die dit interim-kabinet zal doen om de vastgelopen kapitaalmarkt weer in het rechte spoor te trekken. Deze heeft immers een onevenredig deel van de lasten met korte en lange kredieten moeten dragen, waardoor in korte tijd de rentevoet tot 7 pet. en soms wel meer kon oplopen. Een en ander heeft een ernstige liquiditeitscrisis in het leven geroepen. Ik zal achtereenvolgens daarvan de belangrijkste punten noemen.

X C R Het eerste is het tekort op de lopende rekening van de betalingsbalans. Het tweede wordt gevormd door een slepend tekort in de woningbouwsector en stagnatie in de stijging van de produktie door het achterblijven van de produktiviteit. Het derde punt is het aan het licht treden van liquiditeitskrapte, waardoor \el2 bedrijven die zich anders nog wel staande hadden kunnen houden wegens het te lang uitblijven van voldoende orders of tijdige betaling hiervan te gronde zijn gericht. Het vierde punt is de door de lagere overheidsorganen evenals in de jaren 1956 en 1957 gevolgde methode om langlopende investeringen te financieren met kort geld, aangezien langlopende leningen slechts mondjesmaat via het centrale financieringssysteem van de Bank voor Nederlandse Gemeenten ter beschikking kunnen worden gesteld. Snoek Wat het eerste punt betreft, zij het mijn fractie vergund op te merken, dat dit naar onze mening niet zo zeer een uitvloeisel is van kapitaalschaarste. Veeleer is hier het binnenlandse prijspeil als de schuldige aan te merken. In het laatste kwartaal van 1964 heeft een loonexplosie plaatsgehad die een geweldige opwaartse druk in de produktiekosten heeft bewerkstelligd. In 1965 kwam er nog eens een loongolf. Beide toonbewegingen hebben tezamen een loonkostenstijging van ongeveer 20 pet. met zich bracht.

X C R Het is duidelijk, dat dit onze concurrentiepositie ten opzichte van het buitenland niet heeft bevorderd.

X C R Onze fractie kan zich voorstellen, dat de reële loonmaatregelen, vooral voor de laagstbetaalden, wier bruto inkomen van f 120 op f 126 per week wordt gebracht, beslist geen reder, tot juichen vormen. Ook in deze kringen zal men echter moeten inzien, dat deze maatregel één van de desiderata is, waardoor in combinatie met andere factoren, waarover ik straks nog kom te spreken, het zo begeerde economisch evenwicht weer zal kunnen worden bereikt. Het tekort op de betalingsbalans kan immers slechts worden weggewerkt door verbetering van de Nederlandse ruilvoet, dat wil zeggen het bereiken van een relatief betere kostenstructuur en kostprijs tegenover het buitenlandse concurrerende produkt. Eén der middelen om tot deze situatie te geraken is verhoging van de produktiviteit, doch dit is zowel een arbeids- als een kapitaalsprobleem. Door diepte-investeringen kan immers de zo noodzakelijke verhoging van de produktiviteit en de daarmee gepaard gaande kostenverlaging worden bereikt. Een en ander behoeft zodoende op den duur in het geheel geen benadeling van de loon- en salaristrekkendcn te betekenen, zodat eventuele verzoeken om loonsverhoging, mits deze de produktiviteitsstijging niet te boven gaat, op een later tijdstip een redelijke kans van slagen hebben. Ik zeg hierbij niets over het niet-optrekken van de lonen. Men moet er echter rekening mee houden, dat het er niet om gaat wat men in het loonzakje vindt, maar wat men daarvoor kan kopen. Daar gaat het om; het gaat er niet om, of men 100 of 200 gulden in dit salariszakje vindt; het gaat erom: wat kan de werknemer hiervoor krijgen?

X C R Mijnheer de Voorzitter! Wij zijn op deze wijze ongemerkt in de sfeer van de produktie beland. Er is door onze fractie reeds op gewezen, dat vooral in de woningsector spanningen zijn ontstaan, die vooral culmineren in de voor deze activiteit te hoog opgetrokken rentevoet. Nu is dit een euvel, waaraan ook de ons omringende landen lijden. Gezien de vrijheid van het internationale kapitaalverkeer, kan hieraan door Nederland op eenzijdige wijze niet veel worden veranderd. Veranderen wij de rentestandaard — afgezien van het feit, of dit mogelijk is —, dan zouden wij hierdoor een kapitaalvlucht naar het buitenland verkrijgen, indien daar de rentestandaard op een hoger niveau zou staan dan in Nederland. Het is dus zeer de vraag — en hier moet onze fractie ten aanzien van het regeringsprogramma toch wel een kritisch geluid laten horen —. of de maatregelen, die de Minister-President denkt te nemen in zijn kwaliteit van Minister van Financiën, ten einde tot verruiming van de kapitaalmarkt te geraken, wel voldoende doeltreffend zullen zijn. Indien hij namelijk overweegt om de omzetbelasting enigermate te verhogen, ten einde hiermede de overheid aan geld te helpen — en dit dan niet meer via een voorinschrijfrekening van de institutionele beleggers geschiedt —, dan kan dit inderdaad ten gevolge hebben, dat de lagere overheidslichamen wat gemakkelijker aan geld op langere termijn geholpen kunnen worden. Wij zijn ervan overtuigd, dat de bedrijfssector niet gelukkig is met de veranderde situatie; dit is een kardinaal punt. Wat is het geval, mijnheer de Voorzitter? Het bedrijfsleven is niet gebaat met nieuwe besparingen, die tegen een hoge rentevoet ter beschikking komen. Deze sector zal het voornamelijk moeten hebben van het risicodragend kapitaal, dat in de regel wordt gevormd uit particuliere besparingen, vermeerderd met interne financiering uit de reserveringen, die het bedrijfsleven zeli doet. Deze reserveringen zijn juist onder meer afhankelijk van de omzelmogelijkheden van het bedrijfsleven.

X C R

X C R Zitting 1966-1967 EERSTE KAMER

X C R

X C R Algemene politieke en financiële beschouwingen over de rijksbegroting 1967 8ste vergadering - 20 december "66 I 0 9

X C R Snoek Vooral bij die artikelen, die een karakter dragen van nietprimaire levensbehoeften, zal de omzet door verhoging der omzetbelasting een neiging tot stagnatie vertonen. Het feit, dat de Minister van Economische Zaken ons dezer dagen een krachtig prijsbeleid voor 1967 heeft aangekondigd — dit houdt in, dat er met een soort van argusogen tegen prijsverhogingen wordt gewaakt, hetgeen zeer redelijk is voor de sociaal zwakken —, doet de vrees opkomen, dat de vooruitzichten voor het bedrijfsleven nu niet ai te rooskleurig moeten worden beoordeeld. Deze sector heeft terdege rekening te houden met de loonsverhogingen per 1 januari a.s. — ook met de optrekking van minimumlonen — maar dit houdt een bepaalde kostenstijging in, die wellicht in vele gevallen vooruitloopt op de te verwachten stijgingen van de produktiviteit. Vooral de toch al te nauwe „financieringsjas" zal de liquiditeit aanvankelijk ongunstig beïnvloeden. Deze situatie kan allicht enige maanden duren.

X C R Als een en ander na verloop van tijd wat is ingespeeld, komt de Regering ook nog met een verhoging van de omzetbelasting, die het labiele evenwicht tussen omzet en bedrijfsuitkomsten opnieuw in gevaar kan brengen.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Onze fractie wil speciale aandacht vragen voor het volgende. Heeft de Regering zich voldoende de consequenties gerealiseerd van de door haar aanbevolen maatregelen? Heeft zij zich met name gerealiseerd, dat de beoogde verhoging van de omzetbelasting weleens ten gevolge kan hebben, dat, wat enerzijds aan directe baten uit deze bron van inkomsten misschien meer binnenkomt, anderzijds door daling van de winsten ten gevolge van de verminderde omzetten, die onwillekeurig moeten komen en door een per saldo lagere opbrengst van de inkomsten- en vennootschapsbelasting weer verloren kan gaan?

X C R In dit geval is voor het overheidsbudget nog niet veel bereikt. Wij kunnen ons dus voorstellen, dat de Regering straks bij haar beantwoording van de vragen uit de Kamer zal wijzen op de verlaging van de loon- en inkomstenbelasting eveneens per 1 juli 1967. Deze verlaging zal natuurlijk vele loon- en salaristrekkenden wel enige verlichting geven. Natuurlijk, mijnheer de Voorzitter, doch er zij hier op gewezen, dat de reeds drie jaar geleden in het vooruitzicht gestelde verlichting in feite in verband met de voortschrijdende geldontwaarding nog steeds een morele en juiste correctiefactor inhoudt op de inmiddels sterk gestegen kosten van levensonderhoud. Ik wil er hierbij aan herinneren, dat ten gevolge van de stijging van de kosten van levensonderhoud en de waardevermindering van onze gulden de belastingdruk in 1966 reeds meer dan 50 pet. groter is dan die in 1956. Er is dus een normale morele grond aanwezig voor deze belastingverlaging. Te meer daar aan de overzijde van het Binnenhof van diverse kanten reeds sterke druk is uitgeoefend in verband met het uiteindelijk verlagen van deze belastingdruk, volstaat onze fractie er in dit stadium mee, zich van harte bij die aandrang aan te sluiten. Zijn wij derhalve ietwat sceptisch gestemd ten aanzien van de sector van het particuliere bedrijfsleven, een ander geluid kunnen wij laten horen betreffende de te verwachten verruimingen van de financieringsmogelijkheden der lagere publiekrechtelijke lichamen — u begrijpt wel, dat wij hiermee niet de p.b.o. bedoelen —, dit alles natuurlijk, indien wij ervan mogen uitgaan, dat de conjunctuur in de komende maanden niet veel zal teruglopen en de belastingopbrengsten dus conform de raming van 700 min. zullen uitvallen.

X C R Het is u bekend, dat met name de drie grootste gemeenten in Nederland met tamelijk grote tekorten moeten werken.

X C R Naar de mening van mijn fractie moeten voor dit soort van gevallen andere financieringsnormen gelden dan die, welke thans gelden bij de uitkeringen via het Gemeentefonds. Wij achten het nu bij deze algemene beschouwingen echter niet het juiste tijdstip om op deze ingewikkelde materie nader in te gaan. Wellicht is hierover te zijner tijd nog eens gelegenheid bij de behandeling van de afzonderlijke begrotingshoofdstukken. Snoek e.a.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Het zal onze fractie een genoegen doen, wanneer de/e Regering de Mijnwei Continentaal Plat, ten aanzien waarvan zij in de Tweede Kamer heeft gezegd, dat zij haar standpunt op zo kort mogelijke termijn wil bepalen, thans zo spoedig mogelijk indient. Reeds te lang is door allerlei moeilijkheden — niet in het minst in de boezem van het vorige kabinet — het regelen van deze voor ons land toch zo vitale kwestie achterwege gebleven. Van bepaalde zijde moge zijn opgemerkt, dat het regelen van deze kwestie niet behoort tot de taak van een interim-kabinet, onze fractie kan deze mening niet tot de hare maken. Zeker, wij weten, dat men van bepaalde zijde niet heelt geschroomd, van deze kwestie een politieke „Prinzipicnreiterei" te maken, zelfs in die mate, dat alleen bekend is, dat de sfeer van het toenmaals heersende regiem de samenwerkende oliemaatschappijen ervan heeft weerhouden, alvast concessies voor het Noordzecgebied aan te vragen.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Het moest in dit verband niet een kwalijke politieke gewoonte worden, dat iemand, wiens mening afwijkt van de normale, de gangbare, een bijzonder etiket krijgt opgeplakt. Men vergete niet, dat, welke bezwaren men overigens ook tegen de monopolies van dergelijke maatschappijen mocht hebben — ook wij zijn hiervoor bepaald niet blind —, deze olieconcerns toch reeds via de accijnzen en de vennootschapsbelasting grote bedragen ten behoeve van de schatkist en derhalve voor de gehele Nederlandse samenleving opbrengen. Het is dus begrijpelijk, dat men zich bij deze maatschappijen derhalve strenge criteria aanlegt bij het afwegen van besluiten om een bepaald gebied al dan niet op olie en/of aardgas te onderzoeken, te meer waar toch algemeen bekend is, dat met het mislukken van exploraties grote verliezen gemoeid kunnen zijn!

X C R Ten slotte wil ik nog enige opmerkingen maken over de kwestie van het uitgavenpeil van de rijksoverheid. Wij zijn met onze fractie in de Tweede Kamer teleurgesteld over het feit, dat dit interimkabinet zich op het standpunt stelt, dat het gedurende zijn korte regeringsperiode niet tot een zodanige doorlichting van de begroting in staat is, dat enigermate belangrijke bezuinigingen kunnen worden gemaakt. Wij hebben hedenmorgen kunnen horen, dat een stijging van 18 pet. van de overheidsuitgaven wel erg aan de hoge kant is. Zoals reeds gezegd is, betreuren wij dit zeer. Dit is immers volgens de mening van onze partij één van de mogelijkheden, waardoor de verhoging van de omzetbelasting wellicht achterwege had kunnen, blijven. Deze verhoging maakt het leven duurder, niet in het minst voor degenen met een minimuminkomen. De beslissing van de Regering, dat in 1967 geen extra-loonsverhoging mag worden toegekend, terwijl door de stijging van de prijzen de sociale verzekeringspremies en de huren de koopkracht van de werknemers wordt aangetast, is voor ons, mede gezien in het licht van het achterwege blijven van besnoeiingen in de rijksuitgaven, met het oog op de sociaal zwakken een zeer moeilijk te aanvaarden zaak.

X C R Het is dan ook voor ons onmogelijk de Regering op het stuk van de verhoging van de omzetbelasting te volgen. Onze fractie zal te zijner tijd haar stem aan dit gedeelte van het regeringsbeleid niet kunnen geven.

X C R Mijnheer de Voorzitter! Vanmiddag is mij door de heer Umkers een handschoen toegeworpen. Ik betreur het, dat wij er in deze Kamer weer op terug moeten komen; ik wil het dan ook zeer kort maken. Ik kan de heer Ilmkers rustig zeggen, dal degene, over wie dit handelde, geen lid meer van onze partij is en met onze partij ook niets meer te maken heeft. Ik zou het hierbij willen laten. Ik zal niet verder met de heer Umkers als lid van de C.P.N, in discussie treden over democratie in onze gelederen.

X C R Mazure (voorzitter)

no member profile picture

X C R Is de Regering bereid, morgen om kwart voor elf te antwoorden?

X C R Zijlstra (minister)

no member profile picture

X C R Gaarne, mijnheer de Voorzitter.

X C R De algemene politieke en financiële beschouwingen worden verdaagd.

X C R

X C R Zitting 1966-1967 EERSTE KAMER

X C R 110 8ste vergadering - 20 december '66 Lijst van ingekomen stukken

X C R

X C R 110 8ste vergadering - 20 december '66Lijst van ingekomen stukken

X C R Aan de orde is de behandeling van de Lijst van ingekomen stukken, welke op de tafel van tic griffier ter inzage van de leden heeft gelegen.

X C R

X C R Aan de orde is de behandeling van deLijst van ingekomen stukken, welke op de tafel van tic griffier ter inzage van de leden heeft gelegen. Overeenkomstig de door de Voorzitter inzake de ingekomen stukken gedane voorstellen wordt besloten.

X C R Mazure (voorzitter)

no member profile picture

X C R Ik stel aan de Kamer voor, het voor de leden ter inzage gelegde gedeelte van het officiële verslag der Hcmdellngen van de vorige vergadering goed te keuren.

X C R Daartoe wordt besloten.

X C R De vergadering wordt te 21.37 uur gesloten.

X C R LIJST VAN INGEKOMEN STUKKEN met de door de Voorzitter ter zake gedane voorstellen:

X C R 1°. de volgende door de Tweede Kamer der Staten-Generaal aangenomen ontwerpen van wet:

X C R Vaststelling van de wet op de middelen der rijksbegroting voor het dienstjaar 1967 (8800); Verhoging van de omzetbelasting (8835); Verhoging van de accijns op benzine en gasolie (8836); Verlenging van de tijdelijke verhoging van de vennootschapsbelasting (8837); Belastingverlaging voor ongehuwden van 40 tot 65 jaar (8838); Wijziging van de Wet op het Rijkswegenfonds (8845); Wijziging van de Ongevallenwet 1921 en de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 in verband met het uitstel van de invoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (8919); Wijziging van de wet van 16 december 1965, Stb. 564 (8929); Uitstel van de verlaging van de inkomstenbelasting en van de loonbelasting (8956).

X C R Deze wetsontwerpen zijn inmiddels gesteld in handen van de desbetreffende commissies; 2°. de volgende regeringsmissives:

X C R a. een. van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Ministers van Sociale Zaken en Volksgezondheid, van Justitie, van Landbouw en Visserij, van Onderwijs en Wetenschappen en van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, ten geleide van een exemplaar van een nota, waarin het regeringsstandpunt is vervat ten aanzien van het op 22 juni 1962 te Genève door de Internationale Arbeidsconferentie aangenomen Verdrag nr. 117 betreffende fundamentele doeleinden en maatstaven op het gebied van het sociale beleid (Trb. 1962, nr. 121 en Trb. 1965. nr. 81); b. een, van de Minister van Onderwijs en Wetenschappen, ten geleide van een aantal exemplaren van de publikatie „Voortgezet onderwijs voor uw kind na de lagere school"; c. een. van de Minister van Buitenlandse Zaken, ten geleide van de tekst van het perscommuniqué, dat werd uitgegeven na afloop van de 42ste ministeriële zitting van de Noordatlantische Raad, welke op 15 en 16 december jl. plaatsvond, aan welke tekst is toegevoegd een verklaring dd. 14 december jl. van de Ministers van Buitenlandse Zaken van de Bondsrepubliek Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, over het Duitse vraagstuk.

X C R De Voorzitter stelt voor. deze missives voor kennisgeving aan te nemen.

X C R De bijlagen zullen worden nedergelegd ter griffie, ter inzage voor de leden; 3°. een missive van de Minister van Buitenlandse Zaken, ten geleide van Traclatenbladen 1965, nrs. 90 en 91, waarin is opgenomen de tekst van de op 10 september 1964 te Parijs ondertekende Overeenkomst strekkende tot het vergemakkelijken van huwelijkssluiting in het buitenland, en van de eveneens op 10 september 1964 te Parijs ondertekende Overeenkomst inzake het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit.

X C R Deze missive is inmiddels gedrukt en aan de leden toegezonden; de Tractatenbladen zullen worden nedergelegd ter griffie, ter inzage voor de leden; 4°. een missive van de voorzitter van het Centraal Stembureau voor de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, ter voldoening aan het bepaalde in artikel U 2, eerste lid, laatste volzin, der Kieswet, houdende mededeling, dat hij van de heer J. van der Schaaf, te Leeuwarden die bij zijn besluit van 5 december 1966, nr. 2140, werd benoemd verklaard tot lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, bericht heeft ontvangen, dat deze zijn benoeming niet aanneemt en dat in zijn plaats bij besluit van 16 december 1966, nr. 2142, de heer P. J. Verdam, te Amsterdam, tot lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal is benoemd verklaard.

X C R Deze missive zal worden gesteld in handen van de te benoemen commissie tot onderzoek van de geloofsbrief, met bijbehorende stukken, van het nieuwbenoemde lid deiKamer; 5°.

X C R vijf missives van de directeur van het Kabinet der Koningin, houdende mededeling van de goedkeuring door H.M. de Koningin van een aantal ontwerpen van wet, aangenomen in de vergaderingen der Kamer van 8 en 29 november 1966.

X C R De Voorzitter stelt voor, deze missives voor kennisgeving aan te nemen; 6°. een verzoekschrift van J. Post, te 's-Gravenhage, houdende o.m. verzoek om rechtsherstel.

X C R Dit adres zal worden gesteld in handen van de Commissie voor de Verzoekschriften; 7°. de volgende geschriften:

X C R a. een, van W. J. Leyds, te Naarden-Bussum, zijnde een afschrift van een telegram vanhet comité Zelfbeschikking NieuwGuinea aan de Minister van Buitenlandse Zaken met betrekking tot het doen deelnemen van Papoea's aan de Indonesische verkiezingen in 1969; b. een, zijnde een telegram van prof. Broekman, te Utrecht, prof. Bijlstra, te Groningen, prof. Van der Linden, te Nijmegen, en prof. Duyzings. te Amsterdam, met betrekking tot het uitstellen van de invoering van een regeling voor de verstrekking van orthodontische hulp; c. een, van burgemeester en wethouders der gemeente Assen, ten geleide van een tweetal moties inzake:

X C R a. het in ernstige mate teruglopen van de werkgelegenheid in de provincie Drenthe; /;.

X C R het ontbreken van voldoende financieringsmiddelen, als gevolg waarvan een volledige ontwrichting van de gemeentelijke activiteiten dreigt; d. een, van mr. F. J. M. Drognat Doeve, te 's-Gravenhage, o.m. met betrekking tot de bij de Kamer aanhangige belastingontwerpen; e. een, van Gedeputeerde Staten van Friesland, ten geleide van een door de Staten van deze provincie aangenomen motie inzake bevordering werkgelegenheid, verbetering infrastructuur en opheffing financieringsmoeilijkheden;

X C R

X C R Zitting 1966-1967 KLRSTE KAMER

X C R Lijst van ingekomen stukken 8ste vergadering - 20 december '66 111

X C R

X C R Lijst van ingekomen stukken8ste vergadering - 20 december '66 111 ƒ. een, van de Europese Beweging, zijnde een dankbetuiging voor de ontvangst door de Eerste Kamer op 2 december jl. en ten geleide van een exemplaar van de tijdens de te 's-Gravenhage gehouden conferentie aangenomen verklaring; g. een, van A. C. van der Tol, te Sassenheim, met betrekking tot de huurverhoging. Deze geschriften zullen worden nedergelegd ter griffie, ter inzage voor de leden, met bijzondere kennisgeving van het geschrift: sub a vermeld, aan de commissie van rapporteurs voor Buitenlandse Zaken; sub b vermeld, aan de commissie van rapporteurs voor Volksgezondheid; sub c en dat sub e vermeld, aan de commissies van rapporteurs voor Sociale Zaken, voor Financiën en voor Economische Zaken; sub d vermeld, aan de commissie van rapporteurs voor Financiën; sub g vermeld, aan de commissie van rapporteurs voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.

X C R

X C R Zitting 1966-1967 EERSTE KAMER

X C R

X C R \\z